| IV BEETHOVENS JEUGD | |
|
IV.3
De muziek IV.3.2 Beethovens oeuvre |
|
| Toelichting Degene die zich afvraagt waarom de namen van sommige componisten wel een hyperlink hebben meegekregen en die van anderen niet, (her)leze mijn opmerking bovenaan het vorige hoofdstuk over muziek: III.3.1. Degene die meer wil weten over mijn visie op Beethovens latere muziek, (her)leze de betreffende hoofdstukken: V.3, VI.3 en VII.3. Gegevens over de geraadpleegde auteurs treft men aan in de bibliografie, hoofdstuk X. |
|
| Stijlen en genres | De muzikale praktijk |
| Tussen ongeveer 1765 en 1785 werd dan die belangrijke generatie 'jonge honden' geboren, die de ommezwaai naar de Romantiek realiseerde en waaraan ik in het vorige hoofdstuk al refereerde. In de muziek was het Beethoven gegeven de rol van voortrekker op zich te nemen. Menig voorbeeld van deze invloedrijke 'generatie van '70' is te offreren. Ik noem een aantal van hen: Hölderlin, Hegel, Arnim, Brentano, de broers Schlegel, Hoffmann, Novalis, Kleist, Coleridge, Wordsworth, Humboldt, Dalton, Gauss, Grimm, Staël, Constable, Turner, Magendie, Bell en Ampère. Op vrijwel ieder gebied van kunst, wetenschap en cultuur deden ze van zich spreken. Jammer genoeg horen ook minder prettige types als Napoleon, Metternich en keizer Franz bij bovengenoemd illuster gezelschap. Niet allemaal hielden de dames en heren zich onschuldig bezig met de schone kunsten, de filosofie of de wetenschap! Maar imponerend waren ze in ieder geval, positief dan wel negatief, en men kan zonder overdrijving stellen dat toen de moderne Westerse mens werd geboren. Enerzijds is Beethoven de laatste grote componist van dat bijzondere hoogtepunt in de Westerse muziek dat de 'klassieke stijl' wordt genoemd, anderzijds wordt hij vaak gezien als de wegbereider bij uitstek voor de Romantiek. Het is erg moeilijk precies aan te geven wat dat wil zeggen: de Romantiek in de muziek. We stuiten daar op grote problemen, vergelijkbaar met de verwarrende begrippen 'klassieke muziek' en 'klassieke stijl'. Sommigen duiden alle muziek waarbij de emotie centraal staat aan met de term 'Romantiek'. Deze personen beschouwen een stuk pure Barok als Bachs Matthäuspassion als 'romantisch' en zelfs zijn er die er geen been in zien om sommige Middeleeuwse muziek tot 'romantisch' te bombarderen. Nu zou men een verschil kunnen aanbrengen tussen de begrippen 'romantische muziek' en 'muziek uit de Romantiek', met welk laatste begrip muziek uit een bepaalde tijdsperiode wordt bedoeld, terwijl bij het eerste begrip gesproken wordt over muziek met een bepaalde (emotionele) inhoud. Voor een dergelijk onderscheid is op het eerste gezicht wat te zeggen, maar het is niet zo makkelijk in de praktijk te brengen, vrees ik. Het is altijd gewaagd om één woord, of twee vrijwel gelijke woorden, voor twee verschillende begrippen te gebruiken. Ik kies ervoor de term 'romantische muziek' niet te gebruiken voor muziek die geschreven is vóór 1775, maar daarna wordt het arbitrair. De vraag 'Welke muziek hoort tot de Romantiek en hoe moeten we deze muziek omschrijven?' is des te lastiger omdat tegen het einde van de achttiende eeuw aan de muziek een steeds grotere waarde werd toegekend. Muziek kwam op een voetstuk te staan, met onder andere als argument dat deze kunstvorm beter dan andere kunstvormen in staat zou zijn door te dringen tot de 'kern der dingen', aldus Kant in een beschouwing over het wezen der muziek. Praktisch gesproken blijkt het bijna onmogelijk te zijn om een sluitende kunsthistorische indeling van de muziek rond 1800 te maken, die tegelijkertijd Beethovens verschillende stijlperioden volledig tot hun recht doet komen. Aan de grote problemen die hierbij optreden, zal ik nog menig woord moeten wijden (zie de hoofdstukken V.3.1, VI.3.1 en VII.3.1). | Een heikel punt is het tempo waarin de muziek uit dit tijdsgewricht moet worden uitgevoerd. Het lijkt er veel op dat Mozart en Beethoven van een hoger tempo hielden dan hun voorgangers en dat Schubert, de smaakmaker bij uitstek van de volgende generatie, deze visie onderschreef. In ieder geval schreef Mozart dat hij van alle aspecten van een muziekstuk het tempo het allerbelangrijkste vond als het gaat om een correcte uitvoering. Het is een feit dat de discussie hierover nog altijd voortduurt. Tegenwoordig wordt het werk van Mozart, Beethoven en Schubert meestal sneller uitgevoerd dan ruim een eeuw geleden, want in de tweede helft van de negentiende eeuw neigde men juist tot vertraging. Maar enkele decennia na de eeuwwisseling begon men de tempi weer wat sneller te nemen en dat gaat nog steeds onverdroten verder, hoewel er ook geregeld dissidente dirigenten toch de voorkeur blijken te geven aan de traagheid van de negentiende eeuw en hier en daar zelfs sprake is van een hernieuwde tendens tot vertraging. Kortom: verwarring is nog steeds troef. Men kan betwijfelen of de diverse reeds lang overleden componisten een erg traag, dan wel een erg vlot tempo zouden hebben gewaardeerd. Hadden ze niet liever de gulden middenweg bewandeld? Misschien. Hoe dan ook: het lijkt niet te verwachten dat de heren en dames musicologen, dirigenten en solisten het ooit helemaal eens zullen worden over de gewenste tempi. Ik kom op deze materie nog uitvoerig terug bij de bespreking van Beethovens achtste symfonie, omdat er op die plaats niet te ontkomen valt aan het probleem van zijn controversiële metronoomgetallen. Ik verwijs geïnteresseerden die alle details willen weten, alvast naar de bibliografie voor publicaties hierover (Seifert, Stadlen, Goldschmidt, Haupt, Howell, John, Kolisch en Metzger). Men is gewaarschuwd: het is in veel opzichten nog altijd een duistere materie en het is in ieder geval heel wat leeswerk. Alleen geschikt voor de echte 'liefhebber', zogezegd. Van de hierboven genoemde auteurs neemt Seifert misschien wel het radicaalste standpunt in. Hij schrijft dat uitvoerders die zich niet aan Beethovens opvallend snelle getallen houden, maar eens moeten verklaren waarom ze het lef hebben dat niet te doen. |
|
De ontwikkeling van de piano |
|
| In de tweede helft van de achttiende begon de fortepiano populair te worden, eerst vooral als instrument voor basso continuo, onder andere door de publicatie van Carl Philipp Emmanual Bach, geheten Versuch über die wahre Art Clavier zu spielen, daterend uit 1762. De eerste fortepiano met pedalen dateert uit 1779 en was van Duits fabrikaat (Silbermann, Stein). Maar ook in Engeland ( Broadwood) en Frankrijk (Erard) was men druk met pogingen de nog betrekkelijk jonge uitvinding te vervolmaken. De eerste piano met een zogeheten Weens mechaniek dateert uit 1787. Het is duidelijk: de concurrentie was groot en dat is altijd goed voor het product. In 1802 constateerde Heinrich Koch in zijn Musikalischen Lexikon dat het instrument das bekannte Lieblingsinstrument was. Omdat een piano veel ruimte inneemt, begon men de snaren verticaal te zetten met een fraaie kast eromheen, maar pas in 1825 vond men een methode uit om de snaren anders 'op te bergen', zodat de vorm van de moderne piano ontstond, geschikt voor de huiskamer. In de loop van de negentiende eeuw werd de klank van de piano steeds zwaarder en wolliger. Piano's die in de tweede helft van die eeuw werden gebouwd, klinken niet wezenlijk anders dan hedendaagse instrumenten, in ieder geval niet in de oren van leken als ik. De ontwikkeling van de fortepiano had overigens niet alleen een vergroting van de dynamiek tot gevolg, maar ook een heel andere manier van spelen. Het is bekend dat Mozarts aanslag nog zeer staccato was, passend bij het klavecimbel. Beethovens aanslag was veel meer legato, passend bij de fortepiano uit zijn tijd, en volgens Czerny zou Beethoven het gehackte und kurz abgestossene van Mozarts stijl niet hebben kunnen waarderen en bovendien zou hij het spel van zijn grote voorganger leer, zahm und altmodisch hebben genoemd. Merkwaardigerwijs was Mozart, zoals uit een brief blijkt, juist een voorstander van wat meer legatospel dan vroeger. Veel tijdgenoten, schrijft Czerny, verweten Beethoven dat zijn spel duidelijkheid miste als gevolg van zijn rijkelijk pedaalgebruik. Anderen daarentegen waren zeer enthousiast over deze nieuwe manier van spelen. Veel mensen realiseren zich niet dat Beethovens complete oeuvre voor piano geschreven is voor een fortepiano, niet voor een modern instrument. Uiteraard geldt dat ook voor componisten als Haydn, Mozart en Schubert. In de authentieke muziekbeoefening trekt men de consequenties: men bespeelt slechts fortepiano's, desnoods replica's. Nu zou men kunnen stellen dat Beethoven, indien hij een moderne piano had gehad, daar zeker de voorkeur aan zou hebben gegeven. Vast wel, maar hij had hem niet en hij schreef toch echt 'slechts' voor fortepiano's uit zijn tijd. Jarenlang speelde men zelfs Bach, die uitsluitend voor klavecimbel schreef, op een Steinway, maar gedurende enige decennia was dat not done. Inmiddels lijkt ook dit station weer gepasseerd en zelfs sommige fanatieke voorvechters van de authentieke muziekbeoefening halen hun neus niet meer op voor Bach op een Steinway. Ach, het is natuurlijk ook wel zo dat Bach zelfs op een draaiorgel nog mooi klinkt! Toch menen veel deskundigen dat voor Beethovens pianomuziek een modern instrument eigenlijk ongeschikt is. Tégen deze visie pleit het feit dat de fortepiano, in tegenstelling tot het veel langer bestaande klavecimbel, een instrument in ontwikkeling was. Bachs klavecimbel was globaal niet wezenlijk anders dan een modern exemplaar en een keuze voor Bach op een Steinway is te beschouwen als een soort arrangement. Een keuze voor Beethoven op een Steinway echter kan worden opgevat als een anachronisme. Cristofori's fortepiano was een prototype, de moderne piano het uiteindelijke resultaat, hoewel de uitvinder ongetwijfeld zeer verbaasd zou zijn als hij zou zien wat er met zijn uitvinding is gebeurd. In Duitstalige landen werden fortepiano's in de beginjaren Hammerklavier genoemd, welke naam door Beethoven vereeuwigd werd in zijn sonate opus 106. Hij speelde een tijdje taalzuiveraar en vertaalde ook termen als 'allegro' en 'largo'. Later vergat hij dit weer. | |
|
Beethoven en zijn piano's - eerste deel |
|
| In 1792 bracht een lid van de Engelse familie van pianobouwers Broadwood enkele veranderingen aan, waarover de jonge Beethoven zeer enthousiast schijnt te zijngeweest, ondanks het feit dat hij in Bonn op een Weense piano speelde en dat gebruik in Wenen zou voortzetten. In Bonn bespeelde hij een Stein, in Wenen een hele reeks piano's, die nog uitgebreid ter sprake zullen komen in de volgende hoofdstukken. Toch was hij vaak ontevreden over het instrument. Hij wilde dat het harder zou klinken, wat later in zijn leven ongetwijfeld met zijn doofheid te maken zal hebben gehad, maar er was meer. Een zorgvuldige studie van de feiten leert ons dat hij wezenlijke bezwaren had tegen de fortepiano, zoals hij die in Bonn had gebruikt. Ook deze bezwaren zullen in de volgende hoofdstukken worden besproken. Ondertussen vraagt men zich stiekem af wat Beethoven gezegd zou hebben over moderne zaken als electronische keyboards en synthesizers. Ik denk dat hij het wel zou hebben gewaardeerd. Niettemin was hij, ondanks al zijn gemopper, heel erg aan het instrument verknocht. Diep in zijn hart was hij op de eerste plaats een pianist en gegeven zijn enorme invloed op de Westerse muziek is het niet al te gewaagd te stellen dat de ontwikkeling van de piano verregaand door hem is beïnvloed. Wat dat betreft was hij een uitdaging voor alle pianobouwers van Europa. Boeiend zijn in dit verband de opmerkingen van de diverse pianobouwers in brieven en -later- de beroemde conversatieboekjes. De concurrentie om het hem naar de zin te maken was groot en men had er weinig moeite mee de pogingen van de concurrenten subiet naar de schroothoop te verwijzen. Achteraf bezien is duidelijk dat Beethovens doofheid een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de piano zoals wij die kennen. Men zou bijna gaan geloven in de voorzienigheid! Nu, men kan wel stellen dat hij uiteindelijk zijn zin heeft gekregen, maar of de klankkleur van de hedendaagse piano hem zou hebben bevallen? We weten het niet en we zullen het ook nooit weten. | |
| BEETHOVENS JEUGD |
| IV.3.2 Beethovens oeuvre |
| Toelichting Een * wordt gewoonlijk gevolgd door de datum van uitgave en de naam en plaats van de eerste uitgever, tenzij het een postume uitgave betreft. |
| 1782 | WoO.63. |
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) WoO.63 is het nummer van Beethovens eerste, bewaarde compositie, variaties over een thema van Dressler (*1783, Götz, Mannheim). Ze werden opgedragen aan een gravin, Antonie, geboren baronesse d'Assebourg, getrouwd met graaf von Wolf-Metternich. Ze zou na Beethovens vertrek naar Wenen geen rol meer spelen in Beethovens leven. |
Bespreking(en) Ik neem aan dat de elfjarige die opdracht niet zelf heeft bedacht, maar dat het een idee van zijn vader was, ongetwijfeld om financiële redenen. Intrigerende vraag waar ik het antwoord nog niet op heb gevonden: was de gravin op de een of andere manier aangetrouwde familie van de Oostenrijkse kanselier, de zo beroemde Clemens, ook afkomstig uit het Rijnland en van zeer goede familie? Men vraagt zich overigens af of Beethoven en Metternich elkaar in Bonn ooit hebben ontmoet. Helaas, er is niets over bekend. Het is natuurlijk best mogelijk dat de zeer intelligente Metternich zich later, toen hij stevig in het zadel zat in Wenen, nog uitstekend wist te herinneren hoe dat Beethoven als adolescent een aanhanger van de revolutie was geweest. Dat kan dan een goede reden zijn geweest voor de keizer en diens regering om zich niet in te willen laten met Beethovens muziek, ondanks enigszins hypocriete en opportunistische uitingen van patriottisme zoals Kriegslied der Österreicher, Germania, Die verbündeten Fürsten en Der glorreiche Augenblick. De variaties WoO.63 zijn overigens voor een twaalfjarige zeker niet slecht, zij het wat erg conventioneel. In zijn recente biografie wijst musicoloog Barry Cooper erop dat het thema min of meer als een treurmars is te beschouwen en vraagt zich af waarom een jonge puber een dergelijk thema zou kiezen voor het schrijven van variaties. Hij komt tot de conclusie dat het te maken zal hebben gehad met de dood van de musicus Rovantini, een uitstekende violist die bovendien was gelieerd aan de familie Beethoven. We weten wel zeker dat hij goed bevriend was met vader Johann en vaak met hem musiceerde. Rovantini was nog maar 24 toen hij stierf en Cooper veronderstelt dat dit diepe indruk op de jonge Beethoven moet hebben gemaakt. Ingenieus, maar waarom klinken die variaties dan zo vrolijk? |
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) WoO.47 (*1783, Bossler, Speyer) betreft de Kurfürstensonates die, niet verrassend, opgedragen werden aan keurvorst Maximlian Friedrich. |
Bespreking(en)
|
Bespreking(en)
|
| 1785 | WoO.36. |
| Bespreking(en) Interessant zijn deze pianokwartetten, drie stuks in totaal (*1828). Ze zijn sterk wisselend van kwaliteit, maar ronduit indrukwekkend is het snelle deel van het eerste kwartet: een intense, hartstochtelijke, heroïsche gevoelsuitbarsting. En dat voor een veertienjarige! Er klinkt duidelijk de volwassen man in door en dan niet die van de eerste periode, neen, die van ná 1803, schier ongelooflijk. De rest is wat braafjes, niet lelijk, maar de Beethoven die wij kennen, is er nog niet in te horen. Er is nog iets merkwaardigs aan de hand. Hoewel hij in 1783 behoorlijk veel componeerde, was dit in 1784/85 een stuk minder en dat lijkt ook het geval te zijn geweest met zijn productie in de daaropvolgende vier jaren. Medio 1787 stierf zijn door hem zeer beminde moeder. Dat zou het vrijwel ontbreken van composities in 87, 88 en 89 kunnen verklaren, maar niet de geringe inspiratie in 84, 85 en 86. Tobde hij met puberteitsperikelen? Volgens biograaf Pichler zou Beethoven begrepen hebben dat hij nog veel moest leren en legde hij de pen uit louter bescheidenheid een tijdje neer. Beethoven bescheiden?? Biograaf Solomon verklaart het ogenschijnlijke gat in de rij van composities op typisch psychoanalytische wijze en wijst op allerlei frustraties in het ouderlijk huis, waarin hij wel eens gelijk zou kunnen hebben. Biograaf/musicoloog Goldschmidt echter vindt dit een voorbarige conclusie en wijst in het vijfde essay van zijn fascinerende boek Die Erscheinung Beethoven op een brief van een oude bekende van Beethoven aan biograaf Thayer, door deze geciteerd in zijn fameuze biografie. De vriend schreef dat Beethoven menige compositie uit zijn Bonner tijd in de vlammen gegooid zou hebben. Dus toch bescheiden?? |
Bespreking(en)
|
| 1789 | Opus 39. |
|
Bespreking(en) Wat was de oogst van dit jaar? Twee preludes voor piano of orgel, vele jaren later uitgegeven (*1803, Hoffmeister, Leipzig). Vast en zeker zat Beethoven een tikje krap en probeerde hij oud werk aan de man te brengen, toen hij besloot ze met een officieel opusnummer uit te geven. Of steekt zijn broer Carl hierachter? Soms gaf hij stiekem achter Ludwigs rug om oud werk uit, uiteraard tot diens grote woede. Ik hoorde eenmaal de eerste prelude en dat is ruimschoots genoeg. Zelden hoorde ik zulke saaie muziek. Iedere inspiratie ontbreekt, het is alleen maar interessant voor organisten bij wijze van oefenstukje. |
| Opdracht(en) en opmerking(en) |
Bespreking(en)
De Josephcantata en Leopoldcantata (WoO.87 en 88,
*1888 en *1884) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Beide opdrachten waren postuum en gedaan door Beethovens erflaters. |
Bespreking(en) Het onvoltooide vioolconcert WoO.5 hoort volgens de Nederlandse onderzoeker Nieuwenhuizen bij de beroemde vioolromance in F. De romance zou het tweede deel van het concert zijn geweest. En vervolgens besloot Nieuwenhuizen het stuk te voltooien, zij het uiteraard slechts het eerste deel, want voor zover bekend heeft Beethoven nooit een noot op papier gezet voor het derde deel. Mijn kennismaking in februari 2008 met Nieuwenhuizens voltooiïng viel me niet mee. Van mij had hij het niet hoeven doen. Barry Cooper is het geheel oneens met Nieuwenhuizen. Hij denkt dat de vioolromance in G het langzame deel van dit vioolconcert had moeten worden. Nu ja, dat beide romances klinken als een langzaam deel van een concert zijn deze deskundigen kennelijk met elkaar (en met mij) eens.
Ritterballett
(WoO.1, *1888, première 6-3-1791) Het verdwenen hoboconcert (Hess 12) Ode an die Freude? (Hess 143) Overige composities
|