| V BEETHOVENS EERSTE STIJLPERIODE: 1792-1802 | |
|
V.3 De muziek V.3.2 Beethovens oeuvre |
|
|
Toelichting Degene die zich afvraagt waarom de namen van sommige componisten wel een hyperlink hebben meegekregen en die van anderen niet, (her)leze mijn opmerking bovenaan het eerste hoofdstuk over muziek: III.3.1. Degene die meer wil weten over mijn visie op de muziek die Beethoven in zijn jeugd schreef, (her)leze hoofdstuk IV.3. Degene die meer wil weten over mijn visie op Beethovens latere stijlen, (her)leze de hoofdstukken VI.3 en VII.3. Gegevens over de geraadpleegde auteurs treft men aan in de bibliografie, hoofdstuk X. |
|
| Beethovens "klassieke" stijl | Beethovens Neuer Weg |
| De indeling in stijlperioden van Beethovens muziek is niet meer weg te denken uit de handboeken. Musicoloog en Beethovenkenner Barry Cooper wijdt een paragraaf van zijn compendium aan dit feit en hij is er niet erg gecharmeerd van, maar hij schrijft berustend dat het nodig zal zijn in te delen, zolang in programmaboekjes en populaire stukjes geschreven wordt over Beethovens muzikale perioden, gewoonlijk drie in getal, waarbij strijk en zet de eerste periode als de 'klassieke' wordt aangeduid, de tweede (in navolging van Rolland) als de 'heroïsche' en de derde als de 'late'. Dit indelen is historisch gegroeid en dat is logisch. Iedereen hoort het verschil tussen de Beethoven van de eerste symfonie en die van de vijfde, laat staan die van de negende of de Grosse Fuge. Zoiets smeekt om een indeling. Volgens Beethovens eerste biograaf, de zo weinig betrouwbaren Schindler (te vinden in de bibliografie), meende de componist dat zijn tweede periode was begonnen in 1803. Ik vind dat daar weinig op valt af te dingen, ondanks het feit dat het via Schindler tot ons is gekomen. Met name de in dat jaar geschreven derde symfonie markeert de overgang, die zelfs voor een onmuzikaal mens goed te horen is. Symfonisch gezien loopt mijns inziens de lijn van de muziekhistorie van Haydn door naar Beethoven, enigszins om Mozart heen. Qua (piano)concerten loopt de lijn van Mozart naar Beethoven, min of meer om Haydn heen. Met betrekking tot pianosonates lijkt Beethoven veel van zowel Haydn als Mozart te hebben geleerd, maar ook van menige voorganger of tijdgenoot van wat mindere allure, zoals Cramer, Clementi en Dussek. Wat betreft de behandeling van de melodie loopt de lijn van Mozart naar Schubert en staan Beethoven en Haydn er min of meer buiten. Bij de kamermuziek is de historische lijn chronologisch behoorlijk correct en is de muziek van Beethoven niet goed denkbaar zonder die van Haydn en Mozart en die van Schubert niet goed denkbaar zonder die van Beethoven. Dat is het aardige: kunstenaars van echt formaat zijn niet in een keurslijf te persen. Altijd is er sprake van ingewikkelde overlappingen. In z'n totaliteit heeft Beethoven meer van Haydn dan van Mozart overgenomen en gezien zijn leertijd bij de eerste is dat logisch. Toch heeft hij altijd gezegd dat hij 'niets' had geleerd bij Haydn, zo meldt ons zijn vriend Ries in zijn samen met Wegeler geschreven leerzame memoires (zie de bibliografie). Zoals iedereen kan horen, is dat niet met de waarheid in overeenstemming. Enerzijds komt Beethovens weinig vriendelijke opmerking voort uit zijn intense verlangen op eigen kracht en zonder hulp de top te bereiken, anderzijds is de opmerking een gevolg van de wat problematische relatie tussen leermeester en leerling. Geheel bevrijd van overbodige ornamentiek was Beethovens muziek uit zijn eerste stijlperiode nog niet. Menige mijns inziens minder interessante siertriller valt nog te beluisteren. Vergelijken we zijn eerste twee pianoconcerten met de eerder geschreven concerten K.466 en K.491 van Mozart, dan vind ik de laatste veruit superieur, zowel in psychologisch als in muzikaal opzicht, ondanks het feit dat hij op het moment van compositie maar weinig ouder was dan Beethoven toen deze zijn concerten schreef. In z'n algemeenheid offreert Mozart naar mijn smaak nog wel eens te veel trillers (maar niet in deze concerten) en zelfs zogenaamde Mannheimer Seufzer, de door de Mannheimer Schule gebruikte motieven die de muziek een 'gevoelig' karakter moesten geven en waarvoor musicologen nog wel eens hun neus ophalen. Toch bestaat het opvallendste thema uit Mozarts beroemde symfonie nr.40 uit Seufzer, aldus melden mij de deskundigen, en is dat thema niet fascinerend? Hoe het ook zij: ik meen dat Mozart zich niet alleen in die symfonie, maar ook in K.466 en K.491 in alle opzichten beduidend rijper betoont dan Beethoven in zijn eerste twee pianoconcerten en symfonieën. Vergelijken we echter Beethovens eerste symfonie met de eerder geschreven Londense symfonieën van Haydn, dan vind ik Haydn, hoewel op het moment van compositie beduidend ouder dan Beethoven, emotioneel noch muzikaal superieur, maar, toegegeven, wel van gelijk niveau. | Psychologisch gezien was Beethoven in zijn eerste stijlperiode een echte hemelbestormer, bezeten van de nieuwe idealen, vast van plan een flitsende carrière te maken, maar muzikaal gezien nog sterk onder invloed van zijn directe voorgangers. Zijn innerlijk zal veel geleken hebben op dat van de jonge revolutionairen in Frankrijk, die zichzelf vol zelfvertrouwen maatschappijhervormers noemden, zich heftig afzetten tegen de in hun ogen vermolmde en achterhaalde ideologie van hun ouders, terwijl zij zich ondertussen toch ontwikkelden tot mensen die eigenlijk maar weinig verschilden van die ouders. Want een revolutie maken is één ding, de revolutie consolideren iets heel anders. Beethoven echter deed zijn best, zijn uiterste best. Leerling en vriend Czerny, die zijn en andermans herinneringen aan Beethoven nauwkeurig op schrift stelde, laat er geen twijfel over bestaan: ergens tussen 1800 en 1803 moet Beethoven tot de conclusie zijn gekomen dat hij het allemaal anders wilde. Op een bepaald moment in die periode zei hij (overigens niet tegen Czerny zelf, maar tegen zijn collega Krumpholz): Ich bin nur wenig zufrieden mit meinen bisherigen Arbeiten, von heute an will ich einen neuen Weg einschlagen. Deze opmerking wordt bevestigd door een passage in een brief, waarin hij vol dédain schreef over zijn 'miserabele' composities, waar hij helemaal niet tevreden over was, en twee jaar later schreef zijn pianoleerlinge Josephine Brunswick in een brief aan haar zuster: Ich habe neue Sonaten von Beethoven, welche alle vorhergehenden vernichten. Het betrof de sonates opus 31 en inderdaad onderschreef Czerny later Josephines visie dat Beethoven met de compositie van deze muziek in 1801/2 de eerste stap had gezet op weg naar een nieuwe stijl. Als volgende etappe zouden de pianovariaties opus 34 en 35 kunnen worden genoemd, waarover Beethoven in een brief aan een uitgever schreef dat ze auf einer wirklich ganz neuen Manier bearbeitet waren, waarmee hij zich overigens af wilde zetten tegen zijn collega en vriend Reicha, die fuga's had gepubliceerd waarvan hij beweerde dat ze op een volkomen nieuwe manier waren geschreven. Beethoven had hier zo z'n bedenkingen over en stelde een daad: de opusnummers 34 en 35. Vervolgens ging hij, in de herfst van 1802 zich bewust wordend van zijn naderende doofheid, door de 'crisis van Heiligenstadt'. In hetzelfde jaar schreef hij het derde pianoconcert, dat zeer afwijkt van de eerste twee, en begon hij aan de revolutionaire derde symfonie, waarmee hij zijn groei naar zijn nieuwe stijl voltooide. Zowel het concert als de symfonie markeren een grote verandering ten opzichte van de meeste van zijn eerdere werken. De confrontatie met de derde symfonie is altijd weer een schok en soms een onprettige, terwijl het luisteren naar de eerste twee symfonieën onveranderlijk een plezierige ervaring is. Ergo: wat betreft Beethovens eerste ommezwaai in stijl lijkt de gewoonlijk zo onbetrouwbare oerbiograaf Schindler mij voor de verandering nu eens wél te vertrouwen, waarbij aangetekend moet worden dat het natuurlijk nooit een momentopname kan zijn geweest, maar altijd een proces dat minimaal enige maanden in beslag moet hebben genomen. Verder dient men ook niet uit het oog te verliezen dat Beethoven in alle opzichten een experimentator is geweest, die er naar streefde zichzelf zo min mogelijk te herhalen. Bij een nauwkeurige analyse van zijn oeuvre menen deskundigen nog veel meer stijlbreuken te ontwaren dan het bekende drietal, maar deze breuken zijn beduidend minder opvallend en voor de leek niet zo interessant. Desondanks zal ik er nog uitvoerig op terug moeten komen in de loop van dit boek (zie de hoofdstukken VI.3.1 en VII.3.1). |
|
Beethoven over andere componisten |
|
| Het strekt Beethoven tot eer dat hij, ondanks zijn verlangens een muzikale revolutie te bewerkstelligen, nimmer uit het oog verloor dat hij op de schouders van reuzen stond. Hij had grote bewondering voor Mozart, Haydn, Bach, Händel en Gluck. Toen hij vernam dat Bachs enige nog in leven zijnde kind in armoede leefde, trachtte hij een fonds te stichten om haar te helpen. Hij vond het onwaardig dat de dochter van zo'n formidabele componist op zo'n manier moest leven. Uit een tweetal verslagen uit de jaren twintig van een tweetal bezoekers (harpfabrikant Stumpff en componist Potter), blijkt dat Beethoven Mozart altijd zeer had bewonderd, maar nadat hij Händel had leren kennen, was deze zijn voorkeurscomponist geworden. Op een vraag van een bezoeker wat Beethoven van Bach dacht, stelde de componist een wedervraag: Warum ist er tot?, waarmee hij uiteraard de geringe toenmalige interesse in 's mans muziek bedoelde. Vervolgens sprak hij de hoop uit dat Bachs muziek zou herleven, welke wens zeker in vervulling is gegaan. Van Bachs componerende zonen had Carl Philip Emmanuel zijn voorkeur. Soms leest men dat hij veel kritiek gehad zou hebben gehad op Mozart en Haydn, in tegenstelling tot Händel, voor wie hij 'de knie boog' en die hij 'de grootste van allen' en unerreicht noemde. Inderdaad had hij soms scherpe kritiek op Mozart en Haydn, zijn directe voorgangers, terwijl desondanks zijn bewondering voor diezelfde voorgangers wel degelijk is gedocumenteerd. Hoe dit te verklaren? De zeer deskundige musicoloog Cooper heeft de volgende suggestie in zijn goed bruibare compendium (zie de bibliografie): Beethoven was sterk geneigd van zijn collega's specifieke composities te waarderen en de rest van hun oeuvre wat minder interessant te vinden. Händel kreeg zijn bewondering vanwege diens vermogen uit heel weinig muzikaal materiaal een heel groot werk te scheppen. In Beethovens vijfde symfonie zien we een soortgelijk procédé. Bach bewonderde hij voornamelijk vanwege diens bijzondere fugakunst. Beethoven waardeerde Haydn vooral om zijn symfonieën en Mozart om zijn pianoconcerten en andere composities voor piano. Van de iets minder beroemde componisten vielen Cherubini (over wie hij tegen Potter gezegd schijnt te hebben dat hij de grootste levende componist was), Cramer (van wie hij veel leerde wat betreft de composities van pianosonates) en Clementi (met wie hij het goed kon vinden) bij hem in smaak. Van de jongere generatie kon Weber, met name diens Freischütz, ondanks enige kritiek zijn goedkeuring wel wegdragen en, als we Schindler mogen geloven, ook voor Schubert had hij zeer veel waardering. Over tijdgenoten van weinig allure kon hij zeer sarcastisch zijn en soms uitte hij zijn kritiek onverbloemd. Toen de onbetekenende componist (maar gewaardeerde pianoleraar) Halm hem in 1816 een net gecomponeerde pianosonate liet zien, die hij aan Beethoven wilde opdragen, wees Beethoven hem op een paar wat al te onorthodoxe noten. Halm had het lef zich te verdedigen door erop te wijzen dat ook Beethoven zich dergelijke vrijheden permitteerde, waarop deze antwoordde: Ich darf das tun, aber Sie nicht, in ieder geval volgensCzerny in zijn memoires over zijn leermeester, hoewel Beethoven toch wel de beleefdheid had Halm 'met genoegen' te bedanken voor zijn opdracht. Ook over zijn leerling Ries liet Beethoven zich wel eens zeer kritisch uit. Hij zou gezegd hebben: Er ahnt mich zu sehr nach, aldus wederom Czerny. Over Webers Euryanthe zou hij gezegd hebben: Herr Weber hat sich dabei zu viel Mühe gegeben. Zeer bekend is de anecdote over de twaalfjarige Liszt, die in Wenen kwam pianospelen en Beethoven dusdanig in enthousiasme zou hebben doen ontsteken dat hij hem omhelsde en op het voorhoofd kuste. Dit fraaie verhaal blijkt helaas niet waar te zijn, aldus hedendaagse deskundigen. Toen Liszt in Wenen voor het voetlicht trad, nam Beethoven niet de moeite naar het wonderkind te komen luisteren, misschien ook omdat hij er te doof voor was geworden. Het sprookje over de omhelzing is in de wereld gebracht door Liszt zelf, die een goed gevoel voor publiciteit had. Wel hebben ze elkaar ontmoet, maar daar is het bij gebleven. In zijn laatste decennium hield Beethoven zich bezig met de studie van de muziek uit de Renaissance en het Gregoriaans en hij maakte, heel verrassend, enkele aantekeningen over de klassieke volksmuziek uit India. Hieronder volgen nog enkele citaten die Beethovens visie op andermans muziek illustreren, waarbij aangetekend moet worden dat sommige opmerkingen via anderen tot ons zijn gekomen en dan is het altijd maar de vraag hoe geloofwaardig zo'n opmerking is. Bovendien is het goed niet te vergeten dat Beethoven een impulsief mens was, die nog wel eens dingen zei die wat minder doordacht waren, terwijl zijn smaak in de loop der jaren veranderde, zoals dat bij de meeste mensen het geval is. Niettemin moeten we zijn opmerkingen in zijn brieven natuurlijk wel serieus nemen. Over J.S.Bach schreef hij in een brief: Nicht Bach, sondern Meer sollte er heissen. Over C.Ph.E.Bach, ook in een brief: ...gewiss nicht allein zum hohen Genuss, sondern auch zum Studium dienen. Over Händel, Haydn, en Mozart, eveneens in een brief: Nicht entreisse Händel, Haydn, Mozart ihren Lobeerkranz. Over Cherubini, in een brief aan de componist zelf: ...indem ich übrigens Ihre Werke... schätze. Over Mozarts K.491, in een gesprek met Cramer (volgens Cramers weduwe): Cramer! Cramer! Wir werden niemals im Stande sein, etwas Ähnliches zu machen.0 Over Clementi, in een gesprek met Czerny over welke stukken geschikt waren voor een kind om te oefenen (volgens Czerny): Clementi ist recht gut, waarbij aangetekend moet worden dat hij eraan toevoegde dat het raadzaam is een kind eerst het 'regelmatige' te geven en dan pas het 'onregelmatige' (zijn eigen composities), hetgeen doet vermoeden dat hij soms ook zo z'n twijfels had over Clementi. Over Händel, vergeleken bij een slechte componist, tijdens een afgeluisterd gesprek in een muziekwinkel: Das ist ein andrer Kerl. Over Schubert, in een gesprek met Schindler (volgens Schindler): Wahrlich, in Schubert wohnt der göttliche Funke. In een brief van 1809 aan een uitgever schreef hij: ...ich habe einigemal angefangen wöchentlich eine kleine Singmusik bei mir zu geben und allein der unselige Krieg stellte alles ein - zu diesem Zwecke und überhaupt würde mir's lieb sejn, wenn sie mir die Meister Partituren die sie haben, wie zum B. Mozarts requiem etc. Haidns Messen, überhaupt alles von Partituren, wie Haidn, Mozart, Bach, Johann Sebastin, Emanuel etc. nach und nach schickten - ... mein grösstes Vergnügen ist es Werke, die ich noch nie oder nur selten gespielt, bej einigen wahren Kunstfreunden zu spielen. Beethovens opmerkingen bewijzen zonneklaar dat hij diep respect had voor zijn voorgangers en voor 'oude' muziek. Daarin was hij geheel een kind van zijn tijd, want tegen het einde van de achttiende eeuw begon het in de mode te raken om muziek van voorbije tijden te bestuderen en te spelen. Hele genootschappen hielden zich ermee bezig en feitelijk is dat nog steeds zo. Toch verklaarde Beethoven meer dan eens trots dat 'zijn' tijd 'andere' muziek behoefde, dat 'de kunst van ons verlangt dat we niet stil blijven staan' en dat 'er geen regel in de kunst is, die niet door een hogere opgeheven zou kunnen worden'. Want uiteindelijk was en bleef hij in hart en ziel een revolutionair. | |
|
Beethoven en zijn piano's - tweede deel |
|
| Het is wel zeker dat Beethoven rond 1796 een waarschijnlijk geleende Streicher bezat en rond 1800 een mogelijk ook geleende Walter tot zijn beschikking had, beide Weense instrumenten dus. Verder is er een brief uit 1802, waarin hij zijn vriend en trouwe hulp in het dagelijks leven Zmeskall toestemming geeft namens hem dertig Dukaten aan Walter te betalen voor een instrument wo ich es allen anderen umsonst haben kann, wat doet vermoeden dat ook Walters piano's hem goed bevielen (fortepiano's kostten ongeveer 35 to 45 Dukaten). Het heeft er echter veel van weg dat de koop toch niet doorging en dat hij in zijn eerste decennium in Wenen uitsluitend op geleende instrumenten heeft gespeeld. En die waren uiteraard van Weense makelij. Het kan echter niet worden ontkend: hij was bepaald niet onverdeeld enthousiast over het nog betrekkelijk nieuwe instrument. In 1796 schreef hij aan de Weense pianobouwer Streicher: Es ist gewiss die Art das Klavier zu spielen, ist noch die unkultivirteste von allen Instrumenten bisher, man glaubt oft nur eine Harfe zu hören... und ich hoffe die Zeit wird kommen wo die Harfe und das Klavier zwei ganz verschiedene Instrumente seyn werden. Kennelijk beviel de soort klank hem eigenlijk maar matig en dat gold blijkbaar ook voor het bereik, want in later jaren herzag hij enkele sonates toen de pianobouwers kans hadden gezien het instrument met een halve octaaf (later een hele) uit te breiden. Tijdgenoten vonden dat hij de fortepiano 'mishandelde', aldus de getuigenis van zijn vriend, leerling en collega Czerny, terwijl collega Reicha het nageslacht een hilarische beschrijving gaf van een concert (1795, een compositie van Mozart) waarbij Beethoven de piano bespeelde en Reicha de blaadjes omsloeg. Maar hij had het drukker met het verwijderen van gesprongen snaren en repareren van ontzette hamers dan met die blaadjes. Beethoven echter speelde onverstoorbaar verder. Toch meent Skowroneck in een essay in een boek van Burnham, getiteld Beethoven and his world, dat het te ver gaat om te denken dat Beethoven alleen maar heel erg ontevreden was over zijn piano's. Hij wijst erop dat Beethovens pianomuziek gewoonlijk volmaakt geschreven is binnen de mogelijkheden van het instrumentarium dat hem ter beschikking stond. Wel eiste hij zeer, zeer, zeer veel van de pianisten uit zijn tijd. Te veel misschien? Skowroneck protesteert in een latere publicatie tegen de veel geuite veronderstelling dat Beethoven een revolutie in de pianobouw zou hebben veroorzaakt. Dat is te veel eer, aldus Skowroneck. | |
| BEETHOVENS EERSTE STIJLPERIODE: 1792-1802 |
| V.3.2 Beethovens oeuvre |
| Toelichting Een * wordt gewoonlijk gevolgd door de datum van uitgave en de naam en plaats van de eerste uitgever, tenzij het een postume uitgave betreft. |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
In 1792 werd Beethoven in alle opzichten volwassen. Hij was in december van het voorgaande jaar 21 geworden en kwam definitief op eigen benen te staan toen hij bijna een jaar later (in november) Bonn en zijn familie verliet en naar Wenen reisde. In de loop van het jaar liep zijn output wat terug, wat mogelijk te maken had met de dagelijkse zorg voor zijn broers, die op de leeftijd kwamen dat ze een beroep moesten gaan kiezen. Ongetwijfeld zal hij ook de nodige zorgen hebben gehad over zijn langzaam verloederende vader, die kort na zijn vertrek zou sterven. |
|
Bespreking(en)
|
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) Volgens musicoloog Van der Zanden heeft het gebrek aan voltooide composities uit dit jaar te maken met het mislukken van de geplande concertreis naar Engeland als begeleider van Haydn. Het is zeker niet onmogelijk dat er een verband is. |
Bespreking(en)
|
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) Opus 1 (*1795, Artaria, Wenen) werd opgedragen aan mecenas Lichnowsky en hoewel de oogst ook dit jaar wat magertjes was, was het niveau des te beter: drie boeiende pianotrio's. |
Overige composities
|
| 1795 | Opus 2, 4,
15, 46, 50, 81b, 87, 129. WoO. 7, 8, 9, 10, 13, 14, 28, 52, 68, 69, 70, 72, 91, 120, 123, 124, 159, 160. Hess 29, 30, 31, 64, 69. |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Een bijzonder rijke oogst dit jaar. Mogelijk had Beethoven zijn ergernis over het mislukken van zijn reis met Haydn nu verwerkt. |
|
Bespreking(en) Pianosonates (opus 2) Eerste pianoconcert (opus 15)
Adelaïde (opus 46) Vioolromance (opus 50,*1805, Bureau des Arts en
d'Industrie, Wenen) Dansen (WoO-nummers 7, 8, 9, 10, 13 en 14, *1795, Artaria,
Wenen, *1795, Artaria, Wenen, *1933, *1796, Artaria, Wenen, *1929,
*1802, Mollo, Wenen)
Pianovariaties (WoO.68, 69, 70 en
72, *1796, Artaria, Wenen, *1795, Traeg,Wenen, *1796, Traeg, Wenen,
*1798, Traeg, Wenen)
Overige composities
Het lied WoO.120 (#6) zou zijn geschreven voor de mij onbekende Frau von Weissenthurn en ik kan er niet van onder de indruk zijn. Dat geldt ook voor WoO.52 (#1). Het sextet opus 81b (#3) kan me nog veel minder bekoren, ik vind dit zonder meer mislukt. Eén van de aria's voor Umlauf (#7) heeft een reuze leuke melodie en blijkbaar vond Beethoven dat zelf ook, want hij gebruikte het later ook voor een lied uit opus 52, het Mailied op tekst van Goethe en zeker niet zijn slechtste lied. De andere aria voor Umlauf is veel minder boeiend. Biografisch gezien niet oninteressant is het feit dat één van de aria's bij de première waarschijnlijk werd gezongen door de hierboven al genoemde Magdalene Willmann. Het strijkkwintet opus 4 (#2) is een bewerking van het octet opus 103, gecomponeerd in 1792. Deskundigen verzekeren mij dat de bewerking geen verbetering is van het mijns inziens toch al niet zo interessante octet. Van de variaties voor blazers WoO.28 (#5) heb ik nog minder verstand, net zo min als van WoO.87 (#4), een trio voor blazers, WoO.159 (#8), een canon, WoO.160 (#9), twee canons zonder tekst, Hess 64 (#10), een fuga voor piano, en Hess 69 (#11), een allegretto voor piano, dat volgens Cooper misschien bedoeld was geweest voor de eerste pianosonate van opus 10. WoO.123, het lied Zärtliche Liebe of Ich liebe dich (#12), is niet lelijk, maar ook niet direct een meesterwerk(je) en dat geldt evenzeer voor WoO.124, het lied La Partenza (#13). Het was voor mij een verbluffende ontdekking te vernemen dat opus 129 (#14), vroeger geplaatst in 1823 en vlak na Beethovens dood uitgegeven, uit 1795 blijkt te dateren. Beethoven had het stuk, waarvan het manuscript overigens pas in 1945 werd teruggevonden, niet voltooid en iemand anders had die taak kennelijk op zich genomen. Vervolgens had muziekuitgever Diabelli zich erover ontfermd en had hij (of iemand anders binnen zijn bedrijf) het van die dwaze bijnaam voorzien. In Beethovens eigen handschrift staat erop: Alla ingharese quasi un capriccio. Had Diabelli Beethoven eens woedend meegemaakt toen er een muntje zoek bleek te zijn? Ik vind het een wat oppervlakkig stukje vol effectbejag, maar niettemin is het leuk, heel erg leuk. Als ik een pianist was, zou ik het vaak spelen. Hess 29, 30 en 31 (#15) zijn aardig, maar niet meer dan dat. |
Opdracht(en)
en opmerking(en)
Was Beethoven weer eens platzak? Vast wel, want in het voorjaar van 1794 had hij voor het laatst geld gekregen uit Bonn. Zijn gebrekkige financiën deden hem enkele concertreizen maken, zoals naar Berlijn en Praag en misschien ook naar Dresden en Leipzig. Interessant is de reactie in de pers op die concertreizen. In Berlijn waardeerde men hem zeer, maar in Praag had men de nodige kritiek: der zu früh bewunderte Beethoven... er griff nur unsere Ohren, nicht unser Herz an, darum wird er uns nicht Mozart sein. Men bedenke dat Mozart voor de Pragers, veel meer dan voor de Weners, een ware afgod was, in wiens schaduw niemand kon staan. |
|
Bespreking(en) Cellosonates (opus 5), cellovariaties (opus 66,*1798,
Traeg, Wenen), cellovariaties (WoO.45) Ah! perfido
(opus 65, *1805, Hoffmeister & Kühnel, Leipzig) Erlkönig (WoO.131, *1897) Overige composities
|
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) WoO. 43 en 44 (*1880 en 1912), muziek in vier delen voor piano en mandoline, werden gedeeltelijk opgedragen Josephine Clary, zangeres en mandolinespeelster. WoO.44 werd misschien geschreven voor iemand anders, een vriend van Beethoven die goed met de mandoline overweg kon. Voor zover ik weet, is dit nog steeds een wat duistere zaak. |
Bespreking(en)
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
Bespreking(en) Strijktrio's (opus 9) Pianosonates (opus 10)
Viool/pianosonates (opus 12) Pathétique (opus 13) Strijkkwartetten (opus 18) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Volgens biograaf Pichler was de opdracht van het septet aan de keizerin een poging van pianoleerlinge Josephine Brunswick om Beethoven bij het hof te introduceren. Men kon toen niet zomaar een muziekstuk aan iemand van de keizerlijke familie opdragen. Men moest daarvoor toestemming krijgen. |
Bespreking(en) Septet (opus 20) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
Bespreking(en) Tweede pianoconcert (opus 19) Eerste symfonie (opus 21) Pianosonate (opus 22) en viool/pianosonates (opp.23 en 24)
Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
De opdracht van opus 37 aan Louis Ferdinand was waarschijnlijk uit financiële overwegingen, hoewel Beethoven en de prins, met wie hij eens in een restaurant de maaltijd had mogen gebruiken, het goed met elkaar konden vinden, zo doet althans het verslag van die maaltijd vermoeden. Dus misschien zat er ook een persoonlijke keuze achter. Beethoven schreef het ballet opus 43 op verzoek van de toen zeer beroemde choreograaf Viganò. |
Bespreking(en) Mondscheinsonate
(opus 27 nr.2) De naam van de sonate is geen vondst van Beethoven. Hij hield niet van bijnamen, des te meer deed men dat in de romantische negentiende eeuw. Toen verzon men menige bijnaam, waar Beethoven vast niet enthousiast over zou zijn geweest. Gewoonlijk kan men lezen dat de journalist Rellstab de verantwoordelijkheid mag (moet) opeisen voor de naam van de sonate. Hij placht een meer met maneschijn voor zich te zien bij het horen van het eerste deel. Dat is niet helemaal juist. Weliswaar heeft hij inderdaad het een en ander geschreven over maanlicht geassocieerd met de sonate, maar dat meer komt uit de koker van iemand anders (biograaf Lenz), die kennelijk zijn eigen herinneringen en Rellstabs woorden aan elkaar koppelde in een boek over Beethoven uit 1852. Ik wou dat beide heren gezwegen hadden! Onherroepelijk word ik gestoord door maneschijn en meer bij het beluisteren van deze muziek, die hier echter geen enkele relatie mee heeft. Nog dwazer is de mythe, notabene door niemand minder dan Holz in de wereld gebracht, dat de sonate zou zijn gecomponeerd ter gelegenheid van de dood van een vriend (zie hieronder voor meer hierover) en door Beethoven bij diens lijk zou zijn gespeeld in een geheel in het zwart gehulde kamer. En er zijn nog veel meer merkwaardige verhalen over de ontstaansgeschiedenis van deze sonate. Degene die een inventarisatie verlangt, verwijs ik naar het boekje van Ladenburger en Grigat, zoals gewoonlijk te vinden in de bibliografie. Tot mijn verrassing vernam ik dat het thema van het derde deel van de sonate, dat zo ontzettend Beethoveniaans klinkt, geen eigen vondst is. Het stemt volledig overeen met een thema van C.Ph.E.Bach, aldus de analyse van de Franse componist Vincent d'Indy, en we weten wel zeker dat Beethoven de muziek van deze Bach-zoon goed kende en zeer waardeerde. En om er nog maar een schepje bovenop te doen: ook in het eerste deel treffen we twee andere componisten aan, namelijk Haydn en Mozart. Er is een grote gelijkenis, ontdekt door Georges de Saint Fox, tussen de aria uit diens opera Don Giovanni die direct na de dood van de Commendatore wordt gezongen, en de begeleiding van het eerste deel van Beethovens sonate. Bovendien staat een citaat uit die aria op Beethovens schetsen voor de sonate. Dit heeft bij sommige musicologen geleid tot de veronderstelling dat ook de sonate naar de dood verwijst. In een televisiedocumentaire speculeerde zo'n deskundige dat het de dood van 'een goede vriend' zou zijn geweest. Welke vriend? Gezien het moment van compositie zou dat Lorenz Breuning moeten zijn, want Beethoven was heel erg op deze jongeman gesteld. Breuning echter stierf in Bonn, zodat Holz' verhaal over de zwarte kamer en het lijk de prullenbak in kan. In dit verband mag niet onvermeld blijven dat niemand minder dan Thayer in zijn onvolprezen biografie ook een verband met de dood legde: een gedicht door de tegenwoordig vrijwel vergeten dichter Seume, dat handelt over een meisje dat bidt om de genezing van haar doodzieke vader. Het gedicht heet dan ook Die Beterin. Een brief uit 1819 van een weinig bekende collega-componist (G.L.Grosheim) aan Beethoven geeft aan dat de heren erover hadden gecorrespondeerd. Seume ligt in Teplitz begraven en Beethoven zou het graf van de door hem bewonderde dichter in 1812 hebben bezocht, toen hij in Teplitz kuurde en Grosheim vraagt Beethoven toestemming om 'zijn huwelijk' met de dichter aan de wereld bekend te mogen maken. Het moet echter gezegd worden (en ook Thayer doet dat) dat de tekst van het in onze moderne ogen vreselijk bombastische, sentimentele gedicht weinig past bij de overige delen van de sonate. Thayerbewerker Forbes voegde een interessant gegeven toe aan het verhaal: Grosheim had enkele jaren tevoren Beethoven gevraagd het eerste deel van de sonate te herschrijven voor piano en zangstem, zodat Seumes gedicht erbij zou kunnen worden gezongen. Hoewel Beethoven positief reageerde, was het er niet van gekomen, kennelijk tot verdriet van Grosheim. Zelfs nog in 1823 vroeg Grosheim via een bezoeker Beethoven nogmaals de sonate met het gedicht in verband te brengen, maar de componist reageerde niet. In een brief aan collega Spohr, die Grosheim zou bezoeken, wijdde hij er enkele regels aan. Grosheim kreeg de hartelijke groeten en hij was hem inderdaad nog een antwoord schuldig, aldus Beethoven. En daar bleef het bij. Kortom, bij nader inzien is er eigenlijk geen enkele reden dat gedicht achter de sonate te zoeken en een brief van Grosheim bevestigt dat hij degene is die geheel en al de verantwoordelijkheid voor het veronderstelde verband moet opeisen. De hierboven genoemde mogelijke relatie met Haydn heeft al helemaal niets met de dood te maken, want diezelfde notenfiguur die we in Mozarts opera aantreffen, is te vinden in Haydns pianoconcert à la Ingharese, een heerlijk en stralend vrolijk stuk muziek. Hoe dan ook: Beethoven heeft bij het componeren van deze muziek uitvoerig leentje buur gespeeld, wat natuurlijk niets, helemaal niets af doet aan de schoonheid. Leentje buur spelen is één ding, de manier waarop de geleende thema's worden verwerkt in de nieuwe compositie, is iets heel anders. Maar wat betreft het verborgen 'programma' meen ik dat we er verstandiger aan doen op te houden met speculeren en ons te beperken tot bewondering voor de fraaie muziek. Dat deed de recensent van de Allgemeine musikalische Zeitung ook al in 1802 toen hij schreef: ...dass irgend ein Mensch, dem die Natur nicht die innere Musik versagt had, nicht sollte durch das erste Adagio (...) ergriffen und allmählig immer höher geleitet, und durch das Presto agitato so innig bewegt und so hoch gehoben werden, als er duch freye Klaviermusik nur zur heben ist.
Derde pianoconcert (opus 37)
Vioolromance in F (opus 40) Die
Geschöpfe des Prometheus
(opus 43) Gellertlieder (opus 48, (*1803, Artaria, Wenen) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Is het geen wonderlijk jaar, dit 'crisisjaar', het jaar van Heiligenstädter Testament? Zo tragisch en toch zo rijk! Schmidt wordt trouwens in het testament genoemd en geroemd. |
Bespreking(en) Viool/pianosonates (opus 30) Pianosonates (opus 31) Pianovariaties (opus 34 en 35)
Tweede symfonie (opus 36) Kreutzersonate
(opus 47) Overige composities
|
------------------------------------------------------------------
Noten (voor de diverse auteurs: zie de bibliografie, hoofdstuk X, alwaar men zoeke op naam van de auteur.)
0.Er is tegenwoordig een discussie gaande over het KV-nummer in kwestie. Volgens Cooper zou het moeten zijn gegaan om # 453, terwijl Jander dit bestrijdt. Bijzonderheden hierover treft men aan in enkele nummers van The Beethoven Journal van de laatste paar jaar, gepubliceerd in San José in de USA. Zie ook hun website:
The Ira F. Brilliant Center for Beethoven research.1.Over de belangrijke rol van Josephine in Beethovens leven kan men lezen in "Beethovens raadsels" (zie aldaar, hoofdstukken III tot en met VI).