| IV BEETHOVENS JEUGd | ||
|
IV.1 Europa aan de
vooravond van de Franse revolutie IV.1.2 Filosofie, wetenschap en kunst IV.2 Biografie |
||
| Politiek en economie | ||
| Frankrijk | Engeland | Midden-Europa |
| In 1774 kwam een nieuwe koning aan het bewind: Louis XVI, kleinzoon van Louis XV. Hij was een stuk zediger en sympathieker dan zijn grootvader, maar hij was zwak en indolent en hij begreep weinig van staatszaken. Het liefste hield de man zich bezig met zijn grote hobby: sloten maken. Of hij ging op jacht, want dat was zijn andere grote hobby. Misschien had de catastrofe van de revolutie kunnen worden voorkomen als er op tijd wat zeer noodzakelijke hervormingen waren doorgevoerd, maar het lukte de koning niet om op het juiste moment de juiste beslissing te nemen, ondanks zijn goede bedoelingen. Het financiële tekort van de staat werd alleen maar groter. Ministers kwamen en gingen, maar het was niemand gegeven de situatie te verbeteren. De cijfers spreken voor zich. In 1787 ging meer dan 50% van de staatsuitgaven op aan de rente van de schulden, die een erfenis waren van de eerder in de eeuw gevoerde oorlogen. Een kwart van de staatsuitgaven was voor het onderhoud van het leger en het laatste kwart werd besteed aan hofhouding en ambtenarenapparaat, waarvan het leeuwendeel naar de ambtenaren ging, want de uitgaven van het hof, hoe luxe ook, bedroegen toch slechts 6% van het totaal, zodat bezuiniging aldaar niet veel zoden aan de dijk gezet zou hebben. Tussen 1785 en 1789 steeg de prijs van het brood met zo'n 70%, van het vlees met 58% en van het brandhout zelfs met 91%, terwijl de stijging van de lonen nauwelijks boven de 20% uitkwam. In augustus 1788 was de Franse staat feitelijk bankroet. De oogst van dat jaar werd vernield door hevige stormen met enorme hagelstenen, die zelfs vee in de weilanden doodden, en de daaropvolgende winter bleek ongewoon streng. De armen hadden nauwelijks meer te eten, hun levensomstandigheden werden slechter en slechter. In een poging de erbarmelijke toestand van de staatsfinanciën te verbeteren, besloot Louis tot een fatale stap: het bijeenroepen van de Staten-Generaal, voor het eerst in 175 jaar, met als doel een belastinghervorming door te voeren die meer geld in het laatje zou brengen. Maar daar kwam weinig van terecht, als gevolg van de onwilligheid van degenen die zouden moeten betalen. | Dat Engeland bij het moderniseren van de samenleving ver vooruit liep op de rest van Europa is goed te zien aan de groei van het inwonertal: tussen 1750 en 1850 met maar liefst 181%. Het ging al sneller en sneller en nog tot ver in de negentiende eeuw behield Engeland zijn voorsprong op het vasteland van Europa, tenminste wat betreft het tempo van modernisering, industrialisering en urbanisatie. Ondertussen hadden de Engelsen het in het laatste kwart van de achttiende erg druk met de Amerikaanse vrijheidsstrijd, die leidde tot afscheiding van de kolonie in Noord-Amerika. De dreiging van het overslaan van de Franse revolutie naar Engeland is nooit echt ernstig geweest. Dat heeft veel te maken met de wat betere economie en hun splendid isolation, maar misschien ook wel met zoiets vaags als het Engelse 'volkskarakter', mogelijk toch wat flegmatieker dan dat van de temperamentvolle Fransen. Ook moet niet worden vergeten dat de macht van de adel er lang niet zo groot was als in Frankrijk, waardoor het volk minder geneigd was zich zo vijandig op te stellen. | In 1780 stierf keizerin Maria Theresia, haar zoon zat als Joseph II, wiens gezicht de achtergrond van dit hoofdstuk siert, nog tien jaar alleen op de troon. Toen maakte zijn dood een einde aan een periode van grote hervormingen in het Habsburgse rijk. Maar er waren openbare scholen gesticht en voortreffelijke ziekenhuizen gebouwd en pijnbank (1776) en slavernij (ongeveer een decennium later) waren afgeschaft en bleven afgeschaft. Joseph, die de bijnaam "de gekroonde revolutionair" kreeg, had ook gezorgd voor opheffing van de censuur en voor godsdienstvrijheid (1781), maar dat zou later worden teruggedraaid. Ook voor de Vrijmetselaars kwam vrijheid van vergadering en meningsuiting, maar ze stonden wel onder politiecontrole en moesten ieder kwartaal een ledenlijst overleggen en een overzicht geven van de gehouden vergaderingen. Na Josephs dood werd dit weer teruggedraaid en werd de Vrijmetselarij weer verboden, maar in het geheim is menige succesvolle loge blijven bestaan. Een grote fout was het fanatisme waarmee Joseph, overigens een trouwe katholiek die zorgde voor de stichting van menig nieuw klooster en bouw van menige nieuwe kerk, de wereldlijke macht van de kerk trachtte te breken. De manier waarop hij met de Jezuïeten omsprong, mag wel een schande worden genoemd. Menige Jezuïet verdween zonder vorm van proces de kerker in. Men kan dit gedrag toch onmogelijk erg "verlicht" noemen en het is dan ook geen wonder dat er veel protesten kwamen. Joseph wilde te veel in veel te weinig tijd en bemoeide zich met allerlei pietluttigheden. Zelfs het aantal kaarsen dat voor een altaar in de kerk mocht branden, werd bij wet bepaald, terwijl het zingen van Duitse kerkliederen verplicht werd gesteld. Joseph wilde ijzer met handen breken en zijn psychologisch inzicht liet te wensen over. Pas op zijn sterfbed leek hij dit te beseffen, gezien zijn door hemzelf gekozen grafschrift, dat ongeveer als volgt luidt: 'Hier lig ik en ik heb in alles gefaald.' |
| Hygiëne, voedsel, gezondheid |
| Langzaam, heel langzaam ging het met de hygiëne weer de goede kant op en eindelijk werden ook in Parijs trottoirs aangelegd, het eerste in 1782. In dezelfde periode werden er ook badhuizen gebouwd en de Parijzenaars begonnen zich weer wat beter te wassen. Hoewel Louis XVI een stuk schoner was dan zijn directe voorgangers, kwam het toch niet tot de bouw van nieuwe toiletten in het paleis van Versailles. De koning ging echter wel geregeld in bad en zijn vrouw, een Habsburgse, schijnt zelfs de gewoonte te hebben gehad iedere dag te baden. In 1778 verbeterde een Engelsman het al veel eerder uitgevonden water-closet en deze herconstructie was zo goed dat de betere standen er erg enthousiast over waren. Omdat voor een echte wc aansluiting op de riolering vereist is, was het bezit van zo'n apparaat voorlopig nog slechts aan de elite voorbehouden. Merkwaardig feit: de trage, maar gestage groei van de interesse in hygiëne had soms vreemde adviezen tot gevolg, zoals de aanbeveling bedden uitsluitend van ijzer te maken en midden in de kamer te plaatsen, teneinde de ventilatie te bevorderen. Men was meer beducht voor slechte lucht dan voor vervuild water en de verbetering van de lichaamshygiëne beperkte zich eerst tot het regelmatig aantrekken van schone kleren, pas later ging men zich ook beter wassen. Omdat baden in de Donau werd verboden, moesten in Wenen meer badhuizen worden gebouwd. Helaas hadden de meeste uitsluitend koud water in de aanbieding. Slechts in zeven stuks in de binnenstad en vier stuks in de voorsteden kon men ook warm baden. Terugblikkend op de Europese geschiedenis moet geconstateerd worden dat het heel lang heeft geduurd voordat men armoede en honger op grote schaal een beetje onder controle kreeg. In Frankrijk bijvoorbeeld werden in de achttiende eeuw minstens zestien 'rampjaren' geteld, waarin men te kampen had met misoogsten die niet konden worden opgevangen door de bestaande voedselvoorraden, wat leidde tot een sterfteoverschot in de getroffen landstreek. Ook in menige Duitse stad, Bremen bijvoorbeeld, was in de hele tweede helft van de achttiende eeuw een sterfteoverschot, vooral ten gevolge van voedselgebrek. In Wenen probeerde de keizer wat grip op de prijzen en de verdeling van het voedsel te krijgen door de markten, die driemaal per week werden gehouden, onder staatscontrole te stellen. Voor veel levensmiddelen werd een vaste prijs voorgeschreven. Vrijwel overal in Europa verslechterde het dagelijks leven voor de gewone man in rap tempo. De verschillen in rijkdom waren ontstellend, voor ons schier ongelooflijk. Een voorbeeld: arbeiders en ambachtslieden in Parijs moesten ongeveer tachtig procent van hun inkomen aan eten en drinken uitgeven en dat was bijna de helft van het aantal inwoners van de stad. Werklozen en ongeschoolden waren geheel op de primitieve armenzorg aangewezen en in Parijs waren dat zo'n 70.000 mensen. En terwijl het volk verhongerde, ging de adel door met potverteren. Bekend is de anecdote over de koningin, de goedhartige, maar onnozele Marie Antoinette, die verbijsterd was bij de aanblik van een massa morrende mensen op de stoep van haar paleis. Toen ze vroeg wat dit volk nu eigenlijk wilde, kreeg ze het correcte antwoord dat ze geen brood hadden. Wie kent niet Maries beroemde wedervraag waarom ze dan geen cake aten? Ze zou het oprecht kunnen hebben gemeend, want ze had totaal niet in de gaten dat het toch heus een kwestie van geld was. Sommige deskundigen betwijfelen de authenticiteit van dit verhaal. Het zou in de wereld zijn gebracht om haar in diskrediet te brengen. Niettemin past het uitstekend bij haar wel degelijk goed gedocumenteerde naïviteit. Nog een voorbeeld: de hoogste ambtenaar bij een ministerie in Berlijn verdiende zestig maal zoveel als zijn laagste ondergeschikte. Vanwege de vreselijke armoede besloot de Pruisische koning voedselbonnen uit te geven voor de allerarmsten en dat bleek maar liefst een vijfde deel van de totale bevolking van de stad te zijn. |
| Onderwijs, geestelijk leven, mentaliteit |
| Een culturele mijlpaal was de naamsverandering in 1788 van een reeds bestaand Engels dagblad. Het heette voortaan The Times. Het op cultureel gebied leidinggevende Frankrijk was toch veel later met de verschijning van dagbladen en dat land was ook erg traag met het hervormen van het onderwijs. Rond 1790 kon slechts 47% van de Franse mannen hun naam schrijven, bij de vrouwen was dat percentage nog veel lager. Het vakblad deed z'n intrede (in Oostenrijk ook een Bauernzeitung) en er verschenen zelfs vrouwenbladen, wat nog niet wil zeggen dat de vrouwen meer rechten kregen. Integendeel, de maatschappij was nog uitermate patriarchaal. Verrassend is de lage prijs van eenvoudige boeken van twintig à dertig pagina's. In Frankrijk waren ze maar een paar sous, niet duurder dan een pond brood, en in Engeland kostten ze maar één penny. De krant kostte meer: twee pennies. Erg verheffend waren die boekjes overigens niet, want het was meestal echte 'keukenmeidenlectuur', die werd verkocht door marskramers. Qua mentaliteit werd men al maar hypocrieter over seks, terwijl de adel, vooral de Franse, onderwijl de verveling verdreef met uiterst decadent en pervers gedrag. Maar het was gevaarlijk om daar openlijk over te schrijven. Dan kreeg men te maken met de censuur. De onwaarschijnlijk pornografische schrijver Sade ging om deze reden de Bastille in. Natuurlijk probeerde men hem van alles ten laste te leggen, maar dat had weinig te betekenen. De werkelijke reden was zijn schokkende lectuur en hierin herkennen we de hand van de in Frankrijk volkomen aan de katholieke kerk onderworpen overheid. Pornografie werd een uitstekend middel om de door en door verrotte maatschappij te bekritiseren en dat was precies wat Sade deed. De langzaam toenemende repressie op seksueel gebied leidde tot de uitvinding van instrumentarium dat jongetjes moest beletten te masturberen. Vooral in Duitsland werd dit martelwerktuig populair en hele volksstammen ouders gaven hun geld uit aan deze akelige uitvindingen. Tegen het einde van de achttiende eeuw had men collectief een fobie voor masturbatie ontwikkeld. Dit had te maken met onjuiste ideeën over 'bezoedeling' en 'verlies van kracht'. Men dacht echt dat masturbatie levensgevaarlijk was en besteedde vele nutteloze uren aan het bestrijden van dit 'kwaad'. |
| BEETHOVENS JEUGD |
| IV.1.2 Filosofie, wetenschap en beeldende kunst |
| De Franse Revolutie maakte definitief een einde van het Ancien Régime en men kan wel stellen dat de filosofie van de Verlichting resultaat had gehad, hoewel er natuurlijk veel meer oorzaken zijn voor die revolutie en menig woord reeds wijdde ik aan de slechte economie en de onrechtvaardige politiek in Frankrijk. Ik vermoed dat de deskundigen het over de oorzaken van de revolutie wel nooit helemaal eens zullen worden en in het volgende hoofdstuk kom ik daar nog op terug. Duitsland, dat in filosofisch opzicht achter had gelopen bij Engeland en Frankrijk, werd belangrijk aan de vooravond van de revolutie. Kant, die door Beethoven en vele anderen zeer werd bewonderd, deed van zich spreken. Veel deskundigen beschouwen zijn dood in 1804 als het definitieve einde van de Verlichting. Uiteraard dient men te beseffen dat het onmogelijk is scherpe scheidingen tussen de diverse stromingen aan te brengen. Reeds bij Rousseau, ook al door Beethoven bewonderd, zagen we de eerste beginselen van de volgende ideologie: die van de Romantiek. |
| Filosofie en literatuur |
| Duitse taalgebied |
| Op Kant raakt een mens nooit uitgestudeerd. Hij moet onwaarschijnlijk intelligent zijn geweest en hij hield zich met ontzettend veel zaken bezig. Hij was dan ook hoogleraar in een hele reeks exacte vakken. Het is onmogelijk zijn gecompliceerde oeuvre in klein bestek weer te geven, daarom volgen hieronder slechts de punten, die ik de belangrijkste vind. Kant stelt dat noch zuiver empirische, noch zuiver rationalistische oplossingen voor een probleem kunnen leiden tot waarachtige kennis. Want: hoe vaak ook men iets proefondervindelijk toetst, het blijft altijd mogelijk dat onder onbekende omstandigheden het 'bewezene' onwaar blijkt te zijn. Zolang we niet alle appels, in heden, verleden en toekomst, naar beneden hebben zien vallen, is het mogelijk dat er eentje naar boven valt. Maar ook een rationalistische oplossing is niet voldoende: aan de hand van een theorie kan men niet met zekerheid voorspellen welke mogelijkheid werkelijkheid zal worden en welke niet. Alleen het nemen van de proef op de som geeft uitsluitsel, helaas nooit toereikend dus. Werkelijke kennis van het Ding an sich (Kants woorden) is onmogelijk. Mij lijkt dit onweerlegbaar en het is moeilijk zich de hedendaagse wetenschapsbeoefening voor te stellen zonder deze waarheid als een koe. In de achttiende eeuw echter kwamen zulke inzichten hard aan, want de mens viel van een voetstuk: hoe we ook ons best doen, altijd resteert enige onzekerheid in onze kennis. Kant had een afkeer van metafysica en vond speculeren over dingen die de ervaring te boven gaan, weinig nuttig, welke opvatting ik volmondig onderschrijf. Het moet overigens eigenlijk onderkend worden dat Kant en zijn voorgangers het wiel opnieuw uitvonden, want had niet reeds Plato gewezen op de onmogelijkheid de werkelijkheid te kennen? Blijkbaar was men dit eeuwenlang vergeten, zodat het nogmaals 'ontdekt' moest worden. In zijn ethiek stelt Kant dat de mens een aangeboren gevoel voor goed en kwaad heeft en volgens dit gevoel moet leven. Gezag, geloof, traditie en sociaal milieu zijn bij hem niet van belang voor het juiste handelen van de mens, waar hij naar mijn mening volstrekt gelijk in heeft. Slechts het geweten telt. Verder dient de mens ernaar te streven zoveel mogelijk kennis te vergaren. Belangrijk in Kants ethiek is de 'deugd', welk begrip in de hele Verlichtingsbeweging erg opvallend is. Het gaat niet om God, die gehoorzaamd moet worden, neen, het gaat om de deugd, die nagestreefd moet worden. Overigens bleef Kant toch een gelovig mens. Wat betreft de structuur van de staat zag hij veel in een rechtsstaat in republikeinse zin. In zijn boekje Zum ewigen Frieden is hij minder theoretisch dan gewoonlijk en breekt hij een lans voor samenwerking tussen de staten, die dan een democratische bestuursvorm zouden moeten hebben. Hij was een uitgesproken pacifist en had het lef dat in Pruisen te publiceren. Toch werd hem nooit een strobreed in de weg gelegd. Hij werd als hoogleraar en filosoof zeer gewaardeerd en hij was een keurige, maar later in zijn leven wat dwangneurotische man, die beroemd werd om zijn innige relatie met zijn horloge. Men beweert dat hij slechts éénmaal in zijn leven te laat kwam, toen hij de tijd was vergeten bij het lezen van Rousseau's Emile. Hij bleef vrijgezel en men zegt dat hij zijn leven lang kuis zou zijn gebleven, hoewel hij als jongeman toch niet ongezellig schijnt te zijn geweest en plezier had in biljarten, kaarten en een goede maaltijd met een goed glas wijn in gezelschap van vrienden. Als moralist had hij trouwens wel enige overeenkomst met Rousseau, maar in tegenstelling tot deze optimist geloofde hij niet zo erg in de wezenlijke goedheid van de mens. Hij deed een prachtige uitspraak: 'Het kromme hout waarvan mensen zijn gemaakt, heeft nog nooit iets rechts voortgebracht'. Zoiets zou de bevlogen Rousseau nooit hebben bedacht. Toch is Kant in diverse opzichten een voorloper geweest van de stroming die bekend staat als het 'Duits idealisme', dat in de vroege negentiende eeuw de vigerende filosofie zou worden. De overeenkomst tussen Kant en latere Duitse filosofen is hun optimisme wat betreft de mogelijkheid van de mens om een betere, zij het niet volmaakte maatschappij te creëren. Als wetenschapsfilosoof bouwde Kant het baanbrekende werk van Hume verder uit. Zeer belangrijk in Duitsland was ook het duo Goethe en Schiller, dat zich als een stel hemelbestormers manifesteerde in de literatuur van het laatste kwart van de achttiende eeuw. Goethe was wel gecharmeerd van de Verlichtingsideologie, maar hechtte een grotere waarde aan God en was beducht voor een te hoog verwachtingspatroon wat betreft de mogelijkheid de natuur te leren kennen. Prijzenswaardig is zijn afkeer van nationalistische gevoelens, die hij als een teken van een achtergebleven ontwikkeling beschouwde. Ondanks zijn ernstige bedenkingen tegen de stroming was hij een grondlegger van de Romantiek, maar hij zag de gevaren van een al te romantische inslag heel scherp. Hij was een extreem gevoelig mens, die zichzelf slechts in bedwang hield dankzij zijn verbijsterende intellect en vanuit deze instelling rede én gevoel tot hun recht wilde laten komen. Zijn vriend Schiller was een aanhanger van Kant, maar in zijn esthetiek nam hij een andere route. Voor hem was de schoonheid belangrijker dan voor Kant, die zich meer op de ethiek en de kennisleer richtte. Dit verschil is begrijpelijk: de een was vooral kunstenaar, de ander vooral wetenschapper en filosoof. Ook Schiller kan gezien worden als een grondlegger van de Romantiek, misschien nog wel meer dan Goethe. Schiller en Goethe bewonderden elkaar zeer, wisselden brieven en hebben als auteurs veel met elkaar gemeen. Een in Nederland ten onrechte veronachtzaamde filosoof/natuurkundige was de atheïst Lichtenberg, een oprechte aanhanger van de Verlichting, die qua denkbeelden meer in Frankrijk dan in Duitsland thuishoorde. Hij was in veel opzichten Goethes tegenstrever en had zelfs tegenover de nuchtere Kant z'n bedenkingen. Over Goethes hyperromantische boek Die Leiden des jungen Werthers, dat als een bom insloeg en voor meer dan één overspannen jongeling een reden was de hand aan zichzelf te slaan, schreef de sarcastische Lichtenberg: 'Het beste deel van de roman vind ik het moment waarop die idioot zich voor het hoofd schiet'. Over de geestesgesteldheid van de jeugd van zijn tijd zei hij dat het 'fundamentloze opwinding' was. |
| Engeland |
| De Engelse literatuur in de jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw was (nog) niet zo interessant, maar in de filosofie valt al snel daarna de blik op de verrassend moderne Engelsman Paine. Hij verhuisde naar Amerika en werd daar redacteur van een progressief tijdschrift, dat zijn tijd ver vooruit was. Hij pleitte voor gelijke rechten voor vrouwen en mannen, voor vrijheid voor negers, voor zachtheid voor dieren en voor copyright. In 1776 publiceerde hij het boek Rights of Man, waarin hij een lans brak voor de introductie van sociale wetten en voor internationale ontwapening. Het boek was direct zeer populair. In 1793 werden er maar liefst 200.000 stuks van verkocht, voor die tijd een ongehoord aantal. Paine is vanwege zijn humanitaire en vooruitstrevende opvattingen tegenwoordig weer zeer in trek en in het volgende hoofdstuk kom ik nog op hem terug in het kader van zijn polemiek met de uiterst conservatieve Burke. |
| Frankrijk |
| Verbluffend is het oeuvre van de al vermelde Sade. Bij het lezen van zijn interessante, maar stilistisch slechte boeken krijgen veel mensen neigingen tot braken vanwege de onwaarschijnlijke smerigheid. Nimmer is hij als pornograaf overtroffen, vooral niet in zijn onvoltooide roman Les 120 journées de Sodom. Toch was hij niet geheel gespeend van een soort geweten. Integendeel, op veel pagina's uit hij zijn afgrijzen over het gedrag van de mens. Hij wilde iedereen met de neus op de gruwelijke feiten drukken en dat is hem zeker gelukt. Sade was een oprechte atheïst en materialist en in zijn visie op de politiek was hij progressief en revolutionair. Hij werd krankzinnig verklaard (niet geheel ten onrechte, gezien zijn ontstellende fantasieën) en dat heeft hem gered van de guillotine. Een hoop minder pervers, maar minstens zo decadent is Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos, misschien wel de beste roman over de nadagen van de Franse adel in de achttiende eeuw. Een nog steeds goed leesbaar boek, vol cynische, machtswellustige, onsympathieke mensen, die net zo lang doorgaan elkaar het leven zuur te maken tot er doden zijn gevallen. Les liaisons dangereuses gaat over 'de menselijke natuur in actie', zoals Freud eens zei, toen men hem vroeg waarom het voor de zoveelste keer oorlog was. Hij had gelijk, maar men wordt er niet vrolijker van. De toneelschrijver Beaumarchais ging wat minder rigoureus te werk dan Choderlos de Laclos. In 1784 bekritiseerde hij in zijn beroemde stuk Le mariage de Figaro het gedrag van de adel op een vrolijke, humoristische, maar niettemin vlijmscherpe manier. In Wenen werd het stuk verboden en het strekt Mozart tot eer dat hij zich toch waagde aan een opera over dit toneelwerk. Notabene: in Parijs mocht het stuk wél opgevoerd worden, weliswaar na enige strubbelingen, en het had daar veel succes. Napoleon meende dat de revolutie eigenlijk al was begonnen toen dit stuk in 1784 op de Parijse podia verscheen. Hierin had hij eigenlijk wel gelijk. |
| Wetenschappers |
| In Engeland ging het razendsnel met de industriële revolutie. Tussen 1795 en 1820 steeg de productie aan ruwijzer in dat land met het achtvoudige. Een mijlpaal mag wel de bouw van de eerste gietijzeren brug (overspanning 30 meter) worden genoemd: anno 1780. Er werd druk geëxperimenteerd met kolengestookte stoommachines (onder anderen door de Engelsman Watt), welke uitvinding in eerste instantie slechts geschikt was om als pomp in de mijnen te dienen, maar toen men rond 1780 een beter mechaniek ontwikkelde, begon de stoommachine zijn triomftocht. Een ware rage veroorzaakte de eerste luchtballon, die in 1783 voor het eerst een mens de lucht in tilde. De Engelsman Hargreaves fabriceerde een spinnewiel met meerdere spoelen, wat, in combinatie met de uitvinding van de schietspoel voor het weefgetouw, van de fabricage van textiel een huisindustrie maakte. Hij noemde zijn uitvinding Spinning Jenny, volgens sommigen omdat zijn vrouw of zijn dochter Jenny heette, volgens anderen omdat het een verbastering van engine zou zijn. Zijn uitvinding leidde tot protesten, omdat het bepaalde groeperingen handwerkslieden uit de markt werkte en zelfs was er een bevlogen persoonlijkheid met een werkelijk visionaire blik, die in de industrialisering een dreiging meende te zien. Hij was een roepende in de woestijn. Een uitvinding in deze periode die in ieder geval verkeerd zou kunnen worden genoemd, is die van een onderzeeër die een bom onder een aangemeerd schip kon leggen, anno 1777. Het was geen succes en de uitvinding bleef daarna voorlopig in de kast liggen. De tijd was er nog niet rijp voor en dat merkwaardige verschijnsel kan men gedurende de hele achttiende eeuw waarnemen. Een typerend voorbeeld: in 1711 reeds werd de eerste stoommachine gebouwd, maar pas rond 1750 werd het apparaat in Engeland op grote schaal gebruikt, terwijl dat op het continent nog steeds niet het geval was. Blijkbaar had men nog altijd niet in de gaten hoe belangrijk deze uitvinding was. Een andere belangrijke ontwikkeling was het voorstel een bepaalde afstand van de meridiaan van Parijs voortaan tot standaardmaat te verheffen en in 1801 werd de meter officieel geboren. Dankzij de poolexpedities van 1736 en 1774 ontdekte men dat de aarde een aan de polen iets afgeplatte bol is en in dezelfde periode werden de eerste nauwkeurige lange-afstandsmetingen verricht. Ondertussen gingen de wetenschappers onverdroten door met het ontdekken van fundamentele fysische wetten, want dat is de taak van wetenschappers. De Italiaan Volta gaf zijn naam aan de eenheid van electrische spanning en de Fransman Coulomb aan de eenheid van electrische lading. Ook in de scheikunde (de Engelsman Priestley en de Fransman Lavoisier, die onder de guillotine stierf, omdat, aldus zijn vijand Marat, de revolutie geen geleerden nodig had, zo wil tenminste het waarschijnlijk apocriefe verhaal), de astronomie (de in Engeland werkende Duitser Herschel) en de wiskunde (de Zwitser Euler en de Fransman Lagrange) waren de vorderingen indrukwekkend. De Oostenrijkse arts Auenbrugger ontdekte dat het mogelijk is door middel van het beluisteren en bekloppen van de diverse lichaamsholten veel betere diagnoses te stellen. Helaas begon men pas vijfenzeventig jaar later hiervan alle profijt te trekken, toen de artsen eindelijk op grote schaal de in 1819 door iemand anders (de Franse arts Laënnec) uitgevonden en in 1824 door een Schotse arts vervolmaakte stethoscoop gingen gebruiken. In Londen werkte de chirurg Hunter, die door hedendaagse deskundigen wordt beschouwd als één grootste chirurgen uit de geschiedenis, ondanks het feit dat hij geen narcose en geen antisepsis tot zijn beschikking had en, sterker nog, nimmer een school had bezocht. Toch leverde hij menige indrukkende prestatie, zowel in de toegepaste geneeskunde en tandheelkunde, als op fundamenteel biologisch gebied. In een Frans boek uit 1771 staat een treffende, waarschijnlijk helaas correcte observatie: 'Boeren zijn meestal erg dom, omdat zij zich uitsluitend voeden met grof voedsel'. Het voedsel op het platteland vertoonde inderdaad zeer ernstige gebreken wat betreft de toevoer van eiwitten en vitaminen. De weinig beroemd geworden, vrijwel nooit in encyclopedieën te vinden Engelse arts Lind, die ook de aanzet gaf tot het distilleren van drinkwater aan boord van schepen, kwam in 1747 op het heldere idee zeelieden aan te raden citroenen te eten of het sap ervan te drinken. Het resultaat was verbluffend: de sterfte aan scheurbuik daalde met 75%. Helaas begreep hij niet dat het niet om de zure smaak gaat, maar om het gehalte aan ascorbinezuur (vitamine C). Bij gebrek aan verse citroenen gaf hij zijn patiënten soms iets anders zuurs, zoals azijn, wijnsteenzuur of zelfs verdund zwavelzuur en dat hielp dus niet, zodat hij het vertrouwen in zijn vinding verloor. Ook niet erg nuttig was de uitvinding in 1781 (door juwelier Schweppe) van koolzuurhoudend drinkwater, hoewel men dat abusievelijk toen wel dacht. Hij is weliswaar geen Europeaan, maar toch mag de veelzijdige Amerikaan Franklin in dit overzicht niet ontbreken, omdat hij voortdurend met progressieve geesten in Europa correspondeerde en Parijs en Londen bezocht, alwaar hij onmiddellijk van zich deed spreken, zowel vanwege zijn bliksemafleider als zijn visie op de politiek. Hoe modern en hoe Amerikaans avant la lettre deze man was, blijkt wel uit zijn lijfspreuk: Time is money. Een geheel nieuwe wetenschap zag in deze periode het daglicht: de economie. In Frankrijk werkte Condorcet, één der zogenaamde fysiocraten, een school die van mening was dat overheidsinmenging in de handel zou moeten worden beperkt en de belastingwetgeving vereenvoudigd. Deze eerste aanzet tot liberalisme werd in Engeland verder uitgewerkt door Smith (An Inquiry into the Nature and Cause of the Wealth of Nations, gepubliceerd in 1776), die alle heil verwachtte van de volledig vrije markt met zo weinig mogelijk bemoeienis van de staat, die zich zou moeten beperken tot de bescherming van de burgers en hun eigendommen. Toch had hij wel degelijk een goed oog voor de problemen van de minder getalenteerden, de zieken en de arbeidsongeschikten. Hij meende dat er enige regelingen nodig zouden moeten zijn om de onderlaag van de bevolking niet van honger te laten sterven, want hij dacht dat geen enkele maatschappij gelukkig zou kunnen zijn als een groot gedeelte van de bevolking echt arm zou zijn. Smith wordt wel eens de uitvinder van het klassieke liberalisme genoemd, een stelsel dat nooit in werking is geweest, maar dat wel het uitgangspunt vormde voor het latere liberalisme. In Duitsland was Goethe helaas geheel idolaat van de Zwitser Lavater, die de wetenschap van de 'gelaatskunde' beoefende. Terecht bestaat die 'kunde' tegenwoordig niet meer. Lavater meende dat aan het uiterlijk exact is te zien hoe het innerlijk is, niet alleen van mensen, maar ook van dieren. Dit deed hem hilarische stellingen poneren. Hij meende bijvoorbeeld dat kamelen 'slap' zijn, want tussen de ogen en de neus zijn geen 'tekenen' van moed en durf te vinden. Ik vind het onbegrijpelijk dat een man als Goethe hierin trapte. Zelfs Kant correspondeerde met Lavater, maar hij schijnt gelukkig geen volgeling te zijn geweest. |
| Beeldende kunstenaars |
| Bij de originele Engelse schilder, dichter en schrijver Blake betreden we een duister gebied, dat weinig te maken heeft met het gezonde verstand van de Verlichtingsfilosofen. Bij Blake kan men spreken van pure mystiek, op welhaast middeleeuwse wijze. Hij illustreerde zijn eigen boeken met indrukwekkende, vaak griezelige tekeningen, die uitgesproken zwart-romantisch en toch merkwaardig modern zijn. Blake was zijn tijd onmiskenbaar ver vooruit, maar op zijn techniek valt wel het een en ander aan te merken, aldus de deskundigen. Ze zijn het er wel over eens dat hij als dichter beter was dan als schilder/tekenaar. In zijn boeken is menige aanwijzing te vinden dat hij als één der eersten in de Westerse cultuur begon te beseffen dat er zoiets bestaat als een 'onbewuste'. Ook bij enkele Duitsers rond 1800 zijn zulke aanwijzingen te vinden en ik kom daarop nog terug. De Spaanse schilder Goya heeft enige overeenkomst met Blake. Hevige emoties zijn te vinden op zijn even aangrijpende als prachtige schilderijen. Sommigen daarvan zijn een aanklacht tegen de oorlog in het algemeen en de Napoleontische in het bijzonder, zo bloedstollend zijn de erop afgebeelde taferelen. Goya werd zeer oud en zijn eerste schilderijen zijn pure Rococo (en mijns inziens weinig interessant), zijn laatste bijna Impressionisme (en buitengewoon indrukwekkend). Eigenlijk zou hij in alle in dit boek besproken tijdvakken kunnen worden ingedeeld en mijn keuze om hem hier te plaatsen, is dan ook uiterst arbitrair. Goya deelde met Beethoven het noodlot doof te worden, voor een schilder uiteraard wel te overleven, maar niettemin natuurlijk toch heel akelig. Kunsthistorici vergelijken hem trouwens wel eens met Beethoven. Ze menen een mentale overeenkomst te zien tussen beide kunstenaars en daarin hebben ze misschien wel gelijk. Ik, vrij ongevoelig dus voor de beeldende kunst, maar des te gevoeliger voor Beethovens muziek, heb in ieder geval een grote voorkeur voor Goya. Ik vind hem één der beste schilders die de wereld ooit heeft gezien. Bovendien was hij een boeiende persoonlijkheid, een man met karakter, een Spanjaard op z'n best: moedig, trots, onafhankelijk en temperamentvol. |
| BEETHOVENS JEUGD | ||||
| IV.2 Biografie | ||||
|
Het huwelijk van Beethovens ouders |
||||
In 1767 vond de jonge Bonner tenor/hofmusicus Johann van Beethoven het tijd worden om te trouwen en zijn keuze viel op Maria Magdalena Keverich, weduwe Leym. Maar vader Louis vond dat maar niets. Toen Mozart wilde trouwen, schreef hij zijn vader een brief waarin hij hem erop wees dat de 'natuur' in hem net zo luid sprak als in een 'grote, dikke kerel' (Mozart was klein en tenger). Het mocht niet baten, vader Leopold was tegen, want hij vond de vrouw in kwestie niet veel zaaks. Zoiets overkwam ook Johann van Beethoven. Louis was tegen, maar waarom is niet duidelijk. Had hij geen vertrouwen in zijn zoon als huisvader? Vaak kan men lezen dat Maria Magdalena als kamermeisje had gewerkt en dat Louis dit beroep beneden zijn stand vond. Dat klopt niet. Beethovens moeder heeft dit nederige beroep nooit uitgeoefend. Waarschijnlijk was ze als jong meisje bij een adellijke familie ondergebracht ter voltooiïng van haar opvoeding en had ze aldaar haar eerste man leren kennen. De deskundigen zijn het nog wel eens oneens over de achtergronden van Louis' verzet tegen het huwelijk van zijn zoon. Degenen die hem, een krachtige, ambitieuze persoonlijkheid, wel mogen, bestrijden met kracht degenen die hem verdenken van minder fraaie motieven. Het is niet onmogelijk dat 's mans weerzin tegen Maria Magdalena (mede) te maken had met het verstoren van zijn levensstijl. Na de opname van zijn drankzuchtige echtgenote in een klooster zocht Louis geen nieuwe vrouw, maar trok hij zich terug in zijn werk als Kapellmeister en zijn prachtig ingerichte huis. Emotioneel focuseerde hij zich totaal op zijn zoon, het huishouden overlatend aan personeel. Het was een redelijk prettig leven gebleken en nu kwam een vrouw dat verstoren! Men zou zich kunnen voorstellen dat hij dat helemaal niet leuk vond. Echter, zijn verzet was in dit geval wel erg egoïstisch. Hoe dan ook, we weten niet precies wat de achtergronden van Louis' aversie waren en ik vrees dat we het ook nooit zullen weten. Hoe zagen Beethovens ouders eruit? Dat weten we niet. Lange tijd werden de hierboven afgebeelde portretten toegeschreven aan zijn vader en zijn moeder, maar inmiddels lijkt men daar geheel van te zijn teruggekomen. Er is in feite dan ook geen enkel bewijs voor. Maria Magdalena zou een aantrekkelijke, slanke, gracieuze vrouw zijn geweest, aldus haar tijdgenoten. Toen men in de jaren dertig meende haar graf te hebben teruggevonden op een klein kerkhof bij Bonn, besloot men een kijkje te nemen in de kist en daaruit trok men allerlei conclusies over haar uiterlijk, bijvoorbeeld dat ze eigenlijk grof gebouwd moet zijn geweest en voorzien van een stevige kop gelijk haar oudste zoon. Enkele jaren geleden heeft nieuw onderzoek door Raab aangetoond dat de vrouw in dat graf onmogelijk Beethovens moeder kan zijn geweest (het lichaam was dat van een oude vrouw, terwijl Maria Magdalena amper veertig was toen ze stierf), zodat we nog steeds maar weinig weten over haar uiterlijk. Vroeger nam men aan dat het hierboven afgebeelde portret kort voor haar dood zou zijn gemaakt. Men kan dan toch nauwelijks geloven dat ze in haar jeugd aantrekkelijk zou zijn geweest. Ze ziet eruit als een afgeleefde vrouw van tachtig. Waarschijnlijk is het inderdaad geen portret van Maria Magdalena, maar van een andere vrouw, misschien een familielid, en dat zou ook het geval kunnen zijn met het portret van de knorrig uitziende man die Beethovens vader zou moeten zijn geweest. Men bedenke voorts dat het erg onwaarschijnlijk is dat Beethoven een portret van zijn teerbeminde moeder in Bonn zou hebben gelaten. Enige jaren na zijn aankomst in Wenen liet hij het portret van zijn grootvader opsturen. Maar voor zover we weten deed hij geen enkele poging de hierboven afgebeelde portretten in zijn bezit te krijgen en zoiets geeft toch te denken. Dit alles neemt niet weg dat Maria Magdalena reden genoeg had om er tobberig uit te zien. Ze had een heel moeilijk leven. Ze was nog maar 21 jaar toen ze, ondanks Louis' protesten, met Johann trouwde. Toch was ze al weduwe. Bovendien had ze haar jonge zoontje aan de dood verloren. Het is goed voorstelbaar dat men vond dat ze 'melancholiek' keek. Ondanks de strubbelingen rond het huwelijk, verhuisde vader/schoonvader Louis naar een woning pal tegenover die van de jonggehuwden. Toen greep er iets merkwaardigs plaats. Louis lijkt radicaal van mening te zijn veranderd. Het lijkt erop dat Maria Magdalena kans zag haar schoonvader in te palmen, terwijl haar echtgenoot haar erg teleurstelde. Beethovens jeugdvrienden vertelden later dat Maria Magdalena haar zoon veel vertelde over zijn overleden grootvader en dat het kind deze verhalen trots doorvertelde aan zijn vriendjes. Zoiets doet vermoeden dat schoonvader en schoondochter alsnog goede maatjes waren geworden. De arme Johann was de verliezer. Toch deed hij z'n best. Hij droeg zijn hele salaris aan zijn vrouw af en nam genoegen met wat zakgeld, dat hij echter volledig omzette in drank. De keurvorst had geen hoge dunk van hem en het schoot niet op met Johanns carrière. Toen zijn vader in 1773 overleed, solliciteerde hij naar Louis' functie, maar hij kreeg hem niet. Het lijkt er veel op dat Louis en Maria Magdalena slechts minachting voor hun man en zoon hadden en Johann lijkt voorzien te zijn geweest van een groot talent voor vluchtgedrag, helaas voornamelijk in de alcohol. Maria Magdalena werd depressief en verbitterd. Ze noemde haar huwelijk een 'ketting van zorgen', vond dat ze nog nooit een gelukkige, getrouwde vrouw had ontmoet, waarschuwde haar vrouwelijke kennissen voor het verschijnsel 'huwelijk' en meende dat men diende te huilen bij de geboorte van een meisje, aldus de mededelingen van Frau Fischer. |
Hiernaast
ziet men een schilderij dat geacht wordt ons het gezicht te
laten zien van het kind Beethoven. De
schilder is helaas onbekend, het schilderij bevindt zich in Wenen in een
museum aldaar. Er
is veel twijfel over dit portret. Sommige onderzoekers nemen het
serieus, anderen denken dat het helemaal niets met Beethoven te
maken heeft, weer anderen denken dat het wel Beethoven moet
voorstellen, maar dat het dateert uit de negentiende eeuw, omdat de kleding
niet zou kloppen. Het portret werd aangetroffen in een erfenis van
de familie Zmeskall en achterop staat dat het de dertienjarige Beethoven
betreft. Ook zijn er deskundigen die denken het weliswaar inderdaad
Beethoven is, maar dat de leeftijd niet klopt. Hij zou twee jaar ouder
zijn. Naar moderne maatstaven ziet hij dan erg kinderlijk uit, maar het
is een feit dat in de achttiende eeuw pubers veel langer kind bleven dan
nu, vooral als gevolg van andere, meestal slechtere voeding. Het was
voor jongens niet abnormaal pas rond de zeventien de baard in de keel te
krijgen en voor meisjes niet abnormaal pas rond de zestien te beginnen
met menstrueren. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Het kind Beethoven |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In 1769 werd het eerste kind
van Johann van Beethoven en Maria Magdalena Keverich geboren. Ludwig Maria
leefde slechts enkele dagen. Toen het jaar daarop een tweede zoon werd
geboren, zeer
waarschijnlijk op 16 december (een zondag overigens, wat goed zou
verklaren waarom hij niet direct werd gedoopt, zoals de gewoonte was onder
katholieken, maar pas de volgende dag), noemden ze het weer Ludwig, dit keer zonder
Maria. Waarom? Was het een 'vervangkind'? In
ieder geval had het verregaande consequenties. Beethoven
accepteerde in later jaren zijn geboortebewijs niet,
omdat hij veronderstelde dat het het verkeerde bewijs
was, namelijk dat van zijn jonggestorven broertje. Aan deze misvatting
zou kunnen hebben bijgedragen dat op het doopbewijs in kwestie de naam
van zijn moeder staat vermeld als 'Helena'.0
Tot Beethovens levenslange verwarring over zijn geboortejaar droeg ook
het feit bij dat zijn vader, toen die zijn talentvolle zoontje als
wonderkind trachtte te lanceren, hem als zesjarige aankondigde, terwijl
het kind enkele maanden eerder zijn zevende verjaardag had gevierd.
Volgens de psychoanalytisch georiënteerde biograaf Solomon
heeft dit mede geleid tot een fantasie bij de componist,
waarin deze dacht een andere vader te hebben, een betere,
een adellijke, die natuurlijk niet eerlijk kon zijn over
het kind van de liefde dat hij verwekt zou hebben bij een
eenvoudige, gehuwde burgervrouw. Sluitstuk in deze hypothese
is een verhaal dat de ronde deed, waarin verteld werd dat
Beethoven eigenlijk de onwettige zoon zou zijn van de
Pruisische koning, Friedrich
Wilhelm II von Hohenzollern, opvolger van de
'grote' Friedrich. We zullen natuurlijk nooit
zeker weten of Beethoven een dergelijke fantasie heeft
gehad. Hij zou behept moeten zijn geweest met een stevige
vaderhaat. Ongetwijfeld had hij daar wel enige reden toe,
maar dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat hij Johann
inderdaad heeft gehaat. Zo schreef hij op een partituur
van een lied, dat kennelijk Johanns voorkeur had gehad en
door hem werd gekopieerd, de opmerking von meinen
theuren Vater geschrieben en dat wijst toch
echt niet op haat. Verdedigers van Johann en zijn
veronderstelde bedrog menen dat de man zich doodgewoon
had vergist in de leeftijd van zijn kind en ze wijzen
erop dat het in de achttiende eeuw in katholieke kringen
heel gebruikelijk was geen aandacht te besteden aan
verjaardagen, want men placht uitsluitend naamdagen te
vieren. Maar het lijkt toch wat onwaarschijnlijk dat een
vader die zo trots is op zijn geniale zoontje, diens
leeftijd niet zou weten. Bovendien hebben we een lijst
met de namen van alle musici in dienst van de keurvorst,
samengesteld in 1784, en daarop prijkt Ludwigs naam,
voorzien van de juiste leeftijd, namelijk dertien jaar.
Dat kan de secretaris van de keurvorst toch alleen maar
van het kind zelf of van zijn vader hebben vernomen. Op
het eerste gezicht aannemelijker lijkt een ander, ook
door Johanns verdedigers gesuggereerd model: Ludwigs
debuut was op 26 maart 1778 en Johann, die een hele tijd
bezig was geweest dit optreden te realiseren, had de
aankondiging nog vóór 16 december 1777 opgesteld. Toen
een en ander moest worden uitgesteld, vergat hij de
leeftijd te corrigeren. Aardig bedacht, maar ook deze
hypothese gaat bij nader inzien de mist in, want ook op
aankondigingen van latere optredens wordt van Ludwigs
leeftijd consequent een jaar afgetrokken.
Weliswaar ging
het hier niet om door Johann opgestelde documenten, maar
-onder anderen- door Ludwigs latere leermeester Neefe (zie de afbeelding
hiernaast).
Wederom geldt: van wie anders dan van Johann of Ludwig
zelf kan Neefe vernomen hebben hoe oud zijn leerling was?
Pas in 1783, toen Ludwig met zijn moeder een reisje naar
Nederland maakte, duikt op de loonlijst de correcte
leeftijd op: twaalf jaar. Kennelijk wist de moeder heel
goed hoe oud haar oudste was. Een sterk bewijs ten nadele van Johann is
het feit dat bij het eerste optreden van zijn zoontje ook een jonge
leerlinge van hem haar debuut maakte en hij vermeldde haar op het
affiche als Hofaltistin, terwijl ze pas jaren later in dienst zou
treden van het hof. Een beetje bedrog lag hem kennelijk wel. Overigens verkeerde
hij hiermee in goed gezelschap, want Leopold Mozart deed precies
hetzelfde toen hij de kleine Wolfgang langs de
vorstenhoven van Europa sleepte.
Het kind Ludwig van Beethoven was zeer ernstig, zelfs wat somber, aldus diverse
tijdgenoten. Hij had nauwelijks vriendjes en over zijn
schoolresultaten zei een klasgenoot later dat Ludwig
'niets' leek op te steken van de lessen. Een
andere getuige meldde dat het kind het liefste alleen
thuis op zolder zat 'na te denken'.
Ongetwijfeld was de situatie in zijn ouderlijk huis
allesbehalve optimaal en ik vrees dat we daarin de
wortels moeten zoeken van zijn latere soms zo onsociale, soms
zelfs misantropische gedrag. Zijn jeugd was niet prettig
en daaraan waren zijn beide ouders schuldig, maar vooral
zijn vader. Johann was niet slecht, maar lui, nonchalant,
slordig en aan de drank. Bovendien
was hij driftig en ongeduldig. Dat brak Ludwig op toen
zijn bijzondere muzikaliteit zich manifesteerde. Johann
wilde maar wat graag in de voetsporen treden van Leopold
Mozart. Maar daar had hij de capaciteiten helemaal niet
voor. Volgens tijdgenoten die Beethoven als kind hadden meegemaakt (Mäurer,
Krupp, Baden en Noisten), gebeurde het geregeld dat als Johann
midden in de nacht allesbehalve nuchter thuis kwam in
gezelschap van een stel kroegmaten, deze personen per se moesten horen hoe
goed de kleine Ludwig wel niet piano speelde. Het
slaapdronken kind werd uit bed gehaald en gedwongen te spelen,
braaf volgens een voorgelegde partituur. Bij weigering
volgde straf. Fantaseren of
zelf componeren mocht de jongen niet, terwijl hij
daarnaar hunkerde. Niet alleen sloeg Johann zijn zoontje, ook sloot hij
hem op in de kelder als hij niet gehoorzaamde. De belangrijkste getuige voor Beethovens jeugdjaren,
bakker Fischer, schrijft hierover echter niets. Hield Fischer iets onder de tafel? Noist
beweerde dat Johann
zijn zoontje 'heel ernstig had mishandeld' en
dat zou, aldus deze amateur-psycholoog, de oorzaak zijn
geweest van het feit dat Beethoven zo'n 'bijzonder'
mens was geweest.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De puber Beethoven |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Twee
broertjes kreeg Ludwig: Caspar Anton
Carl, vier jaar jonger dan hij, en
Nikolaus Johann, zes jaar
jonger. Alleen van de jongste broer hebben we een portret op
middelbare leeftijd, zie hiernaast. Over beiden als kind is nauwelijks iets
bekend, behalve dat de jongste met Nikola werd
aangesproken en de oudste met Caspar. Er werden
nog drie andere kinderen geboren: twee meisjes, Anna
Maria Franciska (1779) en Maria Magdalena Josepha (1786)
en een jongen, Franz Georg (1781). Allen stierven jong (respectievelijk
vier dagen oud, anderhalf jaar en twee jaar oud), de jongste,
Maria Magdalena Josepha, enkele maanden na haar
ongelukkige moeder. Over de relatie in Bonn tussen Ludwig
en zijn broers weten we helaas niet veel, wat een
correcte beoordeling van de thuissituatie tot een
speculatieve onderneming maakt. Eén van Ludwigs vroege
optredens mag hier niet onvermeld blijven en ik
schreef er al over: dat in 1783 in
Nederland, ten paleize van de Oranjes in Den Haag,
mogelijk gevolgd door een tweede elders in het land. Hij
maakte de reis in gezelschap van zijn moeder en terug in
Bonn zei hij dat hij nooit meer naar Nederland zou gaan,
want 'de Hollanders zijn duitendieven'.
Jarenlang slikte ik dit voor zoete koek en zelfs voelde
ik mij enigszins gegeneerd. Totdat ik bij een tentoonstelling in
Amsterdam de afrekening van
het muziekavondje bij de Oranjes onder ogen kreeg.
Bovenaan staat Louis van Beethoven, die van de 143 te verdelen
guldens er maar
liefst 61 ontving. Daaronder staat een lijst
andere musici, meestal volwassenen, die allemaal met zeer veel minder genoegen moesten nemen. Men zou zo zeggen dat
het jongmens toch niet te klagen had!
Rond zijn tiende verjaardag was een nieuw en heel belangrijk persoon in Ludwigs leven verschenen: de reeds genoemde organist Christian Gottlieb Neefe, die, ondanks het feit dat hij protestant was, bij de streng-katholieke keurvorst in dienst trad. Hij was een begenadigd muziekleraar en dankzij hem maakte Ludwig kennis met componisten als Bach, wiens Wohltemperiertes Klavier hij ijverig bestudeerde. Na vader Johann was Neefe zeker niet Ludwigs eerste leraar, maar hij was wel de belangrijkste (namen van andere leraren zijn Van den Eeden, Pfeifer en Rovantini). Behalve orgelspelen en contrapunt leerde Neefe de onsociale jongen wat meer zelfdiscipline en sociale vaardigheid en hij werd een voorbeeld voor hem, zoals blijkt uit een roerende brief uit later jaren, waarin de naar Wenen verhuisde Beethoven zijn oude leraar zijn dank betuigt voor alles wat hij van hem had geleerd. In 1782 zag Neefe kans Ludwig een onbezoldigde aanstelling bij de keurvorst te verschaffen, welke aanstelling in 1784 werd gewijzigd in een betaalde (150 florijnen), die door de dood van de keurvorst pas een jaar later geëffectueerd werd en ten koste ging van Neefes eigen salaris. Neefe komt verbluffend altruïstisch over, maar daar klopt weinig van, want met die halvering van zijn salaris was Neefe niet bepaald gelukkig. Hij moest een tweede baan zoeken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Het lijkt erop dat aan de lessen een einde kwam en dat geeft te denken over een mogelijke verslechtering van de relatie tussen leraar en leerling. Dat neemt niet weg dat Neefe wel geloofd en geprezen mag worden voor alles wat hij voor het jonge genie heeft gedaan. Naar school ging Ludwig niet meer. Waarschijnlijk in 1777 (een jaar eerder of later kan niet worden uitgesloten) bezocht hij voor het eerst een school en na 1781 heeft hij nauwelijks meer onderwijs gehad. Jeugdvriend en meestal betrouwbare getuige Wegeler wijst er in zijn memoires op dat het onderwijs in de gewone schoolvakken dat zijn geniale vriendje ontving, zeer werd verwaarloosd, omdat vader Johann er de voorkeur aan gaf zoveel mogelijk tijd aan de muziek te besteden. De gevolgen van deze verwaarlozing heeft Beethoven later uitvoerig mogen betreuren, want hij kon nauwelijks rekenen, wist heel weinig van vreemde talen, aardrijkskunde en geschiedenis en beheerste zelfs zijn moedertaal zeer slecht. Tenminste één tijdgenoot (Mäurer) beweerde later dat de negenjarige Ludwig gedurende een jaar privéles kreeg in Latijn, Italiaans, Frans en wiskunde en in zes weken Cicero zou hebben gelezen! Thayer, zijn belangrijkste biograaf vermeldt dit verhaal met gerechtvaardigd ongeloof. Wel is het duidelijk dat Beethoven een zeer intelligente man was, die helaas het slachtoffer werd van een miserabele opvoeding. Zijn brieven, hoewel gesteld in zeer slecht Duits, zijn scherp. Hij wist zijn omgeving goed te bespelen en hij had een indrukwekkend gevoel voor humor. Hoewel het gemakkelijk genoeg is weer met de beschuldigende vinger naar Johann te wijzen, denk ik toch dat de oorzaak van dat gebrekkige basisonderwijs ook bij het kind Ludwig zelf heeft gelegen. Hij zal weinig interesse hebben gehad in schoolse kennis. Hij had zijn hoofd bij de muziek en inderdaad, er was niemand die hem dwong zijn huiswerk te maken. Vanaf 1785 kreeg hij altvioolles en later in Wenen
probeerde hij korte tijd de viool, maar hij heeft nooit
grote prestaties geleverd op deze instrumenten. Hij was
en bleef een 'toetsenist' in hart en nieren.
Toen hij dertien of veertien was, nam zijn vader hem wel eens mee op
korte 'concertreisjes' in de buurt. Er zijn twee adressen bekend in
plaatsen in de Eiffel, waar het duo zou hebben gelogeerd: eentje in
Ahrweiler, de tweede in Bad Neuenahr. Omstreeks dezelfde periode werd
Ludwig pianoleraar
bij de familie Breuning, waarschijnlijk dankzij de
bemoeienissen van de arme student Wegeler, vijf jaar
ouder dan hij en goed bevriend met de welgestelde
Breunings.1 Hélène Breuning was
een erudiete, wereldwijze weduwe, in het bezit van vier kinderen in de
puberteit. Ze engageerde Ludwig voor het geven van pianolessen aan haar
dochter en haar jongste zoon, beiden iets jonger dan hun leraar.
Sentimentele biografen met een hekel aan Johann en Maria Magdalena,
prijzen de Breunings altijd het graf in. 'Hier vond hij een nieuw
tehuis' en 'Eindelijk moederlijke zorg' en meer van dat soort kreten
worden dan geslaakt. Ik vind dat niet helemaal juist, maar ongetwijfeld
heeft Ludwig veel geleerd bij de Breunings, vooral wat betreft de omgang
met de medemens. We moeten echter niet overdrijven. Het gaat veel te ver
om te zeggen dat Johann en Maria Magdalena in alle opzichten faalden. Men zou kunnen
zeggen: het waren zeker geen slechte mensen en ze hadden het
hart op de juiste plaats, maar helaas waren ze te zwak,
te gekwetst en te ongelukkig om hun kinderen een behoorlijke opvoeding te geven.
De omgang met de kinderen Breuning
maakte Ludwig veel socialer en hij kreeg zowaar vrienden
en zelfs vriendinnen, waarbij vooral Eleonore Breuning
opvalt.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Beethovens eerste reis naar Wenen |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Het jaar 1787, toen hij
zestien was, mag wel een bijzonder jaar worden genoemd.
Vaak leest men dat hij op voorspraak van de muziekgekke
graaf Waldstein
van de keurvorst een toelage kreeg om naar Wenen te
reizen. De graaf kan echter met die toelage niets te
maken hebben gehad, omdat hij pas in Bonn arriveerde toen
Beethoven alweer terug was uit Wenen. Het doel van die
inderdaad door de keurvorst gefinancierde reis was
duidelijk genoeg: les nemen, misschien zelfs bij Mozart
en/of Haydn. Ik verbaas me er altijd weer over dat het
kind (want dat is een zestienjarige toch nog) deze lange,
gevaarlijke reis alleen maakte. De berichten over zijn belevenissen in
Wenen zijn erg tegenstrijdig, waarbij aangetekend moet
worden dat de beroemde uitspraak die Mozart gedaan zou
hebben over zijn jeugdige bezoeker ('Let op, hij zal
in de wereld van zich doen spreken') door niemand
minder dan Beethovens meest complete biograaf, Thayer, werd gedaan, overigens op gezag van een goede vriend van
Beethoven, die het echter slechts uit de tweede hand kan
hebben gehad. Niettemin werd de uitspraak ook geciteerd
door musicoloog en Mozart-biograaf Jahn die schreef dat
Mozart zich met vooruitziende blik zeer lovend over zijn
jonge collega zou hebben uitgelaten. Helaas, bewijzen
voor het beroemde verhaal ontbreken. Gewoonlijk wordt
zowel Thayer als Jahn terecht groot gezag toegekend, maar
in dit geval geven moderne deskundigen er de voorkeur aan
het verhaal niet serieus te nemen. Wel lijkt het erop dat
Beethoven Mozart heeft horen spelen, want hij zei later
dat hij Mozarts spel te staccato en te 'ouderwets'
had gevonden, in ieder geval volgens zijn latere vriend,
leerling en collega Czerny.
Daar tegenover staat dat zijn goede vriend, leerling
en collega Ries
beweerde dat hij weliswaar voor Mozart had gespeeld, maar
dat hij Mozart nooit had horen spelen. Dit is wel heel
erg met elkaar in tegenspraak! Bedroog Beethovens
geheugen hem een beetje? Of dat van Czerny en/of Ries? In de negentiende
eeuw werd gezegd dat Beethoven in 1786/7 drie maanden in Wenen zou zijn
geweest, terwijl er ook werd beweerd dat hij niet meer naar Bonn zou
zijn teruggekeerd. Dat laatste is in ieder geval onjuist, maar sinds
kort is duidelijk dat de eerste bewering hoogstwaarschijnlijk op
waarheid berust, in tegenstelling tot wat men gewoonlijk in moderne
boeken over Beethoven kan lezen. Enige decennia geleden leek uit
onderzoek te blijken dat hij niet langer dan twee weken in Wenen kan
zijn geweest, maar nieuw onderzoek door Habler (gepubliceerd in 2006 in
het Neues Musikwissenschaftliches Jahrbuch) toont aan dat
Beethoven beduidend langer in Wenen is geweest. In de meeste Europese landen moest men zich in die jaren bij aankomst in
een stad bij de politie melden en bij vertrek moest men zich opnieuw
melden. In de archieven van de gemeente München staat Beethovens naam
vermeld op
1 april 1787
en op 25 april staat hij er weer. En op 26 april staat hij vermeld in de
archieven van Augsburg, waar hij blijkbaar heen was gereisd vanuit
München. Abusievelijk trokken onderzoekers de conclusie dat de
eerste vermelding In de archieven in München de heenreis Bonn-Wenen betrof en de tweede de terugreis
Wenen-Bonn. Gegeven
het feit dat Beethoven nog van München naar Wenen moest reizen en vice versa,
lijkt dan de conclusie gerechtvaardigd dat hij niet meer dan twee weken in
Wenen kan zijn geweest. Maar dit blijkt een vergissing, want beide data
hebben betrekking op de terugreis. Habler kwam de fout op het spoor toen
hij Beethovens naam ontdekte in de archieven van Regensburg op 5
januari 1787. Vervolgens besteedde hij vele, vele maanden aan saai
archiefploeterwerk om te achterhalen hoe precies de postroutes liepen,
hoeveel tijd men deed over de diverse etappes en uiteraard of Beethoven
ergens in de betreffende archieven was te vinden. Het lukte hem
Beethovens reisroute te traceren. Uit dit tijdpad blijkt dat het oude verhaal dat
hij al in 1786 naar Wenen reisde en er enkele maanden verbleef,
correct is. Zijn aanwezigheid op 5 januari 1787 in Regensburg houdt
noodzakelijkerwijs in dat hij nog voor de jaarwisseling uit Bonn moet
zijn vertrokken. Habler komt tot de conclusie dat Beethoven vanaf ongeveer 14
januari in Wenen moet zijn geweest en de stad niet eerder
dan 28 maart zal hebben verlaten. Zijn onderzoek past trouwens naadloos
bij een publicatie van Raab uit 1999.
Gewoonlijk leest men dat Beethoven in Wenen bericht had ontvangen dat
het met zijn moeder heel erg slecht ging en dat hij daarom zo snel
weer terugreisde. Raab wees er in Bonner Beethoven-Studien
op dat de tekst van een brief die Beethoven enkele maanden na zijn
moeders dood schreef, doet vermoeden dat hij al op de terugreis was toen
hij uit een brief van zijn vader vernam dat ze erg ziek was, waarop hij
versneld terugreisde. Hablers tijdpad laat zien dat Beethoven vrijwel de
hele maand april in Beieren doorbracht, wat hij zeker
niet gedaan zou hebben als hij op dat moment al wist dat zijn moeder
ernstig ziek was. Op 1 april arriveerde hij in München. Op 24 april was hij in Regensburg, maar al de
volgende dag keerde hij terug naar München. De dag daarop reisde hij naar Augsburg
voor bezoeken aan pianobouwer Stein en advocaat Schaden, met wie hij op 1 april in München
kennis had gemaakt. Wat hij die ene dag in Regensburg te zoeken had, is
niet duidelijk. Habler speculeert dat hij kerkmuziek die daar op die dag
te horen zou zijn geweest, wilde beluisteren. Dat kan, maar daarover is
niets zeker. Hoe dan ook: tot de laatste week van april doet niets
in Beethovens handelwijze vermoeden dat hij haast had. Kreeg hij toen
pas die brandbrief uit Bonn, vast en zeker poste restante gestuurd, zoals toen de gewoonte was als men op reis
was? Het lijkt er veel op. Intrigerende vraag: waarom weten we zo weinig over
zijn toch ruim twee maanden durende verblijf in Wenen? Gegeven de onderzoeken van Raab en Habler is
wel te verwachten dat hij Mozart heeft ontmoet. Deze was vanaf 12 februari in Wenen
en bleef er
gedurende alle overige weken dat Beethoven er was. Weigerde Mozart hem als
leerling? Dat past natuurlijk helemaal niet bij dat fraaie verhaal over
Mozarts veronderstelde enthousiasme over zijn jonge bezoeker. Maar
waarom zou dat deel van de tot ons gekomen vroege getuigenissen niet
kloppen, terwijl de rest dus toch wel blijkt te kloppen? Kan het dan
toch op waarheid berusten? Waarom dan die stilte bij Beethoven over
dat verblijf in Wenen en mogelijke lessen bij Mozart? Raadselachtig. Habler doet er geen uitspraak over. Hij wijst erop dat
alleen nieuw onderzoek mogelijk licht op dit deel van het verhaal zou
kunnen werpen.
Bij thuiskomst vond de zestienjarige zijn moeder weliswaar nog in leven, maar niet voor lang. In juli 1787 stierf ze, slechts enkele maanden later gevolgd door haar jongste kind. Over de doodsoorzaak van dit dochtertje is niets bekend, maar sommige deskundigen denken dat ze door verwaarlozing en ondervoeding zou zijn gestorven, wat wel erg triest zou zijn, maar zeker niet onmogelijk in het ongeregelde mannenhuishouden van Johann van Beethoven en zijn drie zonen in de puberteit. De oudste zoon reageerde met wanhoop op de dood van zijn moeder. De keurvorst echter was woedend op hem omdat hij in Wenen 'slechts schulden' had gemaakt. Toch gaf hij hem de functie van Kurköllnischer Kammervirtuos. De eerste, hierboven al vermelde Beethoven-brief die bewaard is gebleven, dateert uit deze periode en het geschrift toont zijn intense verdriet om de dood van zijn moeder, waarbij niet moet worden vergeten dat hij de ontvanger geld verschuldigd was, zodat we niet kunnen uitsluiten dat hij er een schepje bovenop deed, speculerend op 's mans medelijden. Hij klaagt steen en been over zijn 'melancholie', die hij erger vindt dan zijn fysieke klachten (mogelijk de darmstoornissen, waar hij zijn hele leven last van heeft gehad). Zelfs als hij een tikje overdreef in die brief, dan nog weet ik niet met wie ik nu het meeste medelijden moet hebben: de arme puber, die altijd tekort was gekomen in zijn verlangen naar ouderlijke liefde, of de arme vrouw, wier leven had bestaan uit kommer en kwel. En dan hebben we nog stakker Johann. Het is duidelijk dat hij ondanks alles wel degelijk van zijn vrouw had gehouden en volledig op haar had gesteund. Na haar dood raakte hij compleet in de ban van de drank. Hij verloor iedere grip op het bestaan, slechts constante dronkenschap maakte het voor hem mogelijk om niet gek te worden of dood te gaan. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Beethovens laatste jaren in Bonn |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Bonn was een welvarende
stad in Beethovens tijd en werd door reizigers beschreven als mooier dan
het nabije Keulen. Het is
dan ook eigenlijk geen wonder dat in 1786 in Bonn een
universiteit werd gesticht (en helaas in 1802 alweer opgeheven).
Iedere enthousiaste jongeling met een beetje hersens en
opvoeding ging erheen. Met ingang van 1789 ook de jonge Beethoven,
ongetwijfeld verlangend de hiaten in zijn ontoereikende
schoolopleiding een tikje op te vullen. Gedeeltelijk
lukte dat wel, want hij stak wat Frans en Latijn op, maar
aan de exacte vakken besteedde hij blijkbaar weinig
aandacht, gezien zijn gebrekkige kennis op dit gebied.
Aan de universiteit doceerde ene Eulogius Schneider,
die helemaal idolaat was van de Franse revolutie,
uiteraard vanwege 'Vrijheid, Gelijkheid en
Broederschap'. Hij maakte lange hymnen op de
bestorming van de Bastille. Men kon op zijn
gedichtenbundel intekenen. Niet veel hadden het lef, maar
Beethoven, die zeer enthousiast was over de Franse
revolutie, zette zonder aarzelen zijn handtekening, als
dertiende op de lijst met 146 handtekeningen. De
autoriteiten waren uiteraard niet blij met deze professor
en zetten hun geheime politie op zijn spoor. Schier
ongelooflijk: Johann van Beethoven was één van de
'verklikkers', evenals trouwens de vader van
Clemens Wenzel Metternich,
de latere Oostenrijkse kanselier, rechterhand van de
keizer. Men vraagt zich af: praatte vader Beethoven
eigenlijk wel eens met zijn oudste zoon? Want het
gevreesde en gehate hoofd van die geheime politie was
zelfs de peetvader van Johanns tweede zoon. Toen die
politiecommissaris plotseling stierf, kon men de inwoners
van Bonn er slechts met moeite van weerhouden zijn
lijfarts een spontane, ovationele aubade te brengen. Met
professor Schneider liep het helaas verkeerd af. Hij werd
in 1791 uit Bonn uitgewezen, ging voor de Franse
revolutionairen werken, reisde met een draagbare
guillotine door de Elzas en liet menige inwoner
onthoofden, maar in het gruweljaar 1794 viel hij in
ongenade en dat kostte hem zelf het hoofd.
Ondanks
zijn enthousiasme voor Schneider (nog in 1819 schreef hij in een
conversatieboekje: Eulogius Schneider war ja auch in Bonn) zijn er eigenlijk geen bewijzen dat Beethoven zich erg voor de
Franse revolutie interesseerde. Was hij te druk met zichzelf en de
muziek?
Toch
lijkt hij wel veel bewondering te hebben gehad voor de
'gekroonde revolutionair' Joseph II en toen de keizer stierf, werd dat
voor hem aanleiding zijn eerste grote muziekstuk te componeren: de
Joseph-cantate. Ook belangrijk voor de geestelijke
vorming van het jonge genie was het Lesegesellschaft dat in 1787 Bonn werd opgericht. Leden (onder anderen): Reicha, Neefe,
Schneider, Ries senior en Waldstein. Men las en discussieerde over
literatuur, kunst, wetenschap, economie, politiek.
En dan hebben we nog de geheimzinnige Illuminati, een
gezelschap dat wel leek op de Vrijmetselaars. De 'verbetering van de
mensheid' was hun doel. Neefe, zowel Illuminaat als Vrijmetselaar,
publiceerde in het tijdschrift van Illuminaten, maar had niettemin een slechte naam bij zijn
sektegenoten. Men noemde hem een hautaine egoïst en een roddelzieke
intrigant. Uiteindelijk werd hij eruit gegooid omdat hij
te veel uit de school zou hebben geklapt. Het moet gezegd worden: Neefe
heeft veel weerstand ondervonden in Bonn vanwege het simpele feit dat
hij protestant was. Barre tijden toch wel, maar misschien was Neefe toch
niet zo sympathiek en altruistisch als hij gewoonlijk wordt voorgesteld.
In 1789 was het geduld van de keurvorst met Johann van Beethoven eindelijk op en hij stuurde hem de laan uit. Met moeite zag Johanns oudste zoon kans de helft van zijn vaders salaris voor het gezinsinkomen te behouden. Volgens een keurvorstelijk decreet zou Johann uit Bonn verwijderd moeten worden en, voorzien van de andere helft van zijn salaris, in een 'kuuroord' bij Keulen moeten worden ondergebracht. Maar dit schijnt niet te zijn uitgevoerd. Zijn amper achttienjarige zoon werd tot officieel gezinshoofd benoemd en de jongeman moest de zorg op zich nemen voor zijn jongere broers en mogelijk ook voor zijn constant dronken vader. Johann zwierf over straat, soms in gezelschap van een lege of halfvolle fles en de politie trachtte hem eens in te sluiten wegens openbare dronkenschap, maar het lukte de broers hun vader uit de cel te houden. Typerend voor de vernederende situatie is het sarcastische commentaar van zijn gewezen werkgever op Johanns dood in 1792. De keurvorst schreef in een brief dat de alcoholaccijns een 'gevoelig verlies' had geleden met Johanns dood. Twee bijzonder goede dingen overkwamen de jonge Beethoven in zijn laatste jaren in Bonn: in de herfst van 1791 een reis met het hele hof naar Bad Mergentheim, waar hij veel succes had als pianist en waaraan hij zijn leven lang de beste herinneringen bewaarde, en -veel belangrijker- het bezoek van Haydn in december 1790, misschien gevolgd door een tweede bezoek in juli 1792, waarover echter geen zekerheid bestaat. Haydn was in 1790 op doorreis naar Engeland en bracht het keurvorstelijk hof in Bonn een bezoek, waar hij kennismaakte met de 'meest capabele musici' van de keurvorst, aldus een publicatie in een krant. Heel vreemd is dat op de lijst van musici Beethoven niet staat vermeld als bijzonder capabel. Toch was Haydns enthousiasme blijkbaar groot genoeg om de composities van zijn jonge collega te bestuderen en het resultaat was een uitnodiging om naar Wenen te komen. Lange tijd heeft men gedacht dat het uitsluitend Haydns bedoeling was het jeugdige genie les te geven. Maar recente onderzoekingen doen vermoeden dat dit een vergissing was en dat Haydn, die nog een keer naar Londen wilde, Beethoven mee wilde nemen. Hij was geen bijzonder goede pianist en wilde wel een virtuoos als Beethoven bij zich in de buurt, uiteraard om zijn eigen composities zo mooi mogelijk te laten horen. Dit klinkt plausibel, maar de allernieuwste onderzoekingen lijken weer aan te tonen dat het wel degelijk ook Haydns bedoeling was Beethoven les te geven. De deskundigen zijn het hierover niet eens en ik kom op dit probleem nog terug. Ik stop hier bij het moment waarop Beethoven, voorzien van een toelage van de keurvorst, verkregen op voorspraak van zijn mecenas Waldstein, benevens een vriendschapsalbum waarin alle vrienden en vriendinnen hem veel succes wensten, in de postkoets stapte om naar Wenen te reizen: november 1792. Per boot reisde hij naar Koblenz, vervolgens over land naar Regensburg en verder naar Wenen weer per boot. De reis duurde verrassend kort: tien dagen. Onder de bijdragen in het vriendschapsalbum springen er drie in het oog: die van Waldstein, die zeer hoge verwachtingen had van zijn protégé ('door ononderbroken vlijt zult u uit Haydns handen Mozarts geest ontvangen'), die van de hierboven al genoemde hartsvriendin Lorchen Breuning, en die van Malchus, een jongeman met wie Beethoven blijkbaar innig bevriend was. Ronduit dweperig en sentimenteel is Malchus' tekst. Toch kwam aan hun vriendschap definitief een einde. Beethoven zou zijn geboortestad nooit terugzien. Zijn verkommerde vader en zijn broers bleven achter. Met de broers ging het wel goed, met de vader allerminst. Slechts drie weken na het vertrek van zijn oudste zoon stierf Johann van Beethoven en kwam er een einde aan een nutteloos leven. Hoewel, nutteloos? Aan hem en Maria Magdalena Keverich hebben we Beethovens bestaan op aarde te danken. Dat mag wel eens gememoreerd worden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Tot slot een overzicht van Beethovens oeuvre in deze periode (1782-1791) van zijn leven. Voor een bespreking van de genoemde composities raadplege men hoofdstuk IV.3.2.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
------------------------------------------------------------------------