| III HET ANCIEN REGIME |
|
III.1
Europa in de tweede helft van de achttiende eeuw III.1.2 Filosofie, wetenschap en kunst III.2 Biografie |
| In de achttiende eeuw bezaten de Engelsen de eilanden in de Noordzee ruwweg gelegen tegenover de lijn Nederland-Denemarken, dus ook Ierland, hoewel dit eiland wel een aparte status had. Frankrijk was vrijwel net zo groot als nu en het bezat Sicilië en vanaf 1768 ook Corsica. Ook Nederland, Spanje, Portugal en Zwitserland verschilden qua omvang niet of maar weinig van tegenwoordig en het waren zelfstandige staten. Zweden bezat een gedeelte van Finland (de rest hoorde bij Rusland), terwijl Noorwegen en Denemarken samen een koninkrijk vormden. Italië was opgesplitst in verschillende staten, waaronder de pauselijke bezittingen, die toen veel groter waren dan nu, en het Koninkrijk van Napels dat de hele zuidelijke helft van de 'laars' besloeg. België en Luxemburg waren Oostenrijks bezit. In die landen was, net als in Bohemen, Hongarije, Sardinië en enkele kleinere gedeelten van Italië, het Habsburgse huis aan het bewind, dat rustig bezig was met de opbouw van de befaamde Oostenrijks/Hongaarse dubbelmonarchie, die in de negentiende eeuw zo'n belangrijke rol in de Europese politiek zou gaan spelen. In de achttiende eeuw bestond Duitsland uit meer dan driehonderd grotere en kleinere keurvorstendommen, waarvan Pruisen wel het belangrijkste was. Van enige nationale Duitse eenheid was nog lang geen sprake. Hongarije, dat groter was dan nu en zich uitstrekte tot ver in Slowakije, grensde in het zuiden direct aan het Osmaanse (of Ottomaanse) rijk, want de Turken bezetten toen vrijwel de gehele Balkan en Griekenland en daaraan kwam pas vlak voor het einde van de achttiende eeuw een einde. In Polen was de situatie heel verschrikkelijk, want tussen 1772 en 1795 werd het land drie keer opgedeeld, ten voordele van Pruisen, Rusland en Oostenrijk. De hierboven geschetste (en hieronder te bestuderen) topografische situatie bleef niet lang in stand, toen de Franse revolutionairen na 1789 met een groot gedeelte van Europa in oorlog kwamen en de landsgrenzen razendsnel veranderden. Pas na 1815 keerde de stabiliteit weer enigszins terug. |
| Politiek en economie | ||
| Frankrijk | Engeland | Midden-Europa |
| In de loop van de eeuw steeg het inwonertal van Frankrijk tot zo'n 25 miljoen inwoners, waarvan volgens de schatting van veel deskundigen ruim 600.000 personen in Parijs woonden. Voor ons lijkt dat niet zo heel veel, maar toch klaagde men steen en been over de overbevolking. Niet ten onrechte, want de snel groeiende bevolking kon slechts met grote moeite worden gevoed en er was echt sprake van een lompenproletariaat. Van efficiënte landbouw en veeteelt was aan het begin van de eeuw nog geen sprake en weliswaar verbeterde dit langzamerhand, maar de bevolkingsgroei ging beduidend sneller en dat was ook in de rest van West-Europa het geval. Over de oorzaken van dit merkwaardige fenomeen bestaat onder de deskundigen nog altijd geen consensus. Het is nog steeds onduidelijk waarom de bevolking ineens zo toenam. Men bedenke dat de medische stand nog weinig professioneel was en dat de ene na de andere epidemie tienduizenden slachtoffers eiste. Desondanks is de bevolkingseksplosie in Europa wel degelijk begonnen in deze periode, de tweede helft van de achttiende eeuw. Aan het bewind in Frankrijk was het huis Bourbon (of eigenlijk Capet, dit was een zijlijn van de Bourbons) en de koning heette gewoonlijk Louis. Hij was een absolutistisch vorst, die van mening was dat zijn koningschap een gave Gods was, in welk idee hij gestaafd werd door de kerk en de traditie. Hij regeerde over een min of meer feodale, nog sterk agrarisch ingestelde staat. Frankrijk was een echte standenmaatschappij, een edelman bleef een edelman, wat hij ook deed, een boer bleef een boer. Er was weliswaar een stelsel van een soort parlementen en een Staten-Generaal, maar slechts een zeer beperkt deel van de bevolking kon via deze instituten zijn invloed uitoefenen. De diverse koningen hadden echter sinds 1614 de Staten-Generaal niet meer bij elkaar geroepen, zodat die invloed in de praktijk weinig voorstelde. Desondanks hadden adel en geestelijkheid een flinke stem in het kapittel in Frankrijk, maar de geletterde burgerij was eigenlijk nergens, laat staan de grote massa van het ongeletterde werkvolk. Niet minder dan 96% van de bevolking behoorde tot de derde en vierde stand en deze groepen hadden nauwelijks invloed op het bestuurlijke apparaat. Ondertussen had de rijke burgerij wél alle economische macht, terwijl de adel, grotendeels in Parijs woonachtig, voornamelijk parasiteerde. Een Franse minister schreef over de zo langzamerhand onhoudbare situatie: 'Parijs is een gapend gat, waarin alle rijkdommen van de staat verdwijnen.' Gedurende de hele tweede helft van de achttiende eeuw waren er boerenopstanden en in het laatste kwart van de eeuw had Frankrijk, net als veel andere landen in Europa, te kampen met misoogsten, zodat er op grote schaal honger werd geleden. Het is overigens niet zo dat de armen er in Frankrijk veel slechter aan toe waren dan in de rest van Europa, maar vrijwel nergens was de kloof tussen arm en rijk zo groot als daar. De economie verslechterde snel en de armen hadden maar weinig te eten, terwijl de zeer decadente adel zijn vrolijke leventje rustig voortzette, vervuld van minachting voor het gewone volk. Louis XIV, die tot 1715 regeerde, was een weinig getalenteerd man, maar hij was wilskrachtig en had de touwtjes van de staat goed in handen. Dat gold beduidend minder voor zijn opvolger, Louis XV, met als gevolg dat het hele bouwwerk van de staat op zijn grondvesten begon te schudden. Er werd menige kostbare oorlog gevoerd, met als dieptepunt de zeer bloedige Zevenjarige Oorlog (1756-1763), in alliantie met Oostenrijk en Rusland, tegen Engeland en Pruisen, welke oorlog dermate grootschalig was dat men wel van een soort wereldoorlog zou kunnen spreken, want ook de Engelse en Franse koloniën overzee waren erbij betrokken. Frankrijk was de grote verliezer van deze strijd. Het land verloor vrijwel al zijn gebiedsdelen overzee en moest overal geld lenen om het bankroet van de staat te voorkomen. En wat deed de koning? Hij liet zich in met de Amerikaanse vrijheidsstrijd. Deze inmenging kostte Frankrijk twee miljard livres, terwijl de jaarlijkse inkomsten de 500 miljoen niet te boven kwamen en de uitgaven aan andere zaken ongeveer 600 miljoen bedroegen. Wie kent niet de uitspraak Après nous le déluge? Sommigen schrijven deze woorden toe aan Louis XV, anderen verdenken zijn beeldschone minnares Madame de Pompadour hiervan en weer anderen zoeken er de volgende koning en/of diens echtgenote achter. Hoe dan ook: de uitspraak was typerend voor het gedrag van het koninklijk huis. Louis XV was een vrouwenversierder, die niet genoeg had aan die mooie geliefde, die hij trouwens na vijf jaar weer aan de dijk zette. Zijn rokkenjagerij werd zijn dood, want hij werd besmet met pokken door een aantrekkelijke boerenmeid, die hij en passant verleidde. | Vergeleken bij Frankrijk was Engeland, de Europese basis van het Britse wereldrijk, dunbevolkt. In de loop van de achttiende eeuw steeg het inwonertal tot negen miljoen inwoners, waarvan bijna een miljoen in Londen (de deskundigen zijn het hierover niet helemaal eens, want ik las ook aantallen van nauwelijks meer dan 700.000). Het land was er economisch beter aan toe dan Frankrijk. Gedeeltelijk was dat het gevolg van de relatief democratische staatsinrichting, met een veel beter functionerend bestuurlijk apparaat en enige controle op de lonen en prijzen, zodat extreme wildgroei kon worden voorkomen, gedeeltelijk had dat zijn oorzaak in de Britse wingewesten overzee, waardoor men er financieel beter bij zat dan op het vasteland van Europa. Een uitzondering hierop was het relatief zeer welvarende Nederland, dat in de zeventiende en de achttiende eeuw waarschijnlijk de rijkste natie ter wereld was. Dat uitte zich onder andere in de razendsnelle groei van Amsterdam, dat in de vijftiende eeuw nog werd beschreven als 'een dode stad' met slechts enkele tienduizenden inwoners en aan het eind van de achttiende eeuw welvarend en levendig was en 200.000 inwoners telde. Deze expansie had de Republiek geheel te danken aan de zeventiende eeuw, bekend als de 'Gouden Eeuw', toen de Nederlanders de wereldzeeën beheersten, vaak met grof geweld, vooral gericht op de Portugezen en de Engelsen. In de loop van achttiende eeuw werden de Nederlanders wat vredelievender en ging het langzaam bergafwaarts met hun macht, waaraan vanaf 1784 (het einde van de zogenaamde 'Vierde Engelse oorlog') een einde kwam en Engeland de rol van wereldheerser definitief overnam. De welvaart van met name Holland ging achteruit en dat uitte zich in een dalende populatie van de steden, terwijl de bevolking in de agrarische gebieden (Friesland, Groningen) juist toenam. Concurrent Engeland was niet meer zo agrarisch, omdat de industriële revolutie er vroeger was begonnen dan elders in Europa. Hierdoor werd het nodig in hoog tempo nieuwe wegen aan te leggen en ook menig nieuw kanaal werd gegraven. Dat moesten ze ook wel, want ze hadden heel wat in te halen. Frankrijk bijvoorbeeld had aan het begin van de achttiende eeuw een veel betere infrastructuur dan Engeland. Er waren in de tweede helft van de achttiende eeuw in Engeland geen boerenopstanden, maar wel veel arbeidersrellen, want in de fabrieken was het werk zwaar en lang en de betaling slecht. De term 'industriële revolutie' is goed ingeburgerd, de term 'agrarische revolutie' veel minder. Toch is iets dergelijks overal in Europa voorafgegaan aan de ontwikkeling van de industrie, het eerst in Engeland. De agrarische revolutie hangt op een ingewikkelde manier samen met de bevolkingseksplosie in de achttiende eeuw, die zich overal in Europa manifesteerde. Deze ontwikkeling had tot gevolg dat de productie van de landbouw sterk groeide, de kwaliteit van het graan en het vee beter werd, woeste gronden werden ontgonnen en er een uitgebreide herverkaveling van het bebouwde land volgde. Graan werd erg belangrijk en weilanden werden omgebouwd tot akkers. Zo gepreoccupeerd raakte men met de akkerbouw, dat de Engelse koning zich de bijnaam farmer George liet welgevallen. (Aan de overzijde van het Kanaal merkte Voltaire spottend op dat de landbouw in de mode kwam omdat men op al het andere was uitgekeken, en er belandde een markiezin onder de guillotine omdat ze veevoer had verbouwd in plaats van graan.) Het huis Han(n)over was aan het bewind in Engeland, met tot 1760 George II. Deze werd opgevolgd door George III, die lang regeerde, maar tegen het einde van zijn leven krankzinnig werd verklaard. De Zevenjarige Oorlog, in alliantie met Pruisen tegen Frankrijk, Oostenrijk en Rusland, werd door de Engelsen glorieus gewonnen en hun opmars over de wereldzeeën begon. | Al heel lang kozen de Duitse keurvorsten gezamenlijk een keizer, die de eer had aan het hoofd te staan van de lappendeken die het 'Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie' werd genoemd. Zoals ik al vermeldde, was er geen sprake van enige eenheid tussen al die vorstendommen, want wat in het ene vorstendom wel kon, kon in het andere absoluut niet en onderlinge schermutselingen waren schering en inslag. De rol van de keizer was er vooral eentje van vertegenwoordiger van een machtsblok tegenover het buitenland, uiteraard vooral Frankrijk, Engeland en Rusland. Gewoonlijk was de Duitse keizer tegelijk de machtigste man in Oostenrijk, dat toen een aartshertogdom was, en Hongarije, dat toen een koninkrijk was. De landsgrenzen van beide staten verschilden echter behoorlijk van de tegenwoordige. Het huidige Bohemen, van oorsprong een koninkrijk, was Oostenrijks gebied, terwijl het huidige Slowakije bij Hongarije hoorde. Sinds de vijftiende eeuw maakten de Habsburgers de dienst uit in Midden-Europa en was er een Habsburger in zowel Oostenrijk als Hongarije als Duitsland aan het bewind. Gewoonlijk was de Habsburger die op de troon van het Duitse keizerrijk zat, dezelfde als de machtigste man in Oostenrijk en Hongarije. Vanaf 1765 regeerde de legendarische Maria Theresia, wier gezicht de achtergrond van dit hoofdstuk siert. Ze had de troon overgenomen van haar gestorven echtgenoot en ze werd door haar nauwelijks minder beroemde zoon Joseph bijgestaan in haar taak. Weliswaar was de moeder geen progressieve geest, maar toch was ze verstandig genoeg om de nodige hervormingen te bewerkstelligen. De zoon ging hierin veel verder. Jammer genoeg ging hij erg overhaast en autoritair te werk en niet bepaald fraai was de handelwijze van zijn geheime politie, die zich lang niet altijd humaan gedroeg, maar waar hij desondanks veel gebruik van maakte. Net als de heersers in Engeland en Frankrijk was hij in de ban van de landbouw en hij verhief een propagandist van de klaverteelt tot Edler von Kleefeld. Wenen was de grootste stad van het rijk, met in 1797 ruim 200.000 inwoners, waarvan een kleine 60.000 in de binnenstad woonden. Berlijn was kleiner met 150.000 inwoners, Praag nog kleiner met 80.000 stuks. Twee grote oorlogen ontsierden de politiek van de Habsburgers: de Oostenrijkse Successieoorlog en de Zevenjarige Oorlog, tijdens welke oorlogen Pruisen en Oostenrijk elkaar bevochten om het bezit van Silezië. Oostenrijk verloor de landstreek aan Pruisen, in welke machtige staat de roemruchte en oorlogszuchtige Friedrich II von Hohenzollern aan het bewind was (bekend als 'Frederik de Grote'). Door bovengenoemde oorlogen verloren veel Duitsers hun vertrouwen in de politiek en uiteindelijk zou dat tot gevolg hebben dat Napoleon een groot gedeelte van het land heel gemakkelijk kon veroveren. Velen zouden hem begroeten als een bevrijder en Beethoven was één van hen. Zoals in heel Europa waren ook in Duitsland, Oostenrijk en Hongarije de inkomensverschillen enorm. De familie Esterházy, ongetwijfeld één van de rijkste families, had in 1760 een jaarinkomen dat 700.000 Gulden bedroeg, terwijl de boeren die schatplichtig (45%!) aan de familie waren, het moesten doen met minder dan 300 Gulden. Vergeleken bij het inkomen van het grootste deel van de Weense bevolking was dat nog ruim, want dat bedroeg ongeveer 50 Gulden. Natuurlijk zegt dit helemaal niets als we de kosten voor levensonderhoud er niet bij betrekken en dan zien we dat volgens Schiller (overigens bepaald geen man uit het volk) constateerde dat een vrijgezel in Jena heel goed kon leven van 400 Gulden per jaar. In Wenen was het beduidend prijziger. Van enkele van Mozarts vrienden weten we dat ze alleen al aan huur meer dan 500 Gulden per jaar kwijt waren. Ook kleding was zeer prijzig, in tegenstelling tot levensmiddelen, wat direct verklaart waarom al die arme sloebers die moesten leven van 50 Gulden, toch niet van honger stierven. Maar enige luxe konden deze mensen zich onmogelijk permitteren. Ook de Oostenrijkse staatsfinanciën waren in de achttiende eeuw allesbehalve rooskleurig. De staat balanceerde voortdurend op de rand van het faillissement, wat aanleiding werd voor menige belastinghervorming, die uiteraard inhield dat iedereen meer moest gaan betalen. |
| Hygiëne, voedsel, gezondheid |
| In de eerste helft van de achttiende eeuw waren Parijs en de Parijzenaars vies, onvoorstelbaar vies. De parfumindustrie deed dan ook uitstekende zaken. Louis XIV schijnt nauwelijks met het verschijnsel water in aanraking te zijn geweest. Men beweert dat hij, onder hevig protest, slechts driemaal in zijn zeer lange leven in bad is geweest. Mogelijk is deze roddel slechts een fabeltje, want in de eerste helft van zijn regeerperiode waren de sanitaire voorzieningen van zijn paleis helemaal niet zo slecht. Er waren veel toiletten en de koning had de beschikking over diverse badkamers. Maar de in allerlei andere opzichten zo progressieve denkers van de Verlichting namen wat betreft de hygiëne een verrassend reactionair standpunt in, ondanks het feit dat in de loop van de eeuw het toiletpapier, een Chinese uitvinding, in de mode was gekomen en in 1710 het bidet was uitgevonden, toch ook een heel hygiënisch attribuut. Maar in het net klaargekomen koninklijk paleis in Versailles werden de toiletten en badkamers omgebouwd tot woonruimten en slechts voor het koninklijk paar bleven er een paar onaangetast. In Oostenrijk en Duitsland, maar vooral in Engeland (echter niet in Nederland, dat wat dit betreft een zeer onfrisse naam te verliezen had), was men een stuk schoner dan in Frankrijk. In Londen waren al in de eerste helft van de achttiende eeuw trottoirs aangelegd. Overigens was men, vergeleken bij Parijs, elders in Frankrijk soms veel schoner. Lyon bijvoorbeeld had al een vuilnisophaaldienst toen men er in Parijs nog over aan het kissebissen was. In 1764 verbood het Parijse stadsbestuur weliswaar het op straat storten van uitwerpselen en afvalwater, maar het snel afvoeren ervan werd een heel probleem, waar het bestuur nog vele jaren zoet mee was. Een groot probleem in de grote steden in Europa was de watervervuiling. In de meeste centra was de toestand van het water vreselijk, wat menige epidemie veroorzaakte, terwijl ook de kwaliteit van de lucht beneden alle peil was. De straten waren smal, de woningen bedompt en klein en er was nauwelijks groen. Natuurlijk hadden de hogere standen niet veel last van de smerigheid. Die zorgden goed voor zichzelf en woonden 's zomers, als het in de stad vreselijk stonk, op hun landgoederen, voorzien van veel ruimte, zuiver water en een goede afvoer van het vuil. In de winter betrokken ze hun comfortabele, ruime stadspaleis, dat groot en luxe genoeg was om niet met het vuil in aanraking te hoeven komen. Opvallend is het enorme verschil in kindersterfte. Bij het volk stierven de meeste babies, bij de adel bleven ze meestal in leven. Schrijnend was ook de snelle aftakeling bij volwassenen uit de werkende stand. Een arbeider van veertig werd beschouwd als een stokoude man, met vijftig was hij volkomen versleten en op sterven na dood. Het wonen in de centra van steden als Parijs en in mindere mate de andere grote steden in Europa was voor de minder bedeelden een hel. Helaas was het leven op het platteland nauwelijks beter dan in de steden, want het voedsel van de gemiddelde boer was ontstellend slecht. Vlees en vis kwamen nauwelijks op tafel, verse groenten nog minder. In de zestiende eeuw was de consumptie aan vlees nog erg groot, maar in de daaropvolgende eeuwen liep dit terug ten gevolge van de verslechterende verhouding tussen de toename van de bevolking en de afname van de hoeveelheid vee en wild, terwijl de opbrengsten van de landbouw nog lang niet voldoende waren om iedereen een evenwichtige maaltijd te bezorgen. Het voedsel van de boeren bestond lange tijd vrijwel geheel uit graanprodukten. In de steden had men ook nog te maken met de lange reistijden, waardoor bederfelijk voedsel niet bepaald vers meer was als het op tafel verscheen. Conserveren van vlees en groente bereikte men door toevoeging van grote hoeveelheden zout en veel mensen aten uitsluitend gezouten vlees en groente, nooit vers. Het zoutgebruik in de achttiende eeuw bedroeg in sommige streken maar liefst twintig gram per dag, een hoeveelheid waarvan een hedendaagse cardioloog de schrik om het hart slaat. Iedere stadsbewoner die het kon betalen, dronk al bij het ontbijt wijn of bier. Ook erg ongezond natuurlijk, maar niet onbegrijpelijk, want het was meer te vertrouwen dan het slechte water. Ik las een verbijsterend cijfer over het gebruik van bier: zeven liter op een dag, verzwolgen door landarbeiders bij het oogsten in de zomer (men bedenke dat het waarschijnlijk heel licht bier was, van twee à drie procent). Koffiehuizen werden erg populair en in 1750 telde Londen er al 3000. Koffie was verrassend goedkoop, in tegenstelling tot het luxedrankje chocola, dat net als koffie en thee in de zeventiende eeuw in Europa was geïntroduceerd. |
| Onderwijs, geestelijk leven, mentaliteit |
| De standsverschillen in de achttiende eeuw waren schandelijk en bespottelijk, gezien door de ogen van iemand uit onze tijd. Typerend is de gebruikte taal in de brieven uit die tijd. De haren rijzen ons te berge vanwege de gebruikte terminologie. Een lagergeplaatste werd geacht zich in het stof te wentelen voor de hogergeplaatste, hoe onnozel de inhoud van de brief verder ook mocht zijn. Vooral bij het Duits werkt dat erg lachwekkend. Het Frans dat in Parijs werd gesproken door de adel, was dusdanig anders dan dat van het gewone volk dat men elkaar nauwelijks kon verstaan en ook elders in Frankrijk en de rest van Europa waren de verschillen in taal tussen de elite en het volk enorm. Hoewel analfabetisme uiteraard nog op zeer grote schaal voorkwam, verschenen in de tweede helft van de achttiende eeuw in Engeland toch de eerste dagbladen. De Republiek deed het niet slecht wat dit betreft. In Amsterdam waren in de achttiende eeuw net zoveel boekhandels als in Parijs, terwijl het inwonertal slechts een derde van dat van Parijs bedroeg. Heel ambivalent is de manier waarop men in die tijd omging met seks. Over andere fysieke zaken was men in het begin van de eeuw vaak nog zeer open, vooral in de met gezondheid erg gepreoccupeerde Duitstalige landen. Daar zag men er geen been in om aan tafel uitvoerig over ieders indigestie te praten, waarbij men geen Latijn gebruikte om bepaalde lichaamsdelen aan te duiden. Maar het was blijkbaar heel erg moeilijk om ook openhartig over seks te praten. Daarin was men ontzettend hypocriet en in de loop van de eeuw werd het al erger en erger met de neiging over fysieke zaken te zwijgen. In een Frans handboek over etiquette uit het begin van de eeuw staat de raad in gemengd gezelschap niet te spreken over 'bepaalde lichaamsdelen', in een herdruk uit het einde van de eeuw wordt deze aanbeveling niet eens meer gedaan. Het taboe was blijkbaar te groot geworden. Het sluiten van een huwelijk was in deze tijd niet iets wat men zomaar deed, maar dat had niet zoveel met seks te maken, echter alles met armoede. Het gewone volk kwam er vaak niet aan toe om te trouwen. Men had geen geld, geen huis, geen toekomst. In Oostenrijk was het voor grote groepen van de bevolking zelfs verboden om 'zomaar' te trouwen. Toestemming voor een huwelijk werd maar mondjesmaat gegeven. Dit gaf zulke grote problemen dat des keizers adviseurs hem het advies gaven de wet te versoepelen. Het geboortecijfer in Wenen was inderdaad erg laag, ondanks de gebrekkige voorbehoedsmiddelen. Dat de bevolking van de stad toch snel steeg, was het gevolg van immigratie. De bij de beginnende industrialisatie behorende urbanisatie kwam goed op gang in deze tijd. De keizer vond Wenen te vol worden en verbood nieuwbouw. Uiteraard leidde dat tot extreem hoge huren.1 Alles bij elkaar was het voor de minder bij kas zittende standen een zeer onrechtvaardige situatie. Dat de keizer desondanks populair was bij het volk, geeft zwaar te denken over de oppervlakkigheid in die jaren van de gemiddelde Oostenrijker, maar had misschien ook te maken met de toegankelijkheid van vooral Joseph II. Iedereen die hem wilde spreken, kon dat zonder veel moeite regelen. Hij leefde letterlijk tussen zijn onderdanen en maakte wandelingen op dezelfde plaatsen als de gewone man. Verder nam men in Wenen het leven niet zo zwaar. Ondanks de armoede had men meestal toch nog wel voldoende te eten om niet direct van honger te sterven en over standsverschillen maakte men zich niet druk. Zoals Beethoven schreef in 1794: Aber ich glaube, solange der Österreicher noch braun's Bier und Würstel hat, revoltiert er nicht. |
| HET ANCIEN REGIME |
| III.1.2 Filosofie, wetenschap en beeldende kunst |
| Revoluties komen niet zomaar uit de lucht vallen. Veel denkwerk gaat eraan vooraf. De filosofische stroming uit de eerste helft van de achttiende eeuw, die wij de 'Verlichting' noemen, is de basis geweest van de politieke en maatschappelijke veranderingen die vanaf ongeveer 1789 plaatsgrepen en voortgingen gedurende de hele negentiende eeuw. Als begin van de Verlichting kan de Engelse Glorious Revolution (1688) worden gezien. Deze omwenteling was een eerste aanzet tot een modern staatsbestel met een poging tot scheiding der machten. Essentieel bij de Verlichting is het afwijzen van het geloof in algemene zin, uitsluitend op grond van een autoriteit. De mens moet niet zomaar geloven wat een autoriteit beweert, neen, de mens moet zelf nadenken. Voor ons klinkt dit 'nogal wiedes', toen was het behoorlijk revolutionair. Door middel van de rede (de 'ratio', eigenlijk doodgewoon het gezonde verstand, in ieder geval in dit verband) zou de mens een beter wezen kunnen worden en zouden we de natuur kunnen gaan begrijpen en beheersen. De stroming was wat dit betreft bijzonder optimistisch. Men zou kunnen zeggen dat men toen geloofde in een maakbare maatschappij. God was er misschien wel, maar hij bemoeide zich niet meer met ons en we zouden ons moeten verlaten op onze rede. Veel denkers uit deze stroming waren allesbehalve kerks, vaak zelfs atheïst of tenminste deïst. Wat is een deïst? Ik las eens een sarcastische, maar niet onjuiste typering: een deïst is een iemand die geen tijd heeft gehad om atheïst te worden. Inderdaad. De sterk op de medemens gerichte filosofen van de achttiende eeuw vonden dat de mens het heft in eigen hand moet nemen en dat iedereen in principe deze mogelijkheid heeft. Het individu is autonoom en vrij, het kritische denken is ideaal en niets moet zomaar geloofd worden, want alles kan onderzocht worden. Dit klinkt allemaal zeer modern en in veel opzichten (maar niet alle) zijn wij nog steeds kinderen van de Verlichting. Toen werd de moderne mens geboren en men moet toegeven dat de resultaten van dit gedachtengoed indrukwekkend zijn. Helaas niet altijd in positieve zin, want welke politieke ideologieën leverde dit alles op? Achtereenvolgens liberalisme, socialisme en communisme. Op elk van deze systemen valt wel het een en ander af te dingen. In 1791 vroeg de revolutionair Marat zich af wat men ermee zou winnen de aristocratie van de adel te vernietigen als deze zou worden vervangen door een nieuwe aristocratie van rijken. En hij ging nog een stapje verder in de richting van het communisme en schreef dat 'de arbeiders niets te verliezen hebben dan hun ketenen'. Enkele jaren later voegde de bevlogen Babeuf eraan toe dat in een 'waarachtige' maatschappij armen noch rijken zouden mogen zijn. Maar Marat werd vermoord en Babeuf stierf onder de guillotine of op weg naar het schavot (de historici zijn het er niet over eens). De Nederlandse antirevolutionaire politicus Kuyper zei in 1889, ter gelegenheid van de herdenking van de revolutie van 1789, dat liberalisme en socialisme niet deugen. Het eerste zou leiden tot een tweedeling van de maatschappij in een rijke bovenlaag van bourgeois en een arme onderlaag van proletariërs, het tweede zou leiden tot dictatoriaal staatsabsolutisme. In Kuypers christelijke ogen kon slechts door het evangelie geleide politiek genade vinden. Gezien het overdreven gejuich waarmee de Fransen in 1989 de revolutie nog eens herdachten, daarin hartelijk gesteund door, schier ongelooflijk, zowel de USA als de Sovjet-Unie, is Kuypers opvatting passé, terwijl hij toch eigenlijk wel gelijk had met zijn pessimisme. |
| Filosofie en literatuur |
| Frankrijk |
| Voltaire wordt vaak gezien als de voortrekker bij uitstek van de Verlichting en dat is wel terecht. Hij borduurde voort op het gedachtengoed van belangrijke wetenschappers en denkers uit de zeventiende eeuw, zoals de Engelsen Newton, Locke en Hobbes en de Fransman Descartes, zonder wier baanbrekend werk onze wereld er heel anders zou hebben uitgezien. Voltaire oefende veel venijnige kritiek uit op de structuur van de Franse staat, bekritiseerde de koning openlijk en stak zijn grenzeloze afkeer van de kerk niet bepaald onder stoelen of banken. Voltaire vond dat de 'eerloze' zou moeten worden verpletterd en daarmee bedoelde hij de katholieke kerk. Hedendaagse psychologen zijn met de suggestie gekomen dat zijn haat jegens de kerk het gevolg van een jeugdtrauma was, maar dat doet niets af aan het feit dat hij op een moderne manier de kerk bekritiseerde. Echter, de dingen die hij zei, waren in zijn tijd zeer gevaarlijk. Maar toen men de koning eens zei dat Voltaire eigenlijk in het cachot thuishoorde, schijnt hij te hebben geantwoord dat men 'zulke' mensen niet arresteert. Kennelijk beschouwde hij de geestige filosoof als een waardig tegenstander. Toch heeft Voltaire tweemaal de Bastille van binnen mogen bezichtigen en was hij een tijdje in ballingschap in Engeland, voor welk land hij bewondering kreeg, wat hem niet verhinderde te constateren dat het land '42 godsdiensten en twee sauzen' had. Later bezocht hij 'verlicht despoot' Friedrich II, de Pruisische koning die zo zijn best deed de Franse koningen te overtreffen in pracht en praal. Beroemd is des konings lijfspreuk 'Alles vóór, maar niets dóór het volk' en hij schafte nog in de eerste helft van de achttiende eeuw de slavernij af en de lijfeigenschap volgde snel. In het moderne Engeland gebeurde dat pas een eeuw later en ook wat betreft lijfstraffen was dat land niet bepaald voorlijk. Nog in 1815 werd gestraft met 600 zweepslagen. Zoiets gebeurde toen op het vasteland van Europa beslist niet meer, tenzij in het meestal achteraan sloffende Rusland. Overigens duurde het in het progressieve Amerika nog tot 1865 alvorens de slavernij werd afgeschaft en ook Nederland was trager dan Engeland wat dit betreft. Helaas belemmerde Friedrichs voorlijkheid op humanitair gebied hem niet om op waarlijk Pruisische wijze oorlog te voeren. Nietsontziend was hij wat dat betreft. Hij minachtte Duitse denkers en schrijvers, vond Shakespeare 'afschuwelijk' en vereerde Franse schrijvers. Stapels dweperige brieven schreef hij aan Voltaire, die graag weg wilde uit Frankrijk en naar Potsdam afreisde. Daar moest hij zonder onbeleefd te worden de miserabele Franse gedichten van de koning beoordelen. Ook hevige ruzies over de politiek ontsierden hun relatie. Friedrichs brieven aan Voltaire doen vermoeden dat de vorst, die mogelijk homoseksueel was en de niet bijzonder knappe (maar, toegegeven, kennelijk onweerstaanbare) Casanova een 'heel mooie man' noemde, min of meer verliefd op zijn vriend was, wat de onmiskenbaar heteroseksuele filosoof zich comfortabel liet aanleunen, totdat de vriendschap sneefde en Voltaire Potsdam weer verliet, na enige tijd door de zeer gekrenkte koning gevangen te zijn gehouden. Friedrich was kennelijk erg in Voltaire teleurgesteld, want hij zei dat hij hem bij zich zou houden tot hij hem niet meer nodig had. Daarna zou hij hem weggooien 'gelijk een uitgeknepen citroen'. Na een afwezigheid van twee jaar keerde Voltaire terug naar Frankrijk. In 1755 greep in Lissabon een vreselijke aardbeving plaats en dat maakte een diepe indruk op hem. In zes minuten stierven toen 15.000 mensen. Europa was geschokt. Waar was God? Voltaire trok de conclusie dat het opperwezen zich kennelijk niet meer met ons bemoeit. Terecht, meen ik, vooropgesteld tenminste dat er een opperwezen bestaat, wat de deïst Voltaire niet betwijfelde. Hij had niet het geringste vertrouwen in de menselijke soort, zeker niet in de gewone man, en vond dat het niet nodig was de allereenvoudigsten te leren lezen en schrijven. Hij meende zelfs dat 'alles' verloren was, als 'het volk' eenmaal begint te denken. Wel maakte hij een onderscheid tussen het proletariaat en de serieuze handwerksman. De laatste had recht op onderwijs, aldus Voltaire. Hij stak zijn dédain voor de niet-adel niet bepaald onder stoelen of banken en schreef dat goede smaak bij burgers 'onbekend' is. Hij zag dan ook niets in een democratische staatsinrichting en meende dat de koning de hoogste macht moest blijven. Toen Louis op zeer ondemocratische wijze de volksvertegenwoordiging buiten spel zette, koos Voltaire waarachtig zijn kant en schreef dat hij nog liever een 'mooie leeuw' zou gehoorzamen dan tweehonderd 'ratten' van zijn eigen soort. Wat betreft zijn visie op de structuur van de staat week Voltaire in ongunstige zin af van zijn generatiegenoot Montesquieu, die pleitte voor een constitutionele monarchie volgens Engels model. Deze bij het grote publiek veel minder bekende, maar wel degelijk zeer belangrijke filosoof wees Europa op het belang van de scheiding van machten in een wetgevende, een uitvoerende en een rechterlijke macht, waarin hij trouwens een voorganger had in de Engelse filosoof Locke. Voltaire zag meer in de visie van Locke's landgenoot Hobbes, die vond dat die machten juist niet moesten worden gescheiden, omdat een sterke machtsconcentratie de enige manier zou zijn om het beest in de mens onder controle te houden, hoewel Hobbes wel een tegenstander was van erfelijke dynastieën. Als het gaat om nationalisme en patriottisme gaat mijn voorkeur weer uit naar Voltaire boven Montesquieu. Voltaire vond dat soort gevoelens sentimenteel, terwijl Montesquieu een vurig patriot was, die de fout maakte heilig te geloven in een 'volkskarakter' en daaruit allerlei onzinnige conclusies te trekken. Ondanks zijn weinig democratische zienswijze mag ik Voltaire wel, meer dan andere Franse denkers uit deze periode. Als er een God is, dan hoop ik dat hij Voltaire welwillend heeft ontvangen, al was het maar vanwege zijn sarcasme, zelfs nog in zijn laatste momenten. Het werd donker in de sterfkamer en men onstak een kaars. Voltaire sprak: 'Wat? Nu al vlammen?' en men beweert dat hij tegen een priester, die hem de sacramenten kwam toedienen, zei: 'Val me niet lastig, laat me in godsnaam rustig sterven'. Dat zouden zijn laatste woorden zijn geweest. Voltaires grote tegenspeler was overigens niet Montesquieu, maar de in Zwitserland geboren en in Frankrijk werkende Rousseau. In tegenstelling tot de cynische, pessimistische Voltaire en de moderne, realistische Montesquieu was hij een idealistische moralist: een bevlogen persoonlijkheid, die ondanks bepaalde overeenkomsten ernstige bedenkingen had tegen de Verlichting, die hij egoïstisch en degeneratief vond. Hij is de geschiedenis ingegaan als de prediker van de filosofie van 'Terug naar de natuur'. De mens dient simpel te leven en de eenvoudige is een beter mens dan de gecultiveerde. De mens is in wezen edel en goed, maar heel erg gecorrumpeerd door de zogenaamde beschaving. Rousseau meende dat de mens vrij is geboren, maar overal 'in ketens' is. Voltaire had een heel wat minder positief mensbeeld en Montesquieu achtte beschaving nu juist de enige manier om fatsoenlijk te leven. Interessant is een vergelijking tussen Rousseau en Voltaire wat betreft die aardbeving van Lissabon. De naïeve Rousseau zag het als een waarschuwing van God aan de mensheid dat het heel gevaarlijk is in volgepakte steden te leven! In zijn staatkundige opvattingen was hij uitgesproken republikeins en de revolutionairen hebben zijn oeuvre dankbaar misbruikt om de revolutie een filosofische rechtvaardiging te geven. Ronduit naïef ook is zijn idee dat 'het volk' zich niet aan terreur schuldig zou maken en 'dus' de macht zou moeten krijgen. Wat onsmakelijk is de consequentie hiervan: hij vond dat zo'n regering het recht zou moeten hebben personen te verbannen, die de staatsgodsdienst niet zouden onderschrijven. Zijn mijns inziens afkeurenswaardige visie was het gevolg van zijn weerzin tegen individualisme. (Soms leest men dat hij de 'uitvinder' was van de communistische leuze la propriété c'est le vol. Dat is een vergissing, want de in 1809 geboren Proudhon, die ook als eerste de term 'anarchisme' gebruikte, moet hiervoor verantwoordelijk worden gesteld.) Rousseau vond individualisme slecht voor de intermenselijke relaties, omdat het mensen te ongeïnteresseerd in hun medemensen zou maken. Hij meende dat mensen zich toch vooral elkaars broeders en zusters zouden moeten blijven voelen. Deze visie maakte hem helaas soms uitgesproken reactionair. Ik vind het betreurenswaardig dat hij later in zijn leven terugkeerde tot de in die jaren toch erg verrotte katholieke kerk. Hij noemde de bijbel toen een 'een goddelijk boek' en Jezus een 'goddelijk persoon'. Rousseau is nogal onleesbaar geworden. Hij was gespeend van ieder gevoel voor humor en dat irriteert. Maar indrukwekkend zijn nog steeds zijn bespiegelingen over de manier waarop kinderen zouden moeten worden opgevoed. Merwaardigerwijs schijnt hij zijn eigen vijftal kinderen naar het weeshuis te hebben gebracht. Over dit feit wordt door historici nog steeds uitgebreid gepolemiseerd. De historicus Nicolson acht het mogelijk dat Rousseau op deze manier geruchten over zijn impotentie de wereld uit had willen helpen -hij zou feitelijk niet één kind verwekt hebben- en wijst op de uitspraak van een hoer, nadat ze Rousseau als klant had gehad. Ze beval hem aan zich maar liever bezig te houden met de 'wiskunde', want met de vrouwen zou het toch maar niets worden en inderdaad zijn de dingen die hij over vrouwen zei niet bepaald complimenteus. Hoewel hij in eerste instantie verkoos niet te trouwen en slechts samenwoonde met een zeer eenvoudig meisje, huwde hij haar later alsnog en de historicus Bouman denkt dat de geestelijke onvolwaardigheid van de moeder Rousseau zijn kinderen naar het weeshuis deed brengen. Het laatste woord over deze kwestie is nog niet gezegd, maar verder niet belangrijk hier. Rousseau's ongetwijfeld wel degelijk belangrijke bespiegelingen over pedagogiek vonden enige navolging bij de Zwitserse onderwijshervormer Pestalozzi, zonder wie het moderne onderwijs er waarschijnlijk anders uit zou zien. Iets voor radicale feministes: Rousseau wilde de mens niet laten terugkeren tot de status van gorilla, zoals men wel eens abusievelijk denkt, zelfs was hij niet de 'uitvinder' van de kreet 'nobele wilde' (want ook dat was de uitvinding van iemand anders, die schreef dat 'wilden werkelijk nobel zijn'), maar hij propageerde de terugkeer naar een landelijke, matriarchale, communistische gemeenschap. Toch schreef hij: 'Iedere vrouw die zich laat zien, onteert zich', maar hoe hij een en ander met elkaar in overeenstemming dacht te brengen, is mij niet duidelijk. Eigenlijk was de weinig realistische Rousseau de belangrijkste grondlegger van de Romantiek, want bij niemand uit dit tijdsgewricht treedt de gevoelsmens, zo typerend voor de Romantiek, zo expliciet op de voorgrond. Zijn progressiviteit is van een heel andere soort dan die van Voltaire. Hij was optimistisch over het wezen van de mens en pessimistisch over de heilzame werking van kennis en kunde. Bij Voltaire was dat andersom. Vergelijken we Rousseau, Voltaire en Montesquieu in hun opvattingen over standsverschillen, dan zien we in Rousseau toch de progressiefste. Hij hamerde voortdurend op de gelijkheid van de mens en een gelijke verdeling van de macht. De adellijke Montesquieu wilde daarentegen de macht bij de aristocratie houden en burgerman Voltaire zag wat dit betreft meer in een combinatie van koning, adel en de hoogste lagen van de bourgeoisie. |
| Engeland |
| Het grote belang van Frankrijk als centrum van de ideologie van de Verlichting heeft nog wel eens tot gevolg dat de belangrijke rol van Schotland ondergesneeuwd raakt in boeken en andere publicaties over de historie van dit tijdperk. Met name uiteraard Edinburgh speelde een rol van betekenis. De stad had zelfs een tijdje de erenaam 'Athene van het Noorden.' Grote invloed aldaar had de wetenschapsfilosoof Hume, die een voorvechter was van het werkelijk vrije denken, niet gehinderd door dogma's en vooroordelen. Het is zijn grote verdienste geweest dat hij wees op het feit dat kennis nooit compleet kan zijn en dat alle kennis dus slechts voorlopig is. Hij stelde dat alleen in de wiskunde absolute waarheden zijn te vinden. Twee plus twee is altijd vier, omdat het hier gaat om abstracte ideeën, niet om concrete, toetsbare feiten. In de natuurwetenschap gaat het wél om feiten en dus is daar altijd enige onzekerheid aanwezig. Met deze visie liep hij vooruit op het oeuvre van de Duitser Kant. In zijn godsdienstige opvattingen was Hume een oprechte agnosticus en hij had niet bepaald hoog de pet op van de mens. Hij meende dat wij in wezen slechts geregeerd worden door eigenbelang. Hume is tegenwoordig weer aardig populair. Zijn wat cynische kijk past blijkbaar goed bij onze tijd. Nog een Schot deed van zich spreken in deze periode: Macpherson. Heel Europa raakte in zijn ban nadat hij in 1762 grote opschudding had veroorzaakt met de publicatie van een 'oud-keltisch' gedicht uit de derde eeuw, gemaakt door de blinde bard Ossian en door hem, Macpherson dus, herschreven. Ossian werd bijna griezelig populair. Maar onderzoek toonde aan dat Macpherson de gedichten grotendeels zelf had verzonnen en hij kreeg hevige kritiek te verduren. Moderne deskundigen vallen hem niet meer zo zwaar, gezien de smaakvolle manier waarop hij kans heeft gezien de sfeer van de derde eeuw op te roepen, terwijl hij op veel momenten wel degelijk teruggreep op zeer oude volksverhalen. Het woord 'vervalser' is veel te zwaar, maar zo keek men er toen toch wel tegenaan. In Engeland was lang niet iedereen bevlogen door progressieve ideeën. Velen waren niet gecharmeerd van de filosofie van de Verlichting. De zeer conservatieve en even veelzijdige publicist Johnson had veel invloed op zijn landgenoten en hij noemde Voltaire en Rousseau 'doortrapte schurken'. Enkele jaren voor de revolutie stierf hij. Als hij was blijven leven, zou hij ongetwijfeld tonnen vuur en zwavel over de hoofden van de revolutionairen hebben uitgestort. Hij introduceerde de term establishment, uiteraard zonder de denigrerende betekenis die wij eraan geven. Hij was neurologisch en mogelijk ook psychisch gestoord, gezien zijn vaak wel heel vreemde gedrag en dito bewegingen. Een hedendaagse neuroloog diagnosticeerde Johnsons geheimzinnige ziekte als het syndroom van Tourette en dat zou best eens juist kunnen zijn. Dat neemt niet weg dat Johnsons nuchterheid verfrissend is. Toen men een berg beschreef als 'onmetelijk', antwoordde hij dat het niet meer was dan een 'aanzienlijke uitwas' en bekend is zijn reactie op de theorie van het niet-bestaan van materie, die toen even in de mode raakte. Men vroeg hem dit te weerleggen. Johnson schopte tegen een steen en vond dat voldoende weerlegging. Ik mag zo'n reactie wel. |
| Het Duitse taalgebied |
| In de filosofie had het Duitse taalgebied in de eerste helft van de achttiende eeuw nog niet zoveel te bieden (daarna zou dat rap veranderen!) en naar mijn smaak valt er ook niet veel interessants te melden over de nogal breedsprakige literatuur. Deskundigen verzekeren mij dat Lessing gezien moet worden als de grondlegger van de later zo indrukwekkende Duitse literatuur, maar erg leesbaar is hij niet meer. Ik deed mijn uiterste best op Minna von Barnhelm, helaas, het lukte me niet om het uit te lezen. Grote literaire invloed ook had de dichter Klopstock. Hij hield niet van het rationalisme van de Verlichting en brak een lans voor de gevoelsbeleving, waarmee hij een stap zette in de richting van de Romantiek. |
| Wetenschappers |
| Uiteraard had de filosofie van de Verlichting grote invloed op het wetenschappelijk denken en mijn inziens in zeer positieve zin. Men maakte zich eindelijk los van de repressie van de katholieke kerk en men werd oprecht nieuwsgierig naar het wezen van de natuur. Met behulp van maar liefst tweehonderd medewerkers publiceerde de Fransman Diderot halverwege de eeuw zijn beroemde encyclopedie, die een ware schatkamer was van de menselijke kennis op dat moment. De achttiende eeuw was de eeuw van het onderzoeken en verzamelen. De adel had een rariteitenkabinet in huis en wetenschappers hechtten grote waarde aan het onderzoek. In de biologie legde de Zweed Linnaeus met de publicatie van zijn boek Systema naturae in 1735 de grondslag voor de systematiek van botanie en zoölogie. 'Meten is weten', was zijn blazoen en dat van zijn tijdgenoten. Het was een tijd van grote vondsten en uitvindingen, zowel in de zuivere wetenschap als in de technologie. Om met het laatste te beginnen: de aardappel, wegens zijn relatief hoge voedingswaarde eerst 'mirakelknol' geheten, werd na een aarzelende introductie in de zeventiende eeuw nu op grote schaal verbouwd (vanwege zijn familierelatie met de giftige nachtschade was men er lange tijd zeer huiverig voor). Het belang van de 'aardappelrevolutie', die in de zeventiende en achttiende eeuw plaatsgreep met Duitsland en Engeland als trendsetters en Frankrijk en Rusland als hekkesluiters, kan nauwelijks worden overschat. Er zijn zelfs historici die menen dat uitsluitend de aardappel de oorzaak is geweest van de bevolkingseksplosie in Europa. Ook de suikerbiet werd populair en het lukte om mooie, witte suiker zonder enige bijsmaak te produceren, maar voor Jan met de Pet was het begeerde materiaal nog veel te duur. Ploegen en zaaien werden gemechaniseerd en de Schot Meikle vond een dorsmachine uit. Vanaf 1750 werden indrukwekkende verbeteringen aangebracht in de verwerking van ijzer en Engeland liep hierbij met zevenmijlslaarzen voorop. Maar ook op fundamenteel wetenschappelijk gebied werden bijzondere prestaties verricht, zoals de ontdekking van het galvanisme door de Italiaanse anatoom Galvani. De Franse arts Mettrie, publiceerde in 1748 een boek met de veelzeggende titel L'homme machine en poneerde hierin een extreem materialistisch mensbeeld, waarvoor hij teruggreep op Descartes, die hij met betrekking tot diens dualisme (het mechanisch werkende lichaam van een mens wordt'"bewoond' door een denkende en voelende ziel) meende te moeten corrigeren. Hoewel woonachtig in het tolerante Leiden, gaf godslasteraar Mettrie zijn boek anoniem uit. Terecht, want slechts één exemplaar ontkwam aan de verbranding van de volledige druk. In encyclopedieën schittert Mettrie vrijwel altijd door afwezigheid, maar dat zou wel eens kunnen veranderen, want tegenwoordig wordt hij door menige bioloog met instemming geciteerd. Een aardig detail uit de geneeskunde betreft de introductie van het woord 'griep'. In 1743 werd het voor het eerst gebruikt, uiteraard nog zonder begrip voor de aard van de ziekte. In 1752 schreef de Engelse arts Pringle een indrukwekkend boek over antisepsis, maar pas honderd jaar later zou dit gedachtengoed algemeen erkend en nagevolgd gaan worden. Een ware sensatie die half Europa in opperste staat van opwinding bracht, was de ontdekking van Herculaneum en Pompeji in de eerste helft van de achttiende eeuw. Deze vondst vormde het begin van uitgebreide opgravingen en hernieuwde interesse in de klassieke wereld. De eerste openbare musea werden opgericht en men publiceerde de eerste nauwkeurige beschrijvingen van de architectuur van de oudheid. Ook de ontdekkingsreizen van de Engelsman Cook vergrootten de blik op de wereld en in Beethovens geboortejaar ontdekte hij Australië. De meeste Europeanen waren zeer geïnteresseerd in zijn reisverslagen, gelukkig niet uitsluitend uit winstbejag. |
| Beeldende kunstenaars |
| Omdat ik weinig affiniteit heb met de beeldende kunst in het algemeen en die van de achttiende eeuw in het bijzonder, zal de lezer hierover niet veel gegevens aantreffen. Ook Beethoven was niet zo erg in de beeldende kunst geïnteresseerd, dus dat is voor mij een goed excuus het fenomeen voor minder relevant voor dit boek te verklaren. Toch is nodig te trachten een en ander in kaart te brengen, want het brede overgangsgebied tussen de stijlen in de kunst van de achttiende eeuw en die van de negentiende eeuw is een gecompliceerde zaak. In de eerste helft van de achttiende eeuw heerste de Barok, in de negentiende eeuw de Romantiek. Buitengewoon moeilijk is het echter om de halve eeuw daartussen in kaart te brengen. De geboortedata van sommige kunstenaars passen slecht bij de kunst die ze maakten, terwijl ook de gang van zaken in de diverse kunstsoorten flink verschilde. Het doorwerken van de literatuur hierover maakt moedeloos. Wat de ene deskundige met veel aplomb beweert, wordt door de andere met minstens zoveel kracht tegengesproken. De verwarrende situatie begon rond 1750, toen de kerkse, ernstige, op symmetrie gerichte Barok geheel uit de mode raakte. Rond ongeveer 1720 was als een soort reactie de vrolijke, wereldse, op asymmetrie gerichte Rococo ontstaan, maar korte tijd later verscheen, in navolging van de sterk op de klassieke wereld georiënteerde filosofie, het Classicisme. Het maken van een tijdsschaal om de situatie te verhelderen, helpt helaas niet, vanwege het grote aantal overlappingen. Het maakt het slechts nóg ingewikkelder. We kunnen het beste uitgaan van een soort continuüm, dat nog ruim voor 1750 begon en rond 1780 eindigde. In dat continuüm waren beide stijlen 'aan het bewind'. Daarna was de Rococo ter ziele, terwijl het Classicisme zijn invloed nog deed gelden tot ongeveer 1800. Rococo en Classicisme zijn volstrekt anders dan Barok en psychisch gesproken behoren ze allebei tot de Verlichting, maar op een geheel andere manier. In de Rococo is speelsheid troef. De schilderkunst is lichtvoetig, beweeglijk en pastelkleurig. Galante feesten en pastorale scènes kwamen in de mode. Niet langer schilderde men bijbelse taferelen. Kunsthistorici zien vaak in de Fransman Watteau de belangrijkste schilder en in de architectuur valt het oog op de paleizen Sans-souci in Potsdam en Schönbrunn in Wenen, beide voorzien van veel onrustige ornamentiek en te beschouwen als een kruising tussen Laat-Barok en Rococo. In het Classicisme werd juist bewust gestreefd naar harmonie en rust. De architectuur en beeldhouwkunst van de oudheid, met hun strakke, rechte, gave vormen en strikte regels werden tot voorbeeld gekozen. De invloed van de Renaissance is hierbij uiteraard allesbehalve afwezig en een belangrijke publicatie in dit verband was een boek, getiteld Geschichte der Kunst des Altertums (1764). Beroemde voorbeelden van het Classicisme zijn de Madeleine en de Arc de Triomphe in Parijs. |
| HET ANCIEN REGIME |
| III.2 Biografie |
| De naam Beethoven |
| Over de etymologie van de
naam zijn de deskundigen het niet eens. Sommigen denken
dat het iets met bieten van doen heeft, anderen
veronderstellen dat het te maken heeft met het woordje
'bet' dat zoiets als 'beter' zou
moeten hebben betekend, en weer anderen, Nederlanders
uiteraard, menen dat de naam 'afkomstig uit de
Betuwe' zou betekenen, natuurlijk ook vanwege het
voorvoegsel 'van', hoewel Vlamingen met recht
erop wijzen dat ook in Vlaanderen een bepaalde streek (bij
Tongeren) lange tijd werd aangeduid als Betouwe.
Ook zijn er deskundigen die een relatie zien met een
adellijke familie de Betho, Bethos of Bethues
(zelfs wel gespeld als Bethoven), die zowel in Vlaanderen als in
Maastricht zou hebben gewoond. We hebben echter voor deze
speculaties geen enkel behoorlijk bewijs en eigenlijk zelfs geen aanwijzingen. De meeste deskundigen veronderstellen, mijns
inziens terecht, dat de familie Beethoven van oorsprong een familie van katholieke, Vlaamse boeren
en landbezitters was,
hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk woonachtig in dorpen
rond Leuven. Over de etymologische afkomst van de naam is
waarschijnlijk nooit meer zekerheid te verkrijgen. Deze gegevens waren in de jaren veertig van onze eeuw
voor een Duitse antropoloog geen belemmering te trachten
te bewijzen dat Beethoven eigenlijk een neger was, omdat
hij via de moederlijke lijn van 'Moorse' (zoals men het in zijn tijd
noemde) afkomst zou zijn geweest en in de jaren zestig deed iemand hier nog een
schepje bovenop door te beweren dat de Beethovens van
Portugese afkomst zouden zijn geweest en zich zouden
hebben ingelaten met de slavenhandel, zodat er op deze
manier 'zwart' bloed in de familie zou zijn
gekomen. Slechts één blik op de portretten van
Beethoven zelf en dan vooral het masker van 1812 en het
dodenmasker bewijst mijns inziens het ongelijk van
deze personen. Zie de portrettengalerij, te bereiken via
Home, waar zowel beide maskers
als een foto van de schedel zijn afgebeeld. Vooral het
vermoeden dat het 'Moorse' bloed van zijn moeder, Maria Magdalena
Keverich, afkomstig
zou zijn, is tamelijk hilarisch. De familie Fischer, bij
wie de Beethovens in huis woonden toen de componist nog
een jongetje was, publiceerde hun herinneringen aan de
Beethovens, vele jaren na zijn dood, en men getuigde van
de blasse Farbe van het gezicht van de moeder.
Dat past toch wel heel erg slecht bij 'zwart'
bloed! Toch kunnen we niet helemaal uitsluiten dat er
tenminste een drupje Afrikaans bloed door Beethovens
aderen kan hebben gevloeid. Men bedenke dat in de
zestiende en zeventiende eeuw Vlaanderen in Spaans-Habsburgse
handen was en dat gedurende vele jaren er veel Spaanse
soldaten in de lage landen waren, terwijl het wel zeker is dat
een gedeelte van het leger van de Spaanse Habsburgers van
Noordafrikaanse afkomst was. Het is niet onmogelijk dat
zo'n soldaat wat 'zwart' bloed in de familie
Beethoven heeft ingebracht. Maar dat was aan Beethovens
gezicht niet te zien, noch aan de gezichten van zijn
naaste familieleden.
Een andere intrigerende zaak die nog wel eens aanleiding is voor misverstanden en wilde speculaties, is de correcte spelling van de naam Beethoven, benevens de uitspraak ervan. Voor Nederlanders en Vlamingen is dat laatste natuurlijk geen punt en de uitspraak in Bonn wijkt er maar heel weinig van af, maar de rest van de wereld ligt er nog wel eens mee overhoop. Zo is bekend dat in het Wenen van rond 1800 de klemtoon soms op de tweede lettergreep werd gelegd, terwijl de v als een f werd uitgesproken. Dit laatste is trouwens nog steeds het geval. Beethoven zelf bracht het nageslacht in verwarring toen hij na zijn verhuizing zijn naam inderdaad soms met een f spelde, maar veel vaker met een w, wat toen als de correcte Duitse spelling werd beschouwd. Dit had te maken met het Gotische schrift, waarin een w werd geschreven waar men tegenwoordig een v schrijft. Om het nog moeilijker te maken spelde Beethoven zijn naam ook wel eens met een enkele e. Sommige deskundigen denken dat hij wel eens zich vergist zou hebben bij het ondertekenen, anderen denken dat hij niet wist hoe hij zijn naam moest spellen of -als zovelen in zijn tijd- er geen waarde aan hechtte. Inderdaad ging men in de achttiende eeuw slordig om met de spelling van namen, zelfs in officiële documenten. In de Weense gemeentelijke archieven treft men minstens tien verschillende manieren aan om de naam Beethoven te spellen. Beethoven zelf spelde even gemakkelijk Klavier als Klawier. Pas vanaf 1800 begon men waarde aan te hechten aan een consequente spelling van namen en zelfstandige naamwoorden en het is in dit verband tekenend dat ook de achternaam van Beethovens moeder, Keverich, in enkele documenten gespeld staat met een f. Bovenstaande neemt niet weg dat Beethoven op officiële documenten, zowel die in Bonn als die in Wenen, zijn naam toch vrijwel altijd conform zijn geboortebewijs spelde: Beethoven. Maar in persoonlijke brieven duiken de f, de w en de enkele e geregeld op en veel te vaak om het af te kunnen doen als slechts een vergissing. Mij lijkt dat het zowel te maken had met de betrekkelijke desinteresse in spelling, als met de verschillen in uitspraak. De door Beethoven gebruikte w zou overigens ook te verklaren zijn uit het feit dat in Wenen toen zeer veel Hongaren woonden en in die taal pleegt men een v als een w uit te spreken. Beethoven telde veel Hongaren onder zijn vrienden. Misschien paste hij zich gewoon aan aan degene wie hij schreef. Aan een echte Wener die met een f uitsprak, schreef hij Beethofen, aan een verhuisde Hongaar en/of Duitser Beethowen. Misschien. Beethovens enkele e kan te maken hebben gehad met het feit dat 'Bet' in het Duits, het Bonns zowel als het Weens, wordt uitgesproken als 'Beet'. Overigens moeten we ook altijd in het oog houden dat Beethoven wel hield van een grapje, vooral woordgrapjes. Zo ondertekende hij eens een brief (geschreven in 1811 aan een goede vriend) met Beethöverl! Ook kortte hij zijn naam wel eens af tot Bthvn of Bthwn. Tot slot van deze taalkundige exercitie een kleine uitweiding onder leiding van niemand minder dan Thayer, Beethovens oerbiograaf, waar geen enkele serieuze onderzoeker omheen komt. Hij constateert dat de naam Beethoven in de zeventiende en achttiende eeuw ook gespeld werd als Biethof(fen) of zelfs Piethoffen en vraagt zich af of dat verwijst naar de toenmalige uitspraak, wat zou kunnen passen bij de veronderstelling dat de oorspronkelijke betekenis van de naam alles te maken heeft met een bietentuin en dan zijn we toch weer terug bij die familie van Vlaamse boeren. Thayer zou best eens gelijk kunnen hebben. Degene die echt alles wil weten over de genealogie van de Beethovens, moet vooral de doorwrochte, indrukwekkende studie van Schmidt-Görg lezen, gepubliceerd in de jaren zestig en uiteraard te vinden in de bibliografie. |
| De familie Beethoven |
De familie stamde dus zeer
waarschijnlijk uit Vlaanderen, uit de omgeving van Leuven
en Mechelen. Er wonen nog steeds mensen met deze naam in
Vlaanderen, maar het is wel zeker dat ze geen directe
familie zijn. Josyne, de vrouw van ene Aert van
Beethoven, ook wel Arnold genoemd, werd in
1559 als heks op de Grote Markt in Brussel verbrand en
Aert zelf stierf vermoedelijk in 1609. Over de volgende
twee Beethovens, Hendrick en zijn zoon Markus, is niet zo
heel veel bekend, maar het is wel zeker dat de betovergrootvader van de
componist, Cornelius
(1641-1716), van beroep timmerman was en dat
overgrootvader Michael
(of Michel), geboren in 1684 in Mechelen, een bakker was.
Later veranderde Michael van professie en werd hij handelaar
in kant en meubilair. Hij vergaarde een fortuin. Helaas
speculeerde hij niet zo best met onroerend goed en dat
leverde hem in 1741 een faillissement op, waarna het
bergafwaarts met hem ging. Hij en zijn vrouw ontvluchtten
Vlaanderen en stierven beiden in Bonn in 1749.
Het
echtpaar had twee zoons, waarvan de jongste in 1712 in
Mechelen werd geboren en Louis
werd genoemd. Merkwaardige coïncidentie, hij kreeg de
naam van een broertje dat twee jaar eerder was geboren,
maar al snel was gestorven. In 1770 zou Louis' beroemde
kleinzoon Ludwig hetzelfde overkomen.2
Louis' muzikaliteit manifesteerde zich al op zeer
jeugdige leeftijd en hij had kennelijk een mooie stem.
Achtereenvolgens was hij koorknaap en tenor, de eerste
functie in Mechelen in 1717, de tweede in Leuven in 1731. Als
negentienjarige verliet hij het ouderlijk huis en reisde
hij naar Luik, waar hij gedurende enige maanden de
aandacht trok als musicus en zanger (inmiddels
gezakt tot bas). Vervolgens reisde hij naar Duitsland,
vestigde zich in Bonn en trad aldaar in 1733 in dienst
bij de keurvorst, die hem in 1761 bevorderde tot Hofkapellmeister.
De provinciestad Bonn (die het toen nog was met ongeveer
10.000 inwoners) viel officieel onder het keurvorstendom
Keulen, Bonn en Münster en de keurvorst was
meestal een Habsburger, welk zeer wijd vertakt
vorstenhuis al zo heel lang de scepter zwaaide in veel
staten en staatjes van het 'Heilige Roomse rijk der
Duitse natie'. Vanaf het moment dat Louis in Duitsland woonde, gaf
hij gewoonlijk de voorkeur aan de Duitse schrijfwijze van
zijn voornaam. Kennelijk was zijn vaste baan vanaf 1733
aan het hof van de keurvorst aanleiding om een vrouw te
zoeken, want zijn oog viel op Maria
Josepha Pall (of Ball of Boll, de vaak gebruikte spelling Poll is in ieder
geval verkeerd, zie ook de website van onderzoeker Molberg:
Beethovens Genealogie). Ze was mogelijk in 1714 in
een tot nu toe onbekende plaats geboren, maar zeer
waarschijnlijk niet in Bonn. Louis trouwde met haar in
1733 en ze schonk hem drie kinderen, waarvan maar één
de volwassenheid haalde: Johann,
geboren eind 1739 of begin 1740, de toekomstige vader van de componist. Overigens zijn er enige
aanwijzingen dat Johann het resultaat was van een
buitenechtelijke affaire van zijn moeder. Gezien het
geringe aantal gegevens is niet te verwachten dat we
hierover ooit zekerheid zullen verkrijgen (Johanns
doopbewijs is tot nu toe nergens aangetroffen, terwijl de kerkboeken in
Bonn toch zorgvuldig werden bijgehouden), maar mocht ooit blijken dat het
vermoeden op waarheid berust, dan moeten we concluderen
dat de hoofdpersoon van dit boek de eventuele erfelijke
aspecten van zijn muzikaliteit niet aan die muzikale
Vlaamse grootvader te danken had, maar aan een onbekende
man (iemand met 'zwart bloed'?).
Beethovens ouders brachten hun leven door in Bonn en alle kinderen die binnen het huwelijk werden geboren (zeven stuks in totaal, waarvan slechts drie de volwassenheid haalden), kwamen daar ter wereld. Aan hun latere huisbaas danken we een belangrijk document, waaraan in de meeste biografieën wel wordt gerefereerd en dat op de volgende wijze tot stand kwam. In 1776 werd Johann met zijn jonge gezin onderhuurder van de Fischers en blijkbaar was de relatie dermate vriendschappelijk dat allerlei confidenties en familiaire aangelegenheden met de huisbaas en zijn vrouw werden doorgesproken. Een zoon en een dochter van Fischer besloten in 1838 deze mededelingen te publiceren en ze gingen de geschiedenis in als de memoires van de Bonner Bäckermeister Fischer. Zo zijn we bijvoorbeeld aan de weet gekomen dat grootvader Louis zijn salaris bij de keurvorst niet voldoende vond en als neveninkomsten een wijnhandel startte. Helaas bleek zijn echtgenote zijn beste klant. Maria Josepha raakte aan de drank en moest worden ondergebracht in een klooster, waar ze werd verzorgd tot haar dood in 1775. Ze schijnt volkomen in de war te zijn geweest. Mogelijk leed ze aan het syndroom van Korsakov. Vooropgesteld uiteraard dat Louis inderdaad Johanns vader was, bleek de zoon de muzikaliteit van de vader te hebben geërfd en al snel mocht hij meewerken aan de veelvuldige concerten in het keurvorstelijk paleis in Bonn. Louis was een uiterst precieze, veeleisende, autoritaire, lastige man, die zijn leven tot in de kleinste details had geregeld. We hebben een portret van hem, geschilderd door Radoux, kort voor Louis' dood. Hij had een zware, brede kop, regelmatige trekken, een krachtige kaak, grote, ernstige ogen, een streng voorhoofd, enfin, zie hierboven. Ongetwijfeld was Louis een imponerende man. Zijn beroemde kleinzoon vereerde hem bovenmatig en dit portret sierde altijd, waar hij ook woonde (en dat varieerde veelvuldig), een wand in zijn meestal kale, sobere woning. Maar erg sympathiek komt Louis toch niet op mij over en ik kom daarop nog uitvoerig terug in hoofdstuk IV. |
| De familie Keverich |
| Er is beduidend minder bekend over de familie van Beethovens moeder, in ieder geval de mannelijke lijn, waartoe ik me hier zal beperken (degene die meer wil weten, verwijs ik nog eens naar de studie van Schmidt-Görg, te vinden in de bibliografie, hoofdstuk X). De naam Keverich komt erg Rijnlands over en het is wel zeker dat men al zeer veel jaren in het gebied van de Rijn en de Moezel woonde. Het lijkt een typisch burgerlijke stadsfamilie te zijn geweest, waarin we beroepen aantreffen als koopman, ambtenaar en koetsier. De familie lijkt behoorlijk welvarend te zijn geweest. Zowel Beethovens grootvader van moederskant als zijn moeder werden geboren in Ehrenbreitstein bij Koblenz, inderdaad gelegen in het oostelijke deel van het Rijnland. De grootvader heette Johann Heinrich, was in 1702 geboren en hij zat in de horeca, hoewel men dat toen natuurlijk niet zo noemde. Officieel bekleedde hij de respectabel klinkende rang van Hofkücheninspektor, maar ik weet niet goed wat ik mij hierbij moet voorstellen. Moest hij voorproeven? Of moest hij controleren of er geen ratten door de provisiekast liepen? Later schijnt hij gepromoveerd te zijn tot Oberhofkoch, welke titel een stuk duidelijker klinkt. Hij stierf in 1759, naar het schijnt aan de gevolgen van een wat al te enthousiaste poging af te koelen bij een hittegolf, toen Beethovens moeder, Maria Magdalena, twaalf jaar was. De weduwe, Anna Klara geheten en geboren als Westorff in 1707 in Koblenz uit een familie waarin we beroepen als ambtenaar en douanier aantreffen, stond voor de zware taak alleen te moeten zorgen voor het gezin. Weliswaar werd ze in eerste instantie schadeloos gesteld voor het verlies van haar mans inkomen, maar al in 1761 werd dat ingetrokken, waarna ze tot armoede verviel. Van haar zes kinderen haalden slechts twee de volwassenheid, een meisje en een jongen. De jongen werd priester en bracht zijn leven door in zijn geboortestad Koblenz-Ehrenbreitstein. Het meisje was voorbestemd om Beethovens moeder te worden en woonde het grootste deel van haar korte leven in Bonn. Grootmoeder Anna Klara lijkt psychisch labiel te zijn geweest en uiteindelijk liep het heel droevig met haar af, want ze werd psychotisch en lijkt zichzelf te hebben willen straffen om volstrekt onduidelijke redenen. Ze at nauwelijks meer en bracht hele nachten buiten door, in weer en wind liggend voor de kerkdeur, ook midden in de winter. Dit werd haar dood. Twee jaar voor de geboorte van haar beroemde kleinzoon stierf ze, tot groot verdriet van haar toch al naar depressie neigende dochter. Voelde deze zich schuldig over de manier waarop haar arme moeder aan haar einde was gekomen? Al met al kan men wel stellen dat het goed mogelijk is dat Beethoven van zijn beide grootmoeders niet veel goede genen heeft meegekregen. |
----------------------------------------------------------------------------
Noten (voor de diverse auteurs: zie de bibliografie, hoofdstuk X, alwaar men zoeke op naam van de auteur.)
1. Bij Marek vond ik bedragen die niet afwijken van hedendaagse: Hfl. 300,-- voor een piepklein zolderkamertje. Barry Cooper daarentegen noemt bedragen die zeer veel lager zijn.
2. Een prangende vraag waar ik, tot mijn verdriet (ik geef toe: ook voortkomend uit chauvinisme), nog steeds geen antwoord op heb gekregen: spraken ze bij Lodewijk/Louis thuis nog Vlaams?