VI BEETHOVENS TWEEDE STIJLPERIODE: 1803-1814

VI.1 Europa tijdens Napoleons heerschappij
VI.1.1 Politiek, economie en dagelijks leven

VI.1.2 Filosofie, wetenschap en kunst

VI.2 Biografie

Toelichting
Het is niet goed mogelijk over de periode tussen Napoleons machtsovername en zijn val afzonderlijke overzichten te geven van de politieke situatie in de verschillende landen, omdat de politiek toen, uiteraard vooral als gevolg van 's mans veroveringsdrift, een wel heel erg internationaal aanzien begon te krijgen. Daarom volgt hieronder een chronologische indeling die gekoppeld is aan het reilen en zeilen van de Franse dictator.
Napoleons machtsovername
Over de periode die met de "Franse Revolutie" zou moeten worden aangeduid, zijn de historici het niet erg eens. Sommige deskundigen zien 1795, het jaar waarin Napoleon op het politieke toneel verscheen, als het einde van de revolutie, anderen menen dat we november 1799 als cruciale datum moeten zien, toen Napoleon met geweld de macht greep. Er is voor beide standpunten wat te zeggen. Maatschappelijk en ideologisch gezien was de revolutie in 1795 voorbij. Staatkundig gezien was dat pas in november 1799 het geval, toen de zo succesvolle, buitengewoon populaire Napoleon een akelige stap zette. Op de achtergrond waarschijnlijk met hulp van de invloedrijke Talleyrand en op de voorgrond gesteund door een gedeelte van het leger onder leiding van één zijner broers, zette hij de Raad van 500 met geweld buiten spel, liet de volksvertegenwoordigers met geweren uit elkaar jagen door zijn broer (terwijl hij zelf veilig van een afstandje toekeek) en nam de macht doodgemoedereerd over. Hij stelde het driekoppige "Consulaat" in en liet zich tot "Eerste Consul" benoemen. Hitler, die Napoleon zeer bewonderde, heeft een dergelijke gewelddadige machtsovername zorgvuldig vermeden. Hij werd heel gewoon op democratische wijze gekozen door het volk, wat de Duitsers niet bepaald tot eer strekt. De Fransen valt wat dit betreft minder te verwijten. Toch vraagt men zich af waarom de intelligentsia niet in een eerder stadium hebben ingegrepen. Op gevaar af iedere francofiel tegen me in het harnas te jagen, moet ik zeggen dat ik het beschamend vind te zien hoe men Napoleon, die zo ontzettend veel doden op zijn geweten heeft, nog steeds zo fanatiek vereert, daar in zijn praalgraf in de Dôme des Invalides. Waarom heeft men in 1799 niet ingegrepen? Opportunisme? Lafheid? Wanhoop? Gebrek aan inzicht? Alles bij elkaar? Hoe dan ook: men deed het niet. Integendeel. Twee van de vijf leden van het Directoire zaten in het complot en deze werden Napoleons medeconsuls. Men heeft hoogst ondemocratisch gehandeld. Napoleon beweerde de revolutie te "redden". Maar hij veranderde in de gevaarlijkste dictator die de wereld in vele jaren had gezien. Het lijkt er veel dat de Fransen niet in de gaten hadden watvoor vlees ze in de kuip hadden, want nadat ze er eerst geen enkel probleem mee hadden dat Napoleon in zijn rol van Eerste Consul van een triumviraat alle macht tot zich had getrokken, accepteerden ze zonder morren dat hij in 1801 onderhandelingen met de paus begon om tot een concordaat te komen, waarna hij een jaar later per plebisciet werd gekozen tot consul "voor het leven" en het concordaat officieel vastlegde. De volgende stap was dat hij zichzelf met toestemming van het volk én de paus in 1804 onder luid gejuich tot keizer kroonde. Overigens werd dat gejuich door Napoleons medestanders toch wat overdreven. Met de uitslagen van het plebisciet was op grote schaal gefraudeerd en de opkomst was niet groot. Dat was geen wonder, want men kon niet anoniem stemmen, men moest zijn naam in een register schrijven. Zoiets werkt uiteraard demotiverend op tegenstemmers. Dat die er toch wel waren, blijkt bijvoorbeeld uit de aanslagen die op het leven van de nieuwbakken keizer werden gepleegd. Het lot van de gearresteerde daders was niet bepaald benijdenswaardig. Zelfs de middeleeuwse pijnbank werd weer onder het stof vandaan gehaald, in een poging de tegenstand letterlijk en figuurlijk te breken. Stukje bij beetje wist Napoleon alle macht tot zich te trekken, zich te ontdoen van politieke tegenstanders, vrienden machtige posities te geven en zich te ontwikkelen tot een onvervalste alleenheerser, kortom, tot een tiran, die op het het hoogtepunt van zijn macht een groot deel van Europa tot Frans bezit of onderhorig aan Frankrijk had gemaakt, zoals op het kaartje hieronder te zien is. Ik vind het verbijsterend dat zelfs de intelligentste geesten zich zo erg op hem verkeken. Goethe had Napoleons borstbeeld op zijn bureau staan en was als een kind zo blij toen de man in 1808 hem de eer aan deed een paar woorden met hem te wisselen. Napoleon beweerde dat hij Die Leiden des jungen Werthers maar liefst zeven keer had gelezen, wat waarschijnlijk een leugen was. Maar tegen zoveel strooplikkerij was Goethe niet opgewassen. Ook Hegel was diep onder de indruk van de dictator. De behoefte aan een sterke, wijze man was blijkbaar zo groot dat men niet inzag hoe gevaarlijk hij was. Helaas, zulke vergissingen worden nog steeds gemaakt. De geschiedenis leert ons slechts dat ze ons niets leert!
Napoleon in het zadel
Voor Napoleon was Engeland de erfvijand en hij liet niets na om het door hem gehate en verafschuwde "perfide Albion" op de knieën te krijgen. Het lukte hem niet. Engeland was en bleef superieur als zeemacht. Dat de Engelsen Napoleon niet onderschatten, blijkt wel uit het beroemde gebaar van hun eerste minister, toen hij vernam van een bepaalde overwinning van de dictator. Hij wierp de kaart van Europa terzijde en meende dat het ding tenminste vijfentwintig jaar overbodig zou zijn. Hij kreeg gelijk. Toen Napoleon overging tot het instellen van een handelsboycot gericht op de Engelsen, zijn zogeheten Blocus continental, veroorzaakte dat, tot zijn grote ergernis, juist groei van de Engelse handel. Omdat het niet meer mogelijk was met grote delen van Europa te handelen, zocht Engeland nieuwe afzetmarkten en dat lukte uitstekend, hoewel niet zonder problemen. Het is beslist niet zo dat het de Engelsen geen moeite heeft gekost zich staande te houden in de oorlog tegen Frankrijk. Integendeel, de economie was erg labiel, de pond devalueerde en er werd veel gevraagd van de Engelse creativiteit bij het omzeilen van Napoleons draconische maatregelen. En toen werd ook nog hun koning krankzinnig verklaard. Gelukkig had hij een volwassen zoon die zijn taken direct over kon nemen en later als George IV op de troon kwam, maar jammer genoeg een uiterst zwakke vorst bleek te zijn. Het strekt de Engelsen tot eer dat ze zich ondanks al hun binnenlandse problemen zo effectief tegen Napoleon hebben verzet.1 In zijn memoires geeft Napoleon alle schuld voor de door hem begonnen oorlogen aan Engeland. Hun "agressie" zou hem genoodzaakt hebben de strijd te continueren. Maar ik begrijp niet goed wat Engeland te maken had met de inval in het Vaticaan en het in Frankrijk gevangen zetten van de zeer bejaarde paus, die in zijn gevangenis pen noch papier kreeg. Zeker, de paus wilde zijn havens niet sluiten voor de Engelsen en net als de rest van bezet Europa had hij te maken met het continentaal stelsel, maar was zijn onwil een reden hem zo te behandelen en zijn paleis te vernielen? Napoleon had dat concordaat met de kerkvader gesloten, waarna de bisschoppen terugkeerden, katholieke feesten weer werden gevierd, processies weer werden toegestaan en enkele jaren later ook de oude jaartelling weer terugkwam, allemaal tot grote vreugde van de oprecht katholieke Fransen en natuurlijk de paus zelf. Twee jaar later bakte Napoleon nogmaals uitvoerig zoete broodjes bij de paus, toen hij meende dat een kroning tot keizer niet zonder diens toestemming kon plaatsgrijpen. Het verhinderde hem niet diezelfde paus enkele jaren later erg slecht te behandelen. Veel deskundigen schrijven dat Napoleon in 1803 een serieuze toenaderingspoging tot Engeland had ondernomen, maar dat deze poging strandde op Engels wantrouwen. Mogelijk, maar enkele jaren later kregen ze inderdaad gelijk. Dat neemt natuurlijk niet weg dat ze zich in 1803 misschien wat soepeler hadden moeten opstellen. Enfin, voer voor historici! Ondertussen nam keizer Franz in Wenen het zekere voor het onzekere toen hij zijn hovelingen op een dag in 1804 mededeelde dat hij zichzelf tot keizer Franz I van Oostenrijk had bevorderd. Hij vreesde dat hij de kroon van "Het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie" zou gaan verliezen en besloot bij voorbaat tot een vervangende keizerstitel, zodat hij gedurende twee jaar Franz I/II was. Toen kreeg hij gelijk en verloor hij zijn II. In 1806 ging het "Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie" definitief ter ziele ten gevolge van Napoleons expansiedrift. Omdat veel Duitsers en Oostenrijkers eigenlijk behoorlijk enthousiast waren over Napoleon en het helemaal niet erg vonden dat het keizerrijk stervende was, besloot Franz, bang voor het oplaaien van nationalistische sentimenten, voor alle zekerheid om het Hongaarse parlement maar helemaal niet meer bijeen te roepen. Van veel gevoel voor democratie kan Franz moeilijk worden beschuldigd. Zoals wel te verwachten was, ging het in heel Europa bergafwaarts met de economie. Vooral vanaf 1809 was de inflatie enorm en de prijzen stegen gigantisch. In 1810 kelderden alle aandelen in Oostenrijk als gevolg van Franz' voornemen zijn dochter met Napoleon te laten trouwen. Oververhitte oorlogsspeculaties maakten de situatie nog chaotischer. In september ging Rusland over tot devaluatie en Oostenrijk volgde. Diverse banken gingen failliet en als een olievlek breidde de crisis zich uit over heel Europa. In Frankrijk regende het faillissementen, de werkloosheid steeg beangstigend en de lonen daalden. Men schat dat bijna de helft van de Parijzenaars geen werk meer had. En de Fransen hadden dubbele pech, omdat de oogst van 1811 volkomen mislukte en men zijn toevlucht moest nemen tot gaarkeukens en subsidies op het brood voor de armen. Er werd een maximumprijs voor het graan ingesteld, maar er werd nauwelijks gecontroleerd, zodat gewetenloze personen hun graan aan de officiële markt onttrokken en elders boven de prijs verkochten. Pas na de goede oogst van 1812 ging het wat beter. In Oostenrijk werden in 1810 de eerste papieren bankbiljetten (Bankozettel) geïntroduceerd, die werden opgevolgd door andere valuta (Wiener Währung en Conventionsmüunze), waarbij de wisselkoers 1 op 5 bedroeg, zodat men uiteindelijk maar 20% overhield van het oorspronkelijke bedrag. Dit noopte de regering al in 1809 over te gaan tot verbetering van de voedselvoorzieningen voor de armen en dat betekende een verbetering van Franz' populariteit bij het volk. Deserteerden in 1805 bij de strijd tegen de Fransen de soldaten bij de vleet, in 1809 bleven ze in een vergelijkbare situatie trouw achter hun keizer staan. Maar als we de Oostenrijkse prijsindex van 1795 vergelijken met die van 1820 schrikken we wel even. De prijzen waren in 1820 maar liefst twintig keer zo hoog, nadat ze in 1818 zelfs dertig keer zo hoog waren geweest. Mensen die afhankelijk waren van een vast salaris, zagen hun inkomsten in die barre tussenliggende jaren tot minder dan de helft gereduceerd. Adellijke families gingen bankroet. Sommigen gingen uit bedelen, anderen verkochten hun tafelzilver op straat. Zelfmoord en acute gekte waren schering en inslag. De situatie is goed te vergelijken met die in Amerika in 1929. Men bedenke dat ze helemaal niets gewend waren. Deze mensen waren opgegroeid in weelde, hadden altijd geld als water gehad en dan ineens dit. Voor velen was dat onverdraaglijk. Zoals zoveel dictators was Napoleon privé een stuk aardiger, hoewel in het dagelijks leven wel een veeleisend en autoritair mens, die er geen enkele moeite mee had iedereen in zijn omgeving voor schut te zetten als hij de kans kreeg. Voor zover hij tot liefde voor een medemens in staat was (net als Hitler hield hij erg veel van zijn hond...), hield hij oprecht van zijn eerste vrouw, Joséphine de Beauharnais, in eerste instantie veel meer dan andersom. Daarin kwam verandering toen ze, verleidelijk en lichtzinnig als ze was, zich tijdens één zijner veldtochten troostte met een mooie officier. Napoleon was zo kwaad dat hij zijn rivaal wilde laten executeren. Met moeite wist men hem tegen te houden. Hij vergaf het zijn vrouw, maar nam het toen niet meer zo nauw met de huwelijkstrouw. Cynisch constateerde hij dat er blijkbaar zoiets bestaat als seksualiteit en dat een man er een oplossing voor moet zien te vinden, waarna er een waslijst minnaressen volgde, tot grote wanhoop van Joséphine, die prompt veel trouwer werd. Uiteindelijk werd zij de verliezer, toen hij zich van haar liet scheiden. Maar het heeft hem onmiskenbaar veel verdriet gedaan. Als ze hem kinderen had gebaard, zou het huwelijk waarschijnlijk wel in stand zijn gebleven. Hij behandelde haar goed, gaf haar een mooi huis en een goed inkomen, wat zij hard nodig had, want ze was een zeer spilzieke vrouw met maar één ding aan haar hoofd: haar aantrekkelijke uiterlijk. Toen uit Napoleons huwelijk met Marie Louise von Habsburg een zoon werd geboren, nam hij het kind mee naar Joséphine, die dat erg waardeerde, en volgens sommigen sprak hij zelfs in zijn laatste minuten nog over zijn eerste echtgenote. Maar hij wilde per se een opvolger en die kreeg hij niet van haar. Hij besloot pas tot een scheiding toen hij het bewijs van zijn fertiliteit had gekregen. Eén zijner minnaressen werd zwanger, maar hij vertrouwde het niet erg, omdat ze eens zijn prachtige zwager Murat, een ongeëvenaarde rokkenjager, op visite had gehad. Hij zocht verder en vond de Poolse Marie Walewska, gehuwd met een oude, impotente edelman. Ze was na jaren huwelijk nog maagd en uiterst ongenaakbaar. Ze wilde helemaal niet, maar men drong erop aan. Ze moest zich opofferen voor de "Poolse zaak". Uiteraard hoopte men op rust aan het roerige Poolse front dankzij deze "gift" aan de allesvreter uit Frankrijk. Marie capituleerde en werd niet alleen oprecht verliefd op Napoleon, maar ook nog zwanger. Toen de arme Joséphine dit bericht vernam, viel ze huilend in onmacht. Ze wist dat haar dagen waren geteld. Napoleon bleek niet bepaald bescheiden, want hij wilde per se trouwen met een koningsdochter. Er waren er maar twee die in aanmerking zouden kunnen komen: Marie Louise von Habsburg, oudste dochter van keizer Franz, en Anna Paulowna Romanova, jongste zuster van de Tsaar.2 Men vraagt zich af wat er in Franz was gevaren toen hij zijn dochter uithuwelijkte aan zijn vijand. Bij nader inzien blijkt dat het niet zijn idee was, maar dat van de net als minister van buitenlandse zaken aangetreden Metternich, die zeer bang was voor een verbond tussen Frankrijk en Rusland, welk verbond ongetwijfeld zou volgen op een huwelijk tussen Napoleon en Anna. Ook was hij ervan overtuigd dat in een confrontatie tussen Frankrijk en Rusland de Fransen zouden winnen, waarna Oostenrijk beslist onder de voet zou worden gelopen. Men begrijpt Metternichs haast om Marie Louise op te offeren. Hij was zeer voorzichtig en had terecht een heilig ontzag voor de vechtmachine die het Franse leger was. De Fransen trokken op met zo'n 60 km per dag, de Oostenrijkers gingen niet harder dan 15 km. Hij dacht: If you can't beat them, join them en haalde Franz, die bijkans blind voer op Metternichs oordeel, over toe te stemmen in een huwelijk tussen zijn dochter en zijn vijand. De situatie was dan ook niet best. In 1805 en 1809 liepen er Franse soldaten door de straten van Wenen. In 1805 was de sfeer nog betrekkelijk vreedzaam, maar de verovering in 1809 ging met geweld, schade en dode burgers gepaard, nadat de adel overhaast de stad had verlaten omdat Napoleon met zijn voltallige leger in aantocht was. Het schijnt dat hij in drie weken van Parijs naar Wenen reisde, samen met zijn leger, inclusief de artillerie, waarna hij naar bed ging, 36 uur sliep en zich vervolgens in de voor de Oostenrijkers vernietigende slag bij Wagram stortte. In zijn achterhoofd had de sluwe Metternich de gedachte dat een adempauze in de oorlog voldoende zou kunnen zijn om op krachten te komen, zodat Napoleon in een later stadium alsnog verslagen zou kunnen worden. Blijkbaar hield hij geen enkele rekening met Marie Louise, die Napoleon helemaal niet wilde. Maar ze was een gehoorzaam, weinig intelligent meisje, amper achttien jaar en geheel onderworpen aan haar vader, die alleen maar luisterde naar zijn minister. En zo ging ze overstag en vertrok ze naar Frankrijk. Er is een hilarische anecdote over de eerste ontmoeting op Frans grondgebied tussen Marie Louise en Napoleon, die kort tevoren met de handschoen in de echt waren verbonden. Ze kenden elkaar wel, maar hadden elkaar lange tijd niet gezien en hij was erg nieuwsgierig. Hij besloot haar tegemoet te gaan. Bij het grensplaatsje Courcelles stopte de lange rij koetsen uit Wenen en Marie Louise en haar hofdame stapten uit om even te rusten. Toen Marie Louise weer in haar koets stapte, schrok ze in eerste instantie verschrikkelijk, omdat de hofdame vervangen bleek te zijn door haar wettige echtgenoot. Maar blijkbaar vielen de nieuwbakken echtelieden wel bij elkaar in de smaak, want voordat ze in Parijs waren, was het huwelijk geconsumeerd. Anderen beweren dat ze weliswaar kans zagen zich tot Parijs te beheersen, maar dat ze de koetsier opdracht gaven in vliegende vaart door te rijden, de rest van het gezelschap in verbijstering achterlatend. Hoe dan ook: men sprak er schande van. Zo niet Marie Louise. Ze amuseerde zich wel en werd spontaan verliefd. Ze was een heel seksueel wezen en Napoleon gaf haar blijkbaar precies datgene wat ze wilde. Later werd het hem wat te veel en er zijn historici die menen dat aan zijn fatale Russische veldtocht niet alleen de politiek ten grondslag heeft gelegen, maar ook de wens te ontsnappen aan de seksuele eisen van een wat nymfomaan uitgevallen veel jongere vrouw.
Napoleons ondergang
In 1812 liep de Franse keizer zijn ondergang tegemoet op de kille vlakten voor Moskou. Hij vluchtte naar Parijs, zo'n half miljoen doden achter zich latend. De Europese vorsten zagen hun kans schoon. Dit was het moment om het "beest van Corsica" te vernietigen. Hoe moeilijk moet deze beslissing voor keizer Franz zijn geweest! Aan wiens kant te strijden? Hij koos voor de geallieerden en trok op tegen zijn schoonzoon, die notabene zijn pasgeboren zoontje François had genoemd. De eerste gevechten eindigden in een patstelling. Metternich besloot tot onderhandeling, maar een zeven uur (volgens sommigen negen uur) durend gesprek met Napoleon liep op niets uit. Metternich constateerde dat Napoleon verloren was en verliet de conferentiezaal. Toch probeerde hij het nog een keer en een nieuw gesprek volgde. Getroffen door het beangstigend jeugdige uiterlijk van de Franse soldaten, zei hij dat er nu genoeg was gevochten en dat Napoleon een hele generatie jongemannen aan zijn expansiedrift had opgeofferd. Napoleon zei dat hem dat niets kon schelen, dat een miljoen mensen meer of minder hem niet interesseerde. Metternich stelde voor de ramen van de kamer waarin ze zaten te openen, opdat heel Europa mee kon luisteren. Toen maakte de keizer een foutje: hij zei dat van alle soldaten die tijdens zijn Russische veldtocht waren gesneuveld, slechts tien procent de Franse nationaliteit had gehad, de rest bestond voornamelijk uit Polen en Duitsers. Metternich, een geboren Rijnlander, herinnerde hem eraan dat hij tegen een Duitser sprak. Napoleon wist niet veel beters te doen dan woedend zijn hoed in een hoek te gooien.3 Desondanks volgde er nog een derde gesprek. Wederom tevergeefs. De oorlog ging door en in oktober 1813 greep bij Leipzig de Volkerenslag plaats, die ongunstig verliep voor de Fransen. Het was een slachting: in drie gevechtsdagen stierven 120.000 personen. Napoleon trok zich terug op Parijs. Men bood hem opnieuw een compromis aan, maar hij weigerde. Toen trokken de legers Frankrijk binnen. Eind maart 1814 liepen de geallieerde troepen over de Champs Elysées, waarbij de in kilt gehulde Schotten de Françaises in opwinding brachten. De Tsaar en Metternich, die een wedstrijd in het verleiden van vrouwen hielden, bezochten Joséphine en ze waren erg van haar gecharmeerd. Zij ook van hen, maar Napoleon had nog steeds haar hart en bovendien was ze doodziek. De verslagen dictator werd afgevoerd naar Elba, zijn vrouw werd tot regentes benoemd. Nauwelijks was Napoleon op het eiland aangekomen, of hij vernam van Joséphines dood. Marie Louise wilde zich bij hem voegen, maar haar vader verbood het en haalde haar met haar zoontje naar Wenen. Er kwam een "verse" Bourbon op de Franse troon, uiteraard Louis genaamd, XVIII genummerd. Toen wilde Marie Walewska zich met haar zoon bij haar gewezen minnaar voegen. Maar Napoleon schijnt dit aanbod te hebben afgewezen. Veel Europeanen vonden het wreed om de man te scheiden van vrouw en kind. Dit was toch niet nodig? Neen, maar aan de andere kant had hij ieder recht op een menswaardige behandeling verloren. Metternich had gelijk met zijn verwijt dat een volledige generatie jongemannen op de slagvelden was gestorven of invalide geworden. Hele dorpen en stadjes bestonden nog slechts uit vrouwen, meisjes, zeer jonge jongens en zeer oude mannen. In zijn behoefte aan kanonnenvlees had Napoleon menig voorschot op de lichtingen dienstplichtigen genomen. Zijn leger bij Leipzig bestond voornamelijk uit jongens van vijftien of zestien, die voor een groot gedeelte afkomstig waren uit de bezette gebieden, want de keizer was zuinig op zijn eigen volk en recruteerde bij voorkeur uit Duitsland, Polen, Nederland en België. Gehuwde Fransen bijvoorbeeld waren vrijgesteld van dienstplicht en dat veroorzaakte menig schijnhuwelijk. Toch was in 1814 van de tussen 1790 en 1795 in Frankrijk geboren generatie jongemannen ruim een derde gestorven. Men schat het totale aantal doden van Napoleons optreden op zo'n vier miljoen en dat was in die tijd een gigantisch aantal. Ongeveer een miljoen hiervan had de Franse nationaliteit, op een bevolking van dertig miljoen. Het kon de man allemaal niets schelen. Toen bij een veldslag tienduizenden het leven hadden gelaten, schijnt hij cynisch te hebben gezegd dat dat er niets toe deed, want in één nacht in Parijs "maken we weer evenveel nieuwe". Niettemin is het wel treurig dat zijn zoontje, het onschuldige kind, van zijn door hem zeer vereerde vader werd gescheiden, vooral omdat Metternich, die niet bepaald hoog de pet op had van Marie Louise, het kind ook nog scheidde van zijn moeder. Het jongetje is opgegroeid aan het Weense hof, werd zorgvuldig "verduitst", tot en met zijn naam (voortaan heette hij Franz von Reichstadt), terwijl voor Marie Louise een vervangende minnaar werd uitgekozen, met wie ze, op instigatie van Metternich, in Italië ging wonen. De kanselier zocht de man zorgvuldig uit. Neipperg had maar één oog, maar hij was desondanks een groot verleider. Zelfbewust zei hij dat hij Marie Louise binnen een half jaar in bed zou hebben. Dat lukte niet, maar erg veel langer duurde het niet en Marie Louise vergat haar echtgenoot en verloor haar interesse in haar zoon. Ze baarde Neipperg drie dochters en was stralend gelukkig met deze dekhengst.

Europa tijdens Napoleons heerschappij (ongeveer 1810)
Europa in de Napoleontische tijd

Het dagelijks leven
De mode van het EmpireDe periode waarin Napoleon aan de macht was, wordt in de mode en de binnenhuisarchitectuur Empire genoemd. De wereld van de Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen werd bijna walgelijk populair, mede op instigatie van Napoleon, die het liefst in de voetsporen wilde treden van veroveraars als Alexander de Grote en Julius Caesar. Hij hield van de bijbehorende mode. Pruiken en kniebroeken waren nu definitief passé en werden alleen nog gedragen bij klassieke uniformen, wat tot op de dag van vandaag in Nederland valt te bezichtigen op Prinsjesdag, als de koningin de vergadering van de Staten-Generaal heropent. Dikke mannen die er modieus uit wilden zien, hesen zich in een korset, want men diende te zijn voorzien van een slanke leest. Ook vrouwen dienden uitgesproken slank te zijn en menige vrouw sloeg fanatiek aan het vermageren. Men veronderstelde dat hete baden goed waren voor het verkrijgen van een slank figuur, wat natuurlijk onzin was, maar het was wel bevorderlijk voor de hygiëne. Gelijk de gewaden van Griekse en Romeinse vrouwen waren de japonnen licht van kleur, zo dun mogelijk, voetvrij en met een diep, hoog opgeduwd decolleté. Een modeblad uit deze periode meldt dat het toilet van een elegante dame niet meer van tweehonderd gram mag wegen, juwelen en schoenen inbegrepen. Hoe vreselijk zal dit in de winter zijn geweest! Geen wonder dat warme omslagdoeken in de mode kwamen. De vrouwen droegen onder deze niemendalletjes nauwelijks ondergoed, meestal slechts een korsetje dat de boezem omhoog duwde, en een paar kousen die met kousebanden werden opgehouden. Daartussen dus niets. Wat moet dit wel niet voor gevolgen hebben gehad voor het adrenalinegehalte bij de mannen! Soms droegen vrouwen een onderbroek zonder tussenstuk, bestaande uit twee pijpen tot de knie, bijeengehouden door een brede tailleband: een nutteloos, maar seksy kledingstuk. Zeer populair was de Franse hofschilder en modeontwerper Isabey, want hij ontwierp de smaakvolle en uitdagende japonnen van Napoleons eerste echtgenote. Zelf zag hij er trouwens ook prachtig uit, zowel qua gezicht als qua kleding. Sandalen, platte, eenvoudige schoenen, zeer lange kettingen, oorbellen en armbanden vlak onder de elleboog of aan de enkel waren zeer in de mode. De kapsels van de vrouwen werden korter en slordiger en zagen er soms uit of de draagster zo uit bed kwam. De mannen droegen bakkebaarden en kapten hun haar à la Titus, met losse lokjes rond het hoofd, die geacht werden "Romeins" te zijn. Maar ook fikse kuiven en losse krullen in de nek waren mode, benevens een kapsel met de veelzeggende naam coup de vent, waarbij het tamelijk kortgeknipte haar zonder scheiding naar voren werd gekamd, zodat het leek of de drager een stevige bries de rug toekeerde. De jassen werden soberder en waren vaak donker, de lange pantalons meestal licht en effen. De dassen, eigenlijk meer sjaals, werden al groter en groter. Na ettelijke malen rond de hals te zijn gewikkeld, werden ze zodanig gestrikt dat ze tot de kin of nog hoger reikten. Atijd zat er fikse lading stijfsel in, soms zoveel dat ze in de oorlelletjes sneden. Er werden meer laarzen gedragen en de schoenen waren eenvoudig, slank en elegant. De heren hadden een ruime keuze aan modieuze hoofddeksels: hoeden met een rand, steken, sjako's en zelfs helmen. Er kwam iets nieuws op de markt: de paraplu, voorlopig nog voorbehouden aan mannen. Wat we Napoleon ook kunnen verwijten, niet dat hij een sloddervos en viespeuk was. Hij had een wascomplex en onder zijn heerschappij was het direct uit met de mode van haveloze, "vaderlandslievende" kleding. Om de haverklap trok hij schoon ondergoed aan en hij eiste dat ook van zijn vrouwen. Marie Louise had de akelige gewoonte haar tanden niet goed schoon te houden en hij beging de grofheid haar nog vóór haar komst naar Parijs instructies te sturen voor het reinigen van haar gebit. (Des te interessanter is een brief van zijn hand aan Joséphine, met de tekst: "Was je niet, ik kom naar huis".)
Hygiëne, voedsel, gezondheid
In verreweg de meeste grote steden waren nu vuilnisophaaldiensten verschenen, waarvoor vaak werklozen en bejaarden werden ingezet, met als argument dat ze zichzelf zo tenminste enigszins "terugverdienden" (niets nieuws onder de zon!). Maar de snelle urbanisatie veroorzaakte een nieuw probleem: het insluiten van de net aangelegde vuilnisbelten buiten de stad, zodat de veel te snel groeiende voorsteden dreigden te degraderen tot een grote mestvaalt. In de zomer stonken de grote steden nog steeds afschuwelijk en iedereen die het kon betalen, zocht een vakantieverblijf op het land. Beethoven mag hiervan wel een sprekend voorbeeld worden genoemd, want hij deed er alles aan om zijn verblijf op het land ieder jaar zo lang mogelijk te rekken, meestal met succes. In de periode 1813/14 zuchtte heel Europa onder het juk van een vreselijke epidemie: vlektyfus. Hoewel deze ziekte, die ook tegenwoordig nog toe kan slaan in oorlogssituaties en het daarmee vaak gepaard gaande gebrek aan hygiene, niet dodelijk hoeft te zijn, loopt het nogal eens verkeerd af bij wat zwakkere personen en in Duitsland stierf bijna een procent van de bevolking aan de epidemie. In de eerste jaren van de negentiende eeuw was er een "stammenstrijd" gaande met betrekking tot de diagnosticering van geslachtsziekten. Sommige artsen meenden dat syfilis en gonorroe ten onrechte als twee ziektes werden gezien en dat het slechts ging om variaties van dezelfde kwaal, anderen hielden vol dat het wel degelijk om verschillende ziektes ging. Pas ver na 1830 werd deze strijd in het voordeel van de laatsten beslecht. Het is niet onmogelijk dat Beethoven min of meer het slachtoffer van dit probleem is geworden. Zijn persoonlijke aantekeningen tonen aan dat hij enige tijd bang was een geslachtsziekte te hebben en dacht dat hij een bepaald geneesmiddel (kwikzilver?) zou moeten nemen, dat hij niet erg vertrouwde. Zelfs vreesde hij voor zijn leven. Meende hij ten onrechte aan de vaak dodelijke syfilis te lijden, maar ging het in feite om de veel minder gevaarlijke gonorroe? Dat is heel goed mogelijk. Op het vasteland van Europa was het met de zorg voor krankzinnigen nog droevig gesteld, ondanks het goede werk van Pinel en zijn leerlingen, maar in Engeland en Amerika werden grote vorderingen gemaakt. De religieuze Quakers gingen echter een tikje te ver. Ze kwamen op de proppen met het begrip moral insanity. Dit had tot gevolg dat misdadigers werden vrijgesproken, omdat ze niet in staat zouden zijn geweest in te zien dat hun gedrag immoreel was. Dit komt me erg bekend voor! Als uitsmijter van deze paragraaf een uitvinding die niets met fundamentele wetenschap te maken heeft, maar niettemin ontzettend belangrijk was, namelijk het inblikken van voedsel (1809). Maar hoe vreemd: het duurde nog decennia voordat iemand op het idee kwam de blikopener uit te vinden.
Onderwijs, geestelijk leven, mentaliteit
Er valt in zoverre niet veel te melden dat de maatschappelijke moderniseringen in het algemeen, zoals die waren begonnen in het eerste decennium van de 19e eeuw, zich doorzetten, met dien verstande dat er wel sprake was van min of meer terugdraaien van uitgesproken progressieve wetten, zoals de huwelijkswetgeving en de nog maar net bevochten vrijheid voor homoseksuelen. De schuld voor deze reactionaire ontwikkeling ligt vooral bij Napoleon. (Men leze ook mijn exercities hieronder over het gevecht van de keizer met diverse strijdbare feministes die hem in hun publicaties op indrukwekkende wijze van katoen gaven, zie "Filosofie en literatuur in Frankrijk".) Bij wijze van voorbeeld citeer ik de man zelf: "De zwakheid van de vrouwelijke hersenen, de beweeglijkheid van hun denkbeelden, hun bestemming in de maatschappij... dat alles maakt voor hen het juk van de godsdienst onmisbaar". Om het maar eens ordinair te zeggen: daar krijgt een feministe het zuur van! Overigens stond hij hierin natuurlijk niet alleen. In zijn tijd waren verreweg de meeste mannen vervuld van minachting voor vrouwen. Zelfs de in veel opzichten zo visionaire Talleyrand meende dat de "onderwerping" van vrouwen niets met de politiek te maken had, maar dat het een "natuurlijke" wet was. In z'n algemeenheid echter was er ondanks dit alles toch wel sprake van vooruitgang, in ieder geval wat betreft het terugdringen van analfabetisme en verbetering van het onderwijs. Wel bleven er lange tijd duidelijke verschillen tussen het platteland en de stad (ten gunste van de stad), tussen mannen en vrouwen (ten gunste van mannen) en tussen katholieken en protestanten (ten gunste van protestanten). In seksuele zaken werd men steeds preutser, wat gezien de uitdagende mode de fantasie over wat er stiekem in de geesten van vooral de mannen moet zijn omgegaan, volkomen op hol doet slaan. Het is bepaald geen wonder dat wat later in de eeuw de seksuele onderdrukking van het Victorianisme de vigerende mentaliteit werd. Eén ding is zeker: in zeer veel opzichten was het Napoleontische tijdperk gedenkwaardig, ongemeen boeiend en voor de geschiedenis van Europa uiterst belangrijk.


Terug naar boven

Beethovens tweede stijlperiode: 1803-1814

VI.1.2 Filosofie, wetenschap en beeldende kunst

In de loop van de negentiende eeuw ebde de pure Romantiek weer langzaam weg en de stijl die we aanduiden met "Biedermeier" werd populair. Dit is eigenlijk de (klein)burgerlijke variant van de Romantiek. Alle "zwartheid" is verdwenen. De Biedermeier is uitgesproken introvert, in tegenstelling tot de extraverte vroeg-Romantiek. De bevrediging van de emotionele behoeften wordt vooral binnenshuis gezocht en men gaat braaf naar de kerk. Het gezin is het ideaal, het huwelijk uit liefde (die dan geacht werd levenslang te blijven bestaan, wat toch echt een utopie is) de enige juiste grond om te trouwen. Bemoeienis door ouders wordt niet meer geaccepteerd, terwijl dat in de achttiende eeuw in de betere kringen heel gewoon was (en naar mijn smaak ook heel verstandig). We denken bij de Biedermeier vooral aan grote tuttigheid en dat is wel een klein beetje waar. In onze ogen komt het wat slaapverwekkend over allemaal. De Biedermeier is de Romantiek waar de angel uit is verdwenen. Het is veilig. Er wordt niet "groots en meeslepend" geleefd, laat staan ten onder gegaan aan een ideaal. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Het is voor mij geen wonder dat de Nederlandse mentaliteit veel beter bij deze visie past dan bij die van de oorspronkelijke Romantiek. Zoiets hoort inderdaad goed bij de Duitsers en de Fransen, maar niet in onze omgeving. Nederland heeft dan ook geen enkele indrukwekkende prestatie geleverd op het gebied van de kunst uit de Romantiek, tenzij we het verkiezen om trots te zijn op Tollens' "meesterwerk", geschreven naar aanleiding van de slag bij Waterloo:

Als Wellingtons en Blüchers moed
Het Fransch gedrogt doet vallen,
Dan tintelt mij van vreugd het bloed
Om 't handgewring der Gallen.
Maar als Oranje 't ondier stuit,
Dan gil ik mijn verrukking uit.

Enzovoort, enzovoort. Bij ons werkt dit nog slechts op de lachspieren, vooral gezien de prestaties van Oranje bij de slag, want onze jeugdige prins werd uitgeschakeld door een onnozele wond, welke droevige gebeurtenis is vastgelegd op een levensgroot, hilarisch, overromantisch schilderij, dat in het Rijksmuseum is te bezichtigen. Neen, het ondier werd toch heus door anderen gestuit!

Filosofie en literatuur
Frankrijk
Erg veel goede romans of gedichten hebben de Fransen in deze periode niet geschreven en toch is het Franse literaire klimaat uit deze periode de moeite van het bestuderen waard. Want sinds de zeventiende eeuw was een interessant fenomeen in opkomst: de salons. In de achttiende eeuw wonnen deze salons aan belang, vooral door de invloedrijke minnares van de koning, Madame de Pompadour. Het verschijnsel bleef in de negentiende en zelfs de twintigste eeuw nog lang bestaan. Het ging hierbij meestal om een rijke, adellijke, intelligente vrouw, die er schoon genoeg van had haar tijd te verdoen met borduren. Zo'n dame verzamelde dan een kring van belangrijke, intelligente mensen om zich heen, meestal mannen, die geregeld bij elkaar kwamen in haar salon en dan alles bespraken wat er maar besproken zou kunnen worden, vooral politiek, literatuur, kunst en wetenschap. Broedplaatsen van ideeën waren de salons. Machthebbers waren er terecht beducht voor. Rond 1800 waren in Frankrijk Germaine de Staël en Juliette Récamier elkaars fanatieke concurrenten. Juliette was veel mooier dan Germaine en haar adembenemende uiterlijk is terecht vereeuwigd op dat beroemde schilderij van David, waarop ze op een chaise-longue ligt, gehuld in een nauwelijks iets verhullende jurk. Maar Germaine was de betere schrijfster, wier boeken uitgesproken modern en feministisch waren, maar voor ons nog slechts interessant als tijdsbeeld. Over één ding waren de vrouwen het gloeiend eens: ze konden Napoleon niet luchten of zien, waarmee ze, "slechts" vrouwen, een veel beter inzicht toonden dan veel grote mannen. Ze hadden gelijk met hun aversie. Waren deze vrouwen feministisch? Ik vind van wel. Sommige hedendaagse feministes zijn wat kortzichtig als ze de vroege twintigste eeuw aanduiden als de periode van de "eerste feministische golf", toen de vrouwen vochten voor kiesrecht en recht op onderwijs, en de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw aanduiden als de "tweede feministische golf", toen de vrouwen vochten voor gelijke betaling en recht op abortus. Hiermee doen ze de vrouwen rond 1800 te kort. Eigenlijk was dit de "nulde feministische golf", wat gelukkig door een andere stroming in het feminisme wel wordt ingezien.4 De revolutie van 1789 was in sommige opzichten een soort communisme "avant la lettre". Iedere medestander was "burger" of "burgeres",5 had dezelfde rechten, dezelfde plichten en vocht voor dezelfde idealen, die overigens nog allesbehalve "echt" communisme waren. Niettemin doen de ideeën van sommige revolutionairen verrassend modern aan, hoewel we inmiddels weer zouden moeten spreken van akelig ouderwets. Er waren vrouwen onder de Franse revolutionairen van 1789 die dat "communisme" tot in zijn uiterste consequentie doorvoerden. Ze wezen het huwelijk op principiële gronden af omdat het een vorm van slavernij zou zijn, wat het toen in veel landen ongetwijfeld was. Een moedige voorvechtster kwam, in het kielzog van de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger, met de Verklaring van de Rechten van de Vrouw. Ze stelde hierin dat de vrouw op geen enkele wijze de mindere was van de man en dus exact dezelfde rechten en plichten had. Ze stelde de voor haar mannelijke tijdgenoten zeer ongemakkelijk vraag: als vrouwen het recht hebben het schavot te bestijgen, hebben ze dan niet ook het recht het spreekgestoelte te beklimmen? Inderdaad! Maar ze had weinig succes en de patriarchale maatschappij nam gruwelijk wraak, want ze stierf onder de guillotine. De tijd was nog niet rijp voor een visie als de hare en Napoleon degradeerde de vrouwen weer tot rechteloze wezens. Na 1815 werd de brave bourgeois met een volgzame, kuise vrouw en gehoorzame, oppassende kinderen het ideaal. Toch zijn er rond 1800 diverse vrouwen geweest die zich uitstekend hebben weten te profileren, zoals Mary Shelley, die hiermee in het voetspoor trad van haar moeder, Mary Wollstonecraft, die in 1792 een uiterst feministisch boek publiceerde, nadat ze helemaal alleen in 1790 naar Parijs was gereisd om de revolutie van dichtbij te bezichtigen en te verslaan gelijk een moderne journalist. Ze had het vermoeden getuige te zijn van een kenteringspunt in de historie en daarin had ze volkomen gelijk. Enigszins verrassend is de aanwezigheid van een Nederlandse vrouw in dit geëmancipeerde gezelschap: Belle van Zuylen. Vergeleken bij de meeste landen in Europa was Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw uitgesproken vooruitstrevend wat betreft de rechten van vrouwen. De Franse overheersing, in feite begonnen in 1795, maakte daar een einde aan. Met ingang van 1811 waren Napoleons wetten van kracht en dat betekende voor de Nederlandse vrouwen een flinke stap achteruit. Belle, die overigens vrijwel uitsluitend in het Frans schreef en meestal in Zwitserland woonde, werd er zeer boos over. Ze mag wel een echte feministe worden genoemd. Ze gedroeg zich tenminste als zodanig en had, getrouwd en wel, een jarenlange verhouding met de invloedrijke schrijver en politicus Constant, terwijl ze toch maar liefst 27 jaar ouder was. Omdat ze de man die ze wilde, niet kon krijgen, trouwde ze maar met een ander. De echtelieden waren goed bevriend, maar de hartstocht ontbrak en dus gaven ze elkaar maar de vrijheid. Uiteindelijk bleek het een solide huwelijk. Belles correspondentie is zeer boeiend, ze was een trotse, vrijgevochten vrouw en ze schreef over alles wat in haar tijd belangrijk werd gevonden. Terecht is er tegenwoordig weer veel belangstelling voor haar brieven. Ook een verrassing is het Beethovens "vlam" Bettina Brentano onder de feministes van het eerste uur aan te treffen (ik verwijs naar "Beethovens raadsels" voor meer informatie over Bettina's rol in Beethovens leven, hoofdstukken III tot en met VI, te vinden via Home). Ze schreef een boek over de sociale omstandigheden in de arme wijken van Berlijn en dat werd haar niet bepaald in dank afgenomen. Zelfs haar eigen broer, de beroemde literator Clemens, keurde haar gedrag af, meende dat ze gebrek aan "eerbaarheid" had vertoond en noemde haar in een brief "een stuk ongeluk". De in haar tijd meest spraakmakende van al deze opvallende vrouwen, de al vermelde Juliette Récamier, was zeer innig bevriend met de schrijver Chateaubriand, die een wat rommelig bestaan leidde op politiek gebied, want hij veranderde nog wel eens radicaal van mening, maar hij had een stevige hekel aan Napoleon en dat strekt hem tot eer. Juliette's tegenspeelster Germaine de Staël begon een affaire met de hierboven ook al vermelde Constant, die in 1802 door Napoleon werd verbannen. Constant was trouwens niet bescheiden, want na zijn affaire met Belle van Zuylen vergaapte hij zich eerst aan de mooie Juliette en vervolgens kwam de intelligente Germaine aan bod. Nadat ook Germaine in ongenade was gevallen bij Napoleon, woonden zij en Constant enige tijd in Duitsland. Maar het kwam tot een breuk tussen de geliefden en Germaine sloeg aan het zwerven. Ze reisde door Europa en maakte kennis met Rahel Levin, één van de intelligentste vrouwen van haar tijd, die in Duitsland de belangrijkste salon had. Zij en Germaine zaten elkaar voortdurend in het vaarwater. In Wenen, tijdens het congres, maakte Germaine zich volslagen belachelijk door voortdurend verliefd te worden op mannen die niet de geringste interesse in haar hadden, want ze was niet de jongste meer. Germaines getob met de liefde is koren op de molen van historici die in haar afkeer van Napoleon wraakzucht willen zien, omdat hij haar versmaad zou hebben. Natuurlijk, zo'n stoot onder de gordel is altijd heel gemakkelijk, maar gaat volkomen voorbij aan het feit dat ze in haar geschriften een uitstekend inzicht in des keizers kwalijke persoonlijkheid toonde. Dat mag wel eens gememoreerd worden.
Engeland
Wat betreft de wijsbegeerte in de Romantiek is Engeland altijd minder belangrijk geweest dan Duitsland, zoals het land voor de Verlichting minder belangrijk was dan Frankrijk. Volgens sommigen was in Engeland de beweging eigenlijk al "uitgewoed" toen het er op het vasteland pas goed "op los ging", terwijl anderen menen dat de Engelse maatschappijstructuur zich niet zo goed leende voor een weelderige bloei van de Romantiek. Weer anderen menen dat de tamelijk conformistische Wordsworth de Romantiek in Engeland aldaar juist met veel aplomb inluidde, toen hij in 1798 samen met de zeer onconventionele Coleridge de gedichtenbundel The lyrical ballads publiceerde, die naar mijn smaak behoorlijk onleesbaar is geworden. In één adem noemt men vaak de dichters Byron, Keats en Shelley. De heren waren leeftijdgenoten: Byron was van 1788, Keats van 1795, Shelley van 1792. Mijns inziens waren ze, Engels of niet, onvervalste aanhangers van de Romantiek, kinderen van hun tijd. Ze leidden een spannend bestaan, waarin kunst en leven samen lijken te vallen. Groots en meeslepend wilden ze leven en dat deden ze. Ze betaalden met een vroege dood. De gedichten van Keats en Shelley zijn nog steeds goed leesbaar, in Byrons verzen tref ik een overdosis aan ronkende taal aan. Maar een interessante man was hij zeker.
Het Duitse taalgebied
Als tegenwicht voor de vele optimisten en vooruitgangsdenkers in de Romantiek en de Biedermeier komt nu een rechtgeaarde pessimist ter sprake: de Duitse filosoof Schopenhauer, geboren in 1788 en in veel opzichten een man naar mijn hart. Bij feministes heeft hij een zeer slechte naam vanwege zijn enorme vrouwenhaat. Dat feit is zeker correct, maar niet compleet, want hij haatte eigenlijk ook de andere helft van de mensheid. Hij was een echte misantroop en een onvervalste neuroticus, die de laatste tijd onderwerp is geweest van uitvoerige studies door psychoanalytici. Men meent unaniem met een psychiatrische patiënt van doen te hebben. Toch is hij tegenwoordig als filosoof weer aardig in de mode en dat is begrijpelijk. In onze tijd hebben we genoeg van het vooruitgangsgeloof van Hegel. Wij weten waartoe de industriële revolutie heeft geleid: milieuproblematiek. Wij kennen, dankzij twee wereldoorlogen en genocide op grote schaal, de gevolgen van de ideologie van Blut und Boden, zoals die van de generatie van de Duitse idealisten. Wat men vroeger vermoedde, is nu akelige zekerheid. Hobbes schreef het al: homo homini lupus est. Het vooruitgangsgeloof uit de negentiende eeuw is passé en daarmee is Hegel uit en Schopenhauer in. Zelden zag de wereld zo'n pessimistische filosoof. Toch biedt hij wel een oplossing: de ascese. Hij breekt een lans voor "afzien", in alle opzichten. Men dient ieder egoïsme en ieder verlangen te laten varen, alleen dan is het mogelijk werkelijk vrij te worden. Verlangen naar bezit en bevrediging maakt de mens ongelukkig. Alleen degene die niets meer wenst en niets meer heeft, is gelukkig en bereikt het stadium van zalige rust, het Nirwana. Hoewel Schopenhauer in eerste instantie een aanhanger van Kant was, voer hij later een heel andere koers, toen hij de wil belangrijker achtte dan de rede. In zijn oeuvre is het boeddhisme overduidelijk aanwezig. Aan het christendom had hij een uitgesproken hekel. Hij had, niet verwonderlijk, een stevige aversie tegen Hegel, die in de ogen van tijdgenoten veruit de meerdere was. Slechts enkelen waardeerden Schopenhauer, hij was niet bepaald populair in zijn tijd. Daar moest hij anderhalve eeuw op wachten. Op zoek naar de Duitse volkscultuur en goed bevriend waren de zwagers Arnim en Brentano, die ook in Beethovens leven een rol speelden, zij het een bescheiden. Hun verzameling volksliederen Des Knaben Wunderhorn, uitgegeven rond 1807, is van groot belang geweest voor de Duitse literatuur. Die voor ons zo onsmakelijke Volksgeist had op sommige gebieden wel degelijk zeer positieve gevolgen. Zonder hun nijver zoekwerk zouden veel van deze volksgedichten misschien wel verloren zijn gegaan en het was Mahler gegeven er prachtige muziek bij te schrijven. Voor mensen die in Beethoven zijn geïnteresseerd, is Brentano's roman Godwi interessant, omdat zijn schoonzuster Antonie, die zo heel innig bevriend was met de componist, model heeft gestaan voor de vrouwelijke hoofdpersoon van de roman. Arnim en Brentano waren bevriend met de gebroeders Grimm, die beiden zeer druk bezig waren met het verzamelen van gegevens uit de volkscultuur. Wie kent niet hun sprookjesbewerkingen, uitgegeven in 1812?
Wetenschappers
Ondanks de weinig nuchtere manier waarop men zich in deze periode met het wetenschappelijk en technologisch onderzoek bezighield, werden er toch belangrijke wetenschappelijke artikelen geschreven, zoals de publicatie van de Engelse natuuronderzoeker Dalton,die in 1803 een poging deed een goed periodiek systeem der elementen samen te stellen. Baanbrekend was het werk van de Franse wiskundige Fourier en dat van zijn landgenoot Cuvier, die de vader van de anatomie en de vergelijkende systematiek kan worden genoemd, maar de plank missloeg wat betreft zijn geloof in de onveranderlijkheid der soorten. Hij had een felle tegenstanders in zijn ten onrechte bij leken nauwelijks bekende Saint-Hilaire. Beroemd daarentegen bij het grote publiek werd hun landgenoot Ampère, die zijn naam gaf aan de eenheid van electrische stroom. Minder beroemd is de Franse astronoom Laplace, die de neveltheorie ontwikkelde en over de bioloog Lamarck, ook al een Fransman, wordt nog wel eens spottend gedaan. Dat is niet terecht. Hem komt de eer toe als eerste gewezen te hebben op de veranderlijkheid van de soorten. Dat hij nog niet goed begreep hoe dat in zijn werk gaat, is logisch. Daar was de tijd nog niet rijp voor. Hij gebruikte overigens als eerste het woord "biologie". Van eeuwig belang voor scheikundigen is het werk van Avogadro, naar wie de scheikundige 'constante' (vroeger 'getal') werd vernoemd. In Engeland werkte Davy, de uitvinder van de mijnlamp. Hij was een zeer goede chemicus, maar hij bereikte minder dan hij had gekund. Bij zijn experimenten met lachgas beschreef hij nauwkeurig de uitwerking ervan op het menselijk lichaam, maar hij kwam niet op de lumineuze gedachte dat het gas bruikbaar was als narcosemiddel. Dat sommige onderzoekers heel wat minder wetenschappelijk te werk gingen dan mensen als Avogadro en Davy, bewijst het werk van de Duitser Hahnemann, want hij werd de grondlegger van de omstreden en tot nu toe volledig onbewezen, maar volgens velen toch waardevolle homeopathie, notabene op grond van een meetfout in zijn proefnemingen. Zijn landgenoot Gall vergiste zich in ieder geval, want, lopend in het voetspoor van Lavater, creëerde hij de frenologie: aan de vorm van de schedel zou te zien welke talenten een individu zou bezitten. Zijn visie leeft nog slechts voort in uitdrukkingen als "een wiskundeknobbel hebben". Hij werd uit Wenen uitgewezen vanwege zijn "goddeloze" levensbeschouwing, maar werkte nog lange tijd in Frankrijk, ondanks de gerechtvaardigde scepsis jegens zijn opvattingen, waarbij overigens aangetekend moet worden dat hij als eerste had begrepen dat de menselijke hersens het fysiologische orgaan van de menselijke geest is, waarmee hij afstand nam van Descartes' dualisme. Een mijlpaal in de geneeskunde was het werk van een eenvoudige apotheker uit Hamelen, Sertürner geheten. Rond 1804 ontdekte hij dat morfine het hoofdbestanddeel van de uit papaver gewonnen opium is. In een publicatie gaf hij de stof de nog altijd gebruikelijke soortnaam "alkaloïde" en vanaf 1820 was morfine in de apotheken verkrijgbaar. Heel wat beroemder dan deze apotheker werd de medicus Parkinson, die de naar hem genoemde ziekte in 1817 voor het eerst nauwkeurig beschreef. Lang niet zo beroemd werd Hufeland, die wel gezien wordt als de uitvinder van de natuurgeneeskunde. Hij schreef een boek met de verleidelijke titel Die Kunst das menschliche Leben zu verlängern. Een technologische ontwikkeling waarvan het belang nauwelijks kan worden overschat , is de invoering van de stoomsnelpers, in 1814 door The Times in gebruik genomen.
Beeldende kunstenaars
Een fanatieke aanhanger van het zo langzamerhand toch wel erg ouderwets geworden Classicisme was en bleef de invloedrijke Fransman Ingres, hoewel hij toch pas in 1780 was geboren. Hij lijkt in zijn stijl wel wat op David, die hij bovenmatig bewonderde. Hij had het hevig aan de stok met jongere collega's en dat is wel begrijpelijk. Die kozen voor de Romantiek, desnoods de Biedermeier. Mooi wel zijn Ingres' portretten. Ze zijn zeer levensecht, wat men eigenlijk niet zo erg zou verwachten bij een classicist. Heel anders schilderden twee Engelsen: Constable, die als eerste zijn schildersezel buiten neerzette en fraaie, rustige schilderijen maakte, evenals Turner, die zeer beroemd is geworden met zijn sfeervolle doeken, waarin vooral de lichtval heel bijzonder is. Constable schilderde zo natuurgetrouw dat een collega het niet kon laten een paraplu op te steken toen hij een doek van Constable bestudeerde. Turner en Constable produceerden zeer veel landschappen, net als de Duitser Friedrich, die zijn uiterste best deed om er als een echte Romanticus uit te zien: veel haar, grote baard, woeste blik. Zijn schilderijen zijn navenant. De veel soberder Engelsen hebben mijn uitdrukkelijke voorkeur en ik krijg de indruk dat kunsthistorici dat wel met me eens zijn. Ook niet erg enthousiast kan ik zijn over één van de weinige Nederlanders die zich in deze periode profileerde: Ary Scheffer. Het is pure Romantiek en de man kon zeker heel goed schilderen, maar, enfin, over smaak valt niet te twisten.


Terug naar boven

Beethovens tweede stijlperiode: 1803-1814
VI.2 Biografie
Beethoven (Hippius, 1814/15)
Hiernaast een tekening van Beethoven door de Estlandse tekenaar/schilder Hippius, daterend uit waarschijnlijk 1815 (mogelijk 1814 of 1816) toen Beethoven wat dikker was geworden. De kin is te gaaf en te lang en het voorhoofd te recht en te hoog. De pokkenlittekens ontbreken. De neus, de ogen en de wenkbrauwen daarentegen zijn zeer goed getroffen. De tekening bevindt zich in het Beethovenhaus in Bonn.

Uiterlijkheden

Innerlijkheden
Het is hier de plaats om wat verder in te gaan op de vele, elkaar vaak tegensprekende portretten die we van Beethoven hebben. Als weinig anderen is hij het slachtoffer geworden van mythevorming en dat toont zich nergens anders zo goed als in de portretten. Als we ons een realistisch beeld van hem willen vormen, moeten we ons beperken tot de portretten die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid naar het leven zijn getekend. Toch valt zelfs op deze portretten wel wat af te dingen. Het zijn geen foto's en degenen die hem portretteerden, voegden er hun persoonlijke visie aan toe. Echt objectief zijn ze nooit. Hoe beroemd ook, toch zijn de portretten door Mähler (1804 en 1815), Stieler (1819), Klöber (1818) en Waldmüller (1823) eigenlijk maar weinig betrouwbaar. Beide portretten door Mähler zijn geïdealiseerd en dat geldt nog sterker voor Stieler, terwijl deze schilder degene is geweest die meer dan welke andere dan ook de kans heeft gekregen Beethoven uitgebreid te bestuderen, want voor het eerst en ook het laatst in zijn leven gunde de ongeduldige Beethoven de schilder menige zitting. Bij Waldmüller was dat precies andersom. Beethoven hield het na één zitting wel voor gezien. Ook niet echt goed (maar ook niet echt slecht) zijn de portretten door Letronne/Höfel (1814) en Decker (1824). Beide zijn geïdealiseerd, maar niet incorrect. Slecht daarentegen zijn Neugass (1806) en Heckel (1815). Neugass' idealisering ging echt alle perken te buiten, terwijl Heckel bijzonder slecht gelijkend is. Het beste beeld van Beethoven in zijn heroïsche periode geeft het borstbeeld van Klein uit 1812. Het beste beeld van Beethoven als jongeman geeft -ondanks de idealisering- het miniatuur van Hornemann uit 1802. Een goed beeld van Beethoven als man van middelbare leeftijd is misschien (maar daarover verschilt men van mening) het portret door Hochenecker uit 1819. Het portret van Beethoven op zijn sterfbed door Danhauser laat goed zien hoe ontzettend ziek de componist moet zijn geweest. Er valt geen spoortje vet of spieren meer aan zijn uitgeteerde wangen, ingevallen ogen en magere neus te ontwaren. Ontroerend ook is de tekening van Teltscher van de stervende componist. Controversieel is is het eerste portret van de portrettengalerij (Beethoven als dertien(?)jarige), waarover de discussie onder de deskundigen nog in volle gang is. Sommigen zijn ervan overtuigd dat het authentiek is, anderen geloven daar niets van. Van diverse portretten zijn nog tijdens Beethovens leven de nodige kopieën gefabriceerd, soms gemaakt door de oorspronkelijke maker, soms door iemand anders. Van het portret uit omstreeks 1800 bijvoorbeeld bestaat een hele reeks 'namaak' (Neidl, Riedel, Scheffner, Neesen), waaronder het bij de galerij afgebeelde olieverfschilderij door Riedel. Van het portret uit 1815 door Mähler zijn tenminste twee, mogelijk drie vroege kopieën bekend, waarover de meningen tegenwoordig verschillen. Meestal kan men lezen dat de schilder ze zelf had gemaakt, maar onlangs werd dit bestreden door Jander in een publicatie van het Beethoven Forum te Nebraska, die meent dat duidelijk te zien is dat ze door anderen moeten zijn gemaakt. Van het portret door Waldmüller bestonden oorspronkelijk twee door de schilder zelf gefabriceerde exemplaren, maar één daarvan is verloren gegaan. Gelukkig bestaat er een goede kleurenafdruk van. De afbeelding in de portrettengalerij betreft dit verloren gegane exemplaar. De verschillen met de andere versie, die in Wenen in een museum hangt, zijn gering. Ook van het Klöber-portret bestaat een kopie door de maker zelf, maar in dit geval behoorlijk afwijkend en mijns inziens veel slechter. De geschiedenis van het portret van Höfel/Letronne is nogal gecompliceerd, aangezien Beethoven het oorspronkelijke portret door Letronne afgekeurd schijnt te hebben (terecht, want het is zeer slecht), terwijl het niet werd vernietigd, maar toch gepubliceerd, zodat het nog geregeld in biografieën opduikt. De door Höfel vervaagdigde versie ziet men in de galerij en tegen dit exemplaar schijnt Beethoven geen bezwaren te hebben gehad. Van het beroemde portret door Stieler bestaan zeer veel kopieën, maar voor zover ik weet, is slechts één daarvan van de hand van de schilder zelf. Ook van het masker van Klein bestaan veel kopieën (sommige gemaakt door Klein zelf) en dat is wel terecht, gezien het belang ervan. De tekening van Schnorr en de karikaturen van Hoechle, Klosson en Lyser doken pas na Beethovens dood op, in tegenstelling tot die van Böhm, Tejeck en Weidner. In hoeverre sommige van deze tekeningen authentiek kunnen worden genoemd, is dan ook de vraag. Wel lijkt het erop dat enkele van deze op de juiste tijd op de juiste plaats waren om tenminste enige schetsen van Beethoven op straat of in een café te kunnen maken. Mogelijk hebben ze die later gebruikt voor hun defintieve tekeningen. Het boeiende, hierboven afgebeelde portret van Hippius was jarenlang onbekend, maar de authenticiteit ervan staat inmiddels wel vast. De discussie over het jaar van ontstaan van het fraaie portret van Schimon is nog in volle gang. Gewoonlijk kan men lezen dat het in 1819 zou zijn gemaakt, maar dat is enkele jaren geleden ter discussie gesteld door Steblin in haar fascinerende artikel over het Hochenecker-portret. In menig boek over Beethoven treft men de buste van Dietrich aan, voorzien van de mededeling dat een authentieke afbeelding is. Dat valt wel een kanttekening bij te maken. Dietrich bezocht Beethoven in 1820 tijdens diens zomerverblijf in Mödling en volgens hemzelf beloofde hij Beethoven dat hij een buste van hem zou maken, gebaseerd op het door hem zeer bewonderde portret door Stieler. Dat laatste is eigenlijk al voldoende om weinig waarde toe te kennen aan Dietrichs buste, want weinig portretten lijken zo slecht als dat van Stieler. Daarnaast is wel zeker dat Beethoven niet voor Dietrich heeft geposeerd. Ik heb er dan ook voor gekozen deze buste niet aan mijn portrettengalerij toe te voegen. Interessant zijn de tekeningen van Beethovens handen, eentje door Klöber in 1818 en eentje door Danhauser op Beethovens sterfbed. Ze tonen dat de componisten stevige, weinig elegante handen had, zoals ook door menige getuige werd gezegd. Voor meer informatie verwijs ik de lezer naar de portrettengalerijen en degene die zich ook verder wil verdiepen in de constant veranderende visie, letterlijk en figuurlijk, op Beethoven, leze vooral Comini en Dennis, beiden te vinden in de bibliografie. Comini is gewijd aan de iconografie, Dennis aan de ideologie.

In eerste instantie veranderde Beethoven niet zoveel in deze periode van zijn leven, maar vanaf ongeveer 1808 begon hij toch wat molliger te worden en langzamerhand kreeg hij zelfs een bescheiden embonpoint, zoals zoveel mensen na hun veertigste verjaardag. Ook de blik waarmee hij op de portretten de wereld in kijkt, veranderde en begon afwerend te worden. Hij werd slordiger wat betreft zijn kleding en ging nauwelijks meer naar de kapper. Hij liet zijn haar nu groeien zoals de natuur dat had gewild en op een bepaald moment zien we op de portretten die typische Beethovenkop verschijnen met wild, ongekamd, vaak lang haar, vanaf het grofstoffelijke voorhoofd nonchalant achterover geslagen. We hebben een fraaie anecdote over Beethovens toenemende slordigheid. Toen hij in 1810 zijn begerig oog liet vallen op een pianoleerlinge, de jeugdige en populaire Teresa Malfatti, stuurde hij prompt zijn vriend Gleichtenstein, die als intermediair fungeerde tussen hem en Teresa, op pad om nieuwe dassen voor hem te kopen, terwijl zijn trouwe vriend en duvelstoejager Zmeskall subiet z'n spiegel moest komen brengen, omdat Beethoven de zijne had gebroken. (Dit gedrag is overigens ook exemplarisch voor de manier waarop hij misbruik van vrienden wist te maken.) Zijn leven begon steeds ongeregelder te worden, zijn desinteresse in uiterlijke zaken nam toe. Zo had hij bijvoorbeeld nauwelijks fatsoenlijk meubilair. Zijn kamers blonken uit door eenvoud. In feite is er slechts één getuigenis van een bezoeker die vond dat er mooi meubilair stond. Alle anderen verbaasden zich over de soberheid van zijn interieur en velen dachten dan ook dat hij erg arm was. Natuurlijk is het wel handig om weinig meubilair te hebben als men zo vaak verhuist als Beethoven deed. De memoires van leerling en collega Czerny over Beethovens chaotische interieur toen hij in 1800 met hem kennismaakte, zijn een aardige sfeertekening: Ein sehr wüst aussehender Zimmer, überall Papiere und Kleidungsstücke verstreut, einige Koffer, kahle Wände, kaum ein Stuhl, ausgenommen der wackelnde beim Walterschen Fortepiano. Seyfried, één van Beethovens oudste kennissen in Wenen, schreef: In seinem Haushalt eine wahrhaft admirable Confusion... Bücher und Musikalien in allen Ecken zerstreut, - dort das Restchen eines kalten Imbisses, - hier versiegelte oder halbleere Bouteillen, - dort auf dem Stehpulte die flüchtige Skizze eines neuen Quatuors - hier die Rudera eines Dejeuners... zwischen den Fenstern ein respektabler Laib Strachino, ad latus erklecklicher Trümmer einer echten Veroneser Salami. De lijst van personen die over Beethovens chaos in zijn woning schreven, is ongeveer als volgt: Seyfried; Czerny; Trémont; Bursy; Schlosser; Rellstab; Hirsch; Bettina Brentano; Schindler. Die groep omvat al Beethovens jaren in Wenen en doet dus vermoeden dat desinteresse in dit soort zaken een sterke karaktertrek van hem was. 

Hoe zag een dag uit het leven van Beethoven eruit? Hij was matineus en stond meestal op bij zonsopgang, waarna hij zich direct naar zijn werktafel spoedde, want hij was een ijverig mens. Ontbijten deed hij nauwelijks, vaak nam hij slechts koffie, waaraan hij min of meer verslaafd was. Ondanks het gebrek aan een goed ontbijt placht hij menige kilometer te wandelen in de morgenuren, altijd in gezelschap van een veelgebruikt notitieboekje. Ook 's winters draafde hij iedere dag over de stadswallen, vaak tweemaal. Ik schrijf expres 'draafde', want hij liep altijd heel hard. Vrienden die met hem meeliepen, konden hem nauwelijks bijhouden. Ergens in de middag nam hij, meestal in een eethuis, een uitgebreide maaltijd, besproeid met veel wijn, vaak van niet al te beste kwaliteit. Zijn avondmaal bestond uit wat brood en soep of een restje van het middagmaal als hij dat thuis had gebruikt, in welk geval het waarschijnlijk was klaargemaakt door een ander, want van koken had hij niet het geringste verstand, hoewel hij eten toch wel belangrijk vond. De haute cuisine echter was aan hem niet besteed. De weinige keren dat hij voor zichzelf kookte, prefereerde hij macaroni met kaas. In de avond dronk hij soms bier. Bij het lezen placht hij nog wel eens een Goudse pijp te roken. Meestal ging hij vroeg naar bed, maar slapen was er dan nog lang niet bij, want hij las veel en vaak in bed. De boeken die in zijn nalatenschap werden aangetroffen, worden ontsierd door vlekken van kaarsvet. Hij had een hekel aan Wenen en trouwens ook aan alle andere steden. Hij hield daarentegen ontzettend veel van de natuur en daarin gedroeg hij zich bijna pathetisch, waarin hij overigens bepaald de enige niet was, want ook bij literatoren uit deze tijd, zoals Novalis, Thieck, Hölderlin, Hoffmann, Grimm en Schiller, treft men zulke uitingen aan. Beethoven schreef eens dat iedere boom voor hem 'heilig' was en hij vond het heerlijk buiten te componeren. In de winter opgesloten in de gehate stad voelde hij zich altijd een stuk slechter dan 's zomers in de buitenlucht. Zodra het mooi weer werd, verliet hij Wenen, als hij zich dit tenminste kon permitteren, en dan betrok hij een vakantieverblijf, dat meestal wel in de buurt van de stad was, zodat hij snel terug kon keren als dat nodig was.

Voor Beethoven was de kunst, en uiteraard vooral de muziek, een soort religie. Waarschijnlijk was het voor hem min of meer een vervanging van het katholieke geloof, waar hij, ondanks zijn vaste geloof in een almachtig opperwezen, niet veel gevoel voor had. Volgens oerbiograaf Schindler was Beethoven een deïst, maar op die zienswijze valt wel het een en ander af te dingen. Deïsten ontkennen zaken van bovennatuurlijke oorsprong en geloven ook niet in goddelijke hulp. Beethoven deed dat wel. In zijn dagboek smeekt hij God hem bij te staan en in te grijpen in zijn moeilijke leven. Soms kan men lezen dat Haydn gezegd zou hebben dat Beethoven een atheïst was, maar voor die ongegronde veronderstelling moet biograaf Marx de verantwoordelijkheid op zich nemen. Beethovens geloofsovertuiging was typisch die van een eclecticus, van een man die uit de diverse religieuze visies precies datgene oppikt wat hem het beste bevalt en soms was dat de christelijke leer, soms echter iets heel anders, zoals de Baghavad-Gita, waaruit hij stukjes overschreef in zijn dagboek, evenals uit Sturms indertijd zeer populaire, maar naar moderne maatstaven natuurwetenschappelijk onjuiste Betrachtungen über die Werke Gottes im Reiche der Natur und der Vorsehung auf Alle Tage des Jahres. Officieel is de katholiek gedoopte en opgevoede Beethoven zijn leven lang lid van de kerk gebleven, maar hij was dus bepaald geen toonbeeld van gehoorzame trouw aan de kerk. Hij was een spiritueel mens en hij geloofde in een persoonlijke god, die alom tegenwoordig was en die men om hulp en steun kon vragen, maar daarbij had hij blijkbaar geen behoefte aan bemiddelaars, zoals priesters. Beethovens immense verering voor de muziek doet in onze ogen wat overdreven en sentimenteel aan, zoals in de koorfantasie opus 80, waarvoor hij het pathetische gedicht op bestelling liet dichten. Hij was het hartelijk oneens met iedereen die zijn gevoel voor de muziek niet deelde en gedroeg zich daarin uitgesproken intolerant. Menige brief en persoonlijke aantekening getuigt van zijn gevoel een roeping te hebben. Hij schrijft over zijn heilige muze, die hij moet gehoorzamen, die hem influistert wat hij moet doen, en in een brief aan een schilder schrijft hij dat hij noten schrijft en de schilder schildert, opdat ze beiden, misschien, onsterfelijk zullen worden. Ter illustratie van zijn gevoelens leze men onderstaand citaat, het derde couplet van opus 80:

Wenn der Töne Zauber walten
und des Wortes Weihe spricht
muss sich Herrliches gestalten
Nacht und Stürme werden Licht

Over de beeldende kunsten heeft Beethoven zich nooit erg geuit. Gezien zijn sobere, vaak smakeloze interieur is het goed mogelijk dat hij er niet veel gevoel voor had. Misschien was hij niet zo visueel ingesteld. De weinige nieuwjaarskaartjes die van hem bewaard zijn gebleven, zijn ronduit verschrikkelijk, tenminste in mijn moderne ogen: blozende, vette engeltjes met vleugeltjes en een harpje. (Ik veronderstel dat zulke kaartjes in die tijd gebruikelijk waren.) Toegegeven moet worden dat Beethoven wel een zeer helder oog voor vrouwelijk schoon had, gezien het uiterlijk van de vrouwen die hij begeerde. Maar dat zegt niet veel over zijn gevoel voor de beeldende kunst, meer over zijn erotiek.

In tegenstelling tot zijn betrekkelijke desinteresse in de beeldende kunst had hij een grote passie voor het geschreven woord en hij was zeer geïnteresseerd in de vorderingen van wetenschap en techniek. Als zoveel Europeanen deed hij mee aan de luchtballonrage en hij reisde vele kilometers om een demonstratie bij te wonen. Uitvindingen waarover hij iets vernam, werden door hem ijverig bestudeerd, hij kocht boeken over natuurwetenschappelijke onderwerpen en vroeg gestudeerde vrienden om informatie over zaken als het galvanisme en het mesmerisme. In zijn enthousiaste naïviteit liet hij zich ook wel eens wat op de mouw spelden, zoals het verhaal dat er een lamp voor de blinden zou zijn uitgevonden. Toen hij om details vroeg, werd het hem duidelijk dat degene die het hem had verteld, hem voor de gek had uitgehouden en de vriendschap bekoelde.

Een boeiende vraag: hoe democratisch was de volwassen Beethoven, die als adolescent  zo revolutionair was geweest? Een beetje. In mijn moderne ogen te weinig, want hij was in het geheel niet gekant tegen standsverschillen. Op diverse plaatsen in zijn brieven en de conversatieboekjes uitte hij zijn minachting voor het gewone volk en hij vond dat de 'betere' mensen van het 'plebs' gescheiden dienden te blijven. Dat hield bij hem in dat die 'beteren' iets moesten hebben bereikt en iets voor de medemens moesten betekenen. Deze personen zouden de leiders en leraren van het volk moeten zijn. Beethoven wees standsverschil door geboorte zonder meer af. Maar socialistische of communistische gevoelens zijn bij hem ver te zoeken. Men zou kunnen zeggen dat hij een min of meer liberaal standpunt onderschreef. Barry Cooper slaat in zijn compendium (zie de bibliografie) de spijker op de kop met de slotzin van zijn hoofdstuk over Beethoven en de politiek: '...dat Beethoven de gedachte van de vrijheid van ganser harte steunde, die van de gelijkheid in het geheel niet en die van de broederschap tot op zekere hoogte'.

Misschien had Beethoven een beter inzicht in de politiek gehad als hij iets had begrepen van economie, maar dat was voor hem een volstrekt duister terrein. Hij was niet eens in staat zijn eigen huishouden economisch te bestieren, laat staan dat hij iets snapte van grootschaliger economie. Hij heeft er dan ook wijselijk nooit wat over gezegd (voor zover we weten uiteraard). Hoogstens klaagde hij over de gestegen prijzen, maar hij waagde zich niet aan een mening over de oorzaak. Hij had altijd veel geld nodig, maar om de een of andere reden deed hij er weinig mee en hij heeft nooit in echte luxe geleefd. Integendeel, zijn leefstijl was uitgesproken sober. Men vraagt zich dan ook af wat hij zoal deed met zijn meestal zeer respectabele inkomsten. Ries schreef over zijn leermeester: Beethoven brauchte viel Geld, obschon er wenig Gutes oder Ordentliches dafür genoss; denn er lebte sehr einfach en jeugdvriend Wegeler voegde eraan toe: Beethoven... kannte nicht den Werth des Geldes und war dabei nichts weniger, als ökonomisch. Ook in andere opzichten kon Beethoven erg wereldvreemd zijn. Toen hij in 1804 een appartement in het schitterende Pasqualatihuis betrok, waar hij voor zijn doen lang woonde (met onderbrekingen tot 1815), was hij zeer gecharmeerd van het prachtige uitzicht, maar, helaas, helaas, slechts op het noorden, terwijl hij toch ook zo graag naar het zuiden, richting Prater, had gekeken. Dus liet hij een timmerman opdraven en verzocht de man een gat in de muur te slaan en er een raam in te maken. Zonder enige overleg met de huisbaas. Zoals wel te verwachten was, stak deze er een stokje voor. En Beethoven? Die werd boos.


Levensloop
Veel is geschreven over Beethovens gecompliceerde gevoelens voor en gedrag met betrekking tot Napoleon. Terecht, want het is een intrigerende zaak. Voor wat ik erover schrijf, heb ik me voornamelijk gebaseerd op een aantal boeken den artikelen die de materie min of meer diepgaand bespreken. Ik noem onder andere: Pichler (hoofdstuk Die Vielen in dem Einzigen), Solomon (hoofdstuk Bonaparte: 'The Crisis of Belief' uit zijn biografie), Dahlhaus, (hoofdstuk Intitulata Bonaparte), Volek en Macek (Beethoven und Fürst Lobkowitz, een essay in Beethoven und Böhmen), Sipe's boeiende boekje, dat van Floros en het doorwrochte boekwerk van Geck en Schleuning, allemaal geheel gewijd aan de ontstaansgeschiedenis van de Eroica, benevens de publicatie van Brauneis, getiteld …composta per festeggiare il sovvenire di un grand Uomo. (Zie voor al deze auteurs de bibliografie) Wat heeft deze studie mij zoal geleerd? Dat Beethoven zijn leven lang met de Franse keizer overhoop heeft gelegen. Men bestudere mijn reconstructie. In 1796 schreef Beethoven een lofzang op het Duitse volk, voorzien van de voor ons wat onsmakelijke titel Ein grosses deutsches Volk sind wir. Alvorens nu vol afkeer het hoofd af te wenden, dient men zich te realiseren dat de keizer toen eiste dat alle in Oostenrijk wonende buitenlanders op de een of andere manier openlijk hun aanhankelijkheid zouden tonen, opdat er niet getwijfeld zou hoeven worden aan hun liefde voor Oostenrijk. Beethoven, nog maar aan het begin van zijn carrière, koos er blijkbaar voor zich opportunistisch op te stellen, wat wel begrijpelijk en vergeeflijk is. Ook kan een innerlijk conflict tussen patriottisme (tenslotte was Oostenrijk zijn nieuwe vaderland en in 1796 was het land met Frankrijk in oorlog) en revolutionaire sympathieën mee hebben gespeeld bij zijn besluit dat lied te componeren. Men kan soms lezen dat hij het lied in uniform zou hebben gedirigeerd, hetgeen wel erg onsmakelijk zou zijn geweest. De deskundigen zijn het hierover oneens. Sommigen houden het staande, anderen denken dat het ordinaire roddel is. In 1802 wees Beethoven de opdracht van een uitgever af een ode in de vorm van een sonate op de Franse revolutie te componeren, wat doet vermoeden dat hij in die tijd toch niet zo erg pro-Frans was (wel pro-revolutie, want dat is hij zijn hele leven toch wel gebleven). In een brief aan de uitgever staat: Reit Euch den Teufel insgesamt meine Herren - mir vorschlagen, eine solche Sonate zu machen? - ... jetzt, da sich alles wieder ins akte Geleis zu schieben sucht, Bonaparte mit dem Papste das Konkordat geschlossen - ... eine solche Sonate zu diesen neu angehenden christlichen Zeiten -hoho! In 1803 componeerde hij zijn derde symfonie en dat hij daarbij had gedacht aan diezelfde een jaar eerder nog zo bekritiseerde Bonaparte, is onmiskenbaar, zoals dadelijk nog zal blijken. Toch besloot hij zijn publieke concert van 1803 met variaties over Haydns Gott erhalte Franz den Kaiser en hij droeg zijn beroemde septet op aan de keizerin. De derde symfonie was nog niet in druk verschenen toen hij vernam van Bonapartes besluit zich tot keizer te laten kronen. Ries bracht hem het grote nieuws, helaas zonder vermelding van de exacte datum (gewoonlijk veronderstelt men de maand mei op grond van de officiële bekendmaking). Zijn getuigenis meldt dat Beethoven verbleekte, naar zijn schrijftafel stormde, het manuscript van de symfonie greep, het titelblad eraf rukte, verfrommelde, op de grond smeet en uitriep dat hij (Bonaparte dus) 'blijkbaar' dus toch 'maar' een gewoon mens was, dat hij zou uitgroeien tot een dictator en dat hij de rechten van de mens ongetwijfeld zou vertrappen. Zeker kreeg Beethoven in dat laatste gelijk. Maar ja, voor het overige is de hele geschiedenis op z'n minst hoogst merkwaardig. Hij had de symfonie, blijkens dat vernielde titelblad, inderdaad willen opdragen aan Bonaparte, maar op een kopie van het manuscript (het oorspronkelijke manuscript is spoorloos verdwenen) kraste hij Bonapartes naam zo hevig uit dat er een gat in het papier ontstond. Echter, met potlood schreef hij er opnieuw 'Bonaparte' boven! Volgens een brief van Ries, gedateerd 11 december 1803, had Beethoven plannen om voor langere tijd en misschien wel voor altijd naar Parijs te gaan en om deze reden wilde hij de derde symfonie niet verkopen. Kennelijk wilde hij het stuk als verrassing bewaren voor zijn publiek in Parijs. Maar we kunnen wel uitsluiten dat Beethoven van Bonaparte geld voor een eventuele opdracht van de symfonie aan hem zou hebben gekregen, want deze revolutionaire muziek interesseerde de aanstaande keizer, die een nogal conventionele muzikale smaak had, absoluut niet, terwijl daarentegen mecenas Lobkowitz (zie een eindje verderop in dit hoofdstuk een portret van hem), een oprechte patriot die uit eigen middelen een legertje op de been bracht om Bonaparte te bestrijden, een indrukwekkend bedrag over had voor de opdracht (400 fl.C.M. = ongeveer 8800 euro) en het privégebruik van de symfonie voor de duur van een half jaar, wat toen een niet ongebruikelijke praktijk was. In augustus 1804, toen Bonaparte nog niet was gekroond, maar het nieuws wel bekend was geworden door heel Europa, schreef Beethoven aan een uitgever dat de symfonie 'eigenlijk' Bonaparte heette, maar hij repte met geen woord meer over een reis naar Parijs. Had hij besloten niet te gaan? Hier is de documentatie enigszins tegenstrijdig. Zijn eigen brieven doen vermoeden dat hij de plannen terzijde had geschoven, Echter, in een brief van november 1804 van een kennis van hem, Charlotte Brunswick, schrijvend aan haar goed met Beethoven bevriende broer Franz, die op dat moment in Parijs was, schrijft de zuster aan de broer dat Beethoven hem binnenkort zal schrijven. Reden: 'hij hoopt het komende voorjaar naar Parijs te gaan'. Men krijgt de indruk dat Beethoven als zo vaak weer eens besluiteloos was of, om welke reden dan ook, de reis had moeten uitstellen, welk uitstel uiteindelijk afstel werd. Gesteld dat hij op het moment dat Ries hem het nieuws bracht van Bonapartes besluit zich tot keizer te laten kronen, eigenlijk al zijn twijfels had over (de mogelijkheid) van een reis of verhuizing naar Parijs, dan komt dat fraaie, menslievende, bijna heroïsche gebaar toch in een heel wat minder fraai daglicht te staan. Dan lijkt het meer op ordinair opportunisme. De symfonie had moeten dienen als smeermiddel bij die reis, maar als die reis op losse schroeven was komen te staan, was het een stuk voordeliger om Lobkowitz tevreden te stellen. Toen de symfonie in 1806 dan toch in druk verscheen, bleek het stuk te zijn herdoopt in Eroïca, ondertitel 'Om de nagedachtenis aan een groot man te eren'. Ongetwijfeld zou Beethoven zich politiek onmogelijk zou hebben gemaakt als hij was teruggekeerd naar de oorspronkelijke opdracht, want in 1805 werd Wenen door de Fransen bezet. Het stuk werd inderdaad voor geld aan Lobkowitz opgedragen, die er een hommage aan de populaire Pruisische prins Louis Ferdinand in wenste te zien. Toen Beethoven in 1806 hoorde over de slag bij Jena, die een grote overwinning voor Napoleon was, stond hij geheel aan de kant van de Pruisen en hij zei (volgens zijn vriend Krumpholz, die hem over de verloren slag vertelde): Schade, dass ich die Kriegskunst nicht so verstehe wie die Tonkunst, ich würde ihn doch besiegen! Toch was hij in 1808 niet vies van een aanbod van Napoleons broer Jérôme om, tegen betaling van een aangenaam salaris, in zijn dienst te treden. Sterker nog, in 1809, toen Wenen opnieuw werd bezet door de Fransen, kreeg hij bezoek van een Franse baron, met wie hij de mogelijkheid besprak van een reis naar Frankrijk. Hij vroeg zich af of Napoleon hem zou willen ontvangen. Het schijnt dat zijn vrienden verbijsterd waren toen ze hoorden over zijn gesprekken met de baron. Nóg sterker: dit verhinderde hem niet om later in het jaar in een brief te schrijven dat het zijn 'vurige wens' was dienst te nemen in keizer Franz' leger en volgens Rust, die een blauwe maandag zijn pianoleerling was, herhaalde hij in hetzelfde jaar zijn opmerking dat hij het jammer vond niet genoeg te begrijpen van de krijgskunst, want dan had hij de Fransen nog iets te doen gegeven. En, nog altijd volgens Rust, Beethoven schudde zijn vuist in de richting van een net passerende Franse officier. Schier ongelooflijk, want het wordt zelfs nóg sterker: conform een brief van zijn eigen hand overwoog hij in 1810 een muziekstuk op te dragen aan Napoleons broer Louis, ongetwijfeld hopend op een goede betaling. Geheel hierbij passend (of juist niet?) is het feit dat hij, toen hij in 1821 het bericht van Napoleons dood vernam, zei dat hij de passende muziek hiervoor al heel lang geleden had geschreven. Bedoelde hij de treurmars uit de Eroïca? Zo ja, was zijn opmerking dan sarcastisch bedoeld of juist niet? Carl CzernyIn 1824 bekende hij aan zijn al enkele malen vermelde leerling, vriend en collega Czerny (zie hiernaast zijn portret) dat hij 'vroeger' een grote hekel aan de dictator had gehad, maar dat hij hem nu veel beter begreep, terwijl hij toch in een mij onbekend jaar beweerde dat hij zich in Napoleon, die Scheisskerl, had vergist. Solomon schrijft dat het jammer is dat we voor zulke ontzettend complexe en tegenstrijdige gevoelens slechts het wat afgesleten, tamme woord 'ambivalent' hebben. Inderdaad! De deskundigen kunnen het zelfs niet met zichzelf eens worden, laat staan met hun collega's. Zo vermoedt Solomon dat achter de hierboven reeds vermelde pro-Oostenrijkse composities (WoO.121 en 122) wraakgevoelens schuil zouden zijn gegaan omdat de Fransen Beethovens geliefde Rijnland hadden bezet. De onvolprezen onderzoeker Goldschmidt daarentegen meent dat Beethoven 'onzeker' zou zijn geweest in politieke zaken en Schleuning denkt dat angst Beethoven deed besluiten zijn carrière veilig te stellen met de composities van die liederen, zoals ik ook al suggereerde. Bij erg hoogdravende musicologen treft men nog wel eens de veronderstelling aan dat Beethoven gehoopt zou hebben dat Napoleon de staat conform Plato zou verwezenlijken. Deze mensen zien blijkbaar over het hoofd dat het wel erg onwaarschijnlijk is dat Beethoven, die toch bepaald geen klassieke opvoeding had genoten, deze zeer moeilijke verhandeling van de Griekse filosoof zou hebben gekend. Ondanks de vele woorden van dit overzicht zijn we nog niet klaar met dit complexe probleem en ik zal er nogmaals op terug moeten komen bij de bespreking van de derde symfonie. Voorlopig houd ik het even op Goldschmidts intrigerende woorden: als Napoleon die keizerskroon niet op zijn hoofd had gezet, zou Beethoven waarschijnlijk naar Parijs zijn verhuisd. Wie weet... En Dennis schrijft niet ten onrechte dat Beethoven in politieke zaken zijn hele leven 'in de war' is geweest. Inderdaad.

Beethoven door Mähler (1804)Ook in andere opzichten was 1804 een belangrijk jaar voor Beethoven (zie hiernaast een geïdealiseerd portret uit dit jaar). Zijn oude liefde, Josephine Deym-Brunswick (zie de afbeelding hieronder, waarover echter geen zekerheid is, zoals ik al vermeldde), die zwanger was van haar vierde kind, werd in januari weduwe en dat greep haar vreselijk aan. Ze tobde lange tijd met wat in volkstaal een 'zenuwinstorting' heet en door medici wel wordt aangeduid met termen als een 'verstoord rouwproces' of 'exogene depressie'. Beethoven hield netjes een tijdje afstand, maar nadat hij in de zomervakantie was bezocht door Josephine en haar zuster Charlotte, begon hij haar weer te bezoeken. Steeds inniger werd het contact tussen hem en Josephine en in het voorjaar van 1805 kwam het tot een voorzichtige, schriftelijke liefdesverklaring zijnerzijds, die gevolgd werd door een hele reeks liefdesbrieven, die door haar geheel of gedeeltelijk werden bewaard. In de muziek had dit zijn weerslag: de compositie van Fidelio, zijn enige opera, die overigens eerst Leonore heette en op aandringen van de opdrachtgever en zeer tegen de zin van de componist, werd herdoopt, omdat de opdrachtgever verwisseling vreesde met een andere opera met dezelfde naam. Stapels libretti had Beethoven afgewezen, maar deze lofzang op de trouwe, sterke echtgenote, deze knieval voor de ideale vrouw deed hem naar de pen grijpen. Ongetwijfeld was Leonore een symbool voor Josephine. Deze lijkt Beethovens gevoelens wel enigszins te hebben beantwoord, maar ze waagde het er toch niet op. Het lijkt erop dat niet alleen een zeker gebrek aan vertrouwen in Beethoven als echtgenoot en stiefvader voor vier kleine kinderen hieraan ten grondslag lag, maar ook weerzin van haar familie tegen hem als haar echtgenoot, mogelijk omdat hij niet van adel was en naar hun dure smaak te weinig geld had. De Brunswickse weerzin is wat hypocriet, want ondertussen waren ze allemaal uitgesproken innig met Beethoven bevriend, allemaal, Josephines zusters Therese en Charlotte en -vooral- hun broer Franz (zie hieronder afbeeldingen), welke laatste zelfs levenslang met hem bevriend zou blijven. Maar de niet-adellijke Beethoven hun zuster gunnen, nou neen, dat toch maar liever niet. Beethoven kennende moet ik ze toch eigenlijk wel beetje gelijk geven, hoewel hun houding arrogant en allesbehalve sympathiek was. Beethoven kon componeren wat hij wilde, hij verloor Josephine. Dapper probeerde ze platonisch bevriend met hem te blijven, maar dat lukte niet. Haar laatste brief, waarschijnlijk halverwege 1809 geschreven, is voorzichtig, belangstellend en de vriendschap (maar niet meer dan dat) benadrukkend. Zijn antwoord is koel, gekrenkt en vol zelfmedelijden. Het lijkt er veel op dat ze het er niet meer op waagde nog eens te schrijven. Ze verbleef op dat moment in Hongarije, in gezelschap van haar zuster Therese, haar beide zonen en een Estlandse baron, Stackelberg geheten, met wie ze in Zwitserland had kennis gemaakt. In het vroege voorjaar van 1810 keerde ze terug naar Wenen, gehuwd met de baron, die ze in Hongarije al voor de bruiloft een dochter had geschonken. In Wenen werd er nog een dochter geboren. Ondanks de breuk met Josephine koesterde Beethoven zijn vriendschappelijke relatie met haar broer Franz zorgvuldig, terwijl hij vanaf 1810 ook weer contact met Therese zocht, zij het slechts schriftelijk. Hij bedacht broer en zus met enkele muzikale opdrachten.

Therese Brunswick Charlotte Brunswick

Franz Brunswick

Therese Brunswick als jonge vrouw

Charlotte Brunswick op middelbare leeftijd

Josephine Brunswick als jonge vrouw?

Hoe was het ondertussen Beethovens familie in Wenen vergaan? Gedurende enkele jaren was Carl zijn broers 'manager' en secretaris en dat ging zelfs zo ver dat de broers enige tijd samenwoonden in het Theater an der Wien, waar Ludwig een appartement had gekregen voor de tijd dat hij aan zijn opera (een opdracht van de directeur van het theater) componeerde. Maar het ging niet zo goed tussen de broers. Dat ging het eigenlijk nooit. Ludwig was niet in staat zijn broers te beschouwen als volwassen mensen. Ongetwijfeld had dat zijn oorzaak in de tijd dat hij, zelf nog niet eens volwassen, de verantwoordelijkheid voor zowel zijn broers, zijn baby-zusje als zijn zielige vader moest dragen. Hij kon het niet aanvaarden dat de tijd inmiddels toch heus was gekomen om zich niet meer met zijn broers te bemoeien. Toen Carl wenste te trouwen, ontstak Ludwig in razernij, want hij meende dat Johanna Reiss niet veel zaaks was. Zijn bezwaren tegen haar hadden op dat moment nog niet veel om het lijf. Ze was een aantrekkelijke jongedame, zegt men (er bestaan helaas geen afbeeldingen van haar). Zeker, ze was niet van goede familie, ze was 'slechts' de dochter van een behanger, maar wat deed dat er toe? Zeker, ze was zwanger, maar wie was de vader? Inderdaad, Carl. Deze trok zich dan ook niets aan van Ludwigs bezwaren en trouwde in mei 1806 zijn Johanna. In september werd een zoon geboren, die ze ook Karl noemden.6 Ludwig schijnt het nieuwbakken echtpaar een hele tijd angstvallig te hebben gemeden. Toen kreeg hij ook problemen met zijn andere broer  In 1807 wilde Johann, die met succes farmacie had gestudeerd, een apotheek in Linz kopen en hij had daarvoor geld nodig. Ooit had hij zijn oudste broer een flink bedrag geleend en dat vroeg hij nu terug. Maar het kwam Ludwig slecht uit en hij weigerde het op korte termijn terug te geven. De broers gingen met ruzie uit elkaar en Johann vertrok naar Linz, alwaar hij langzaam rijk werd. Hij was een talentvolle zakenman, maar geen erg fraaie. De mare gaat dat hij 'sjoemelde' met z'n medicijnen. Ook schijnt hij veel geld te hebben verdiend aan het leveren van medicijnen aan het leger. Let wel, niet alleen het Oostenrijkse, maar ook het Franse leger, de vijand dus. Carl ging het beduidend minder voor de wind. Men weet hoe het gaat als ambtenaar: genoeg om van te leven, te weinig om ook leuk te kunnen leven. En Carls huwelijk was helaas bepaald geen succes. De echtelieden hadden vaak ruzie en bij één van die ruzies schijnt hij zijn vrouw met een mes in haar hand te hebben gestoken. Onverkwikkelijk was ook het feit dat hij haar bij de politie aangaf toen hem duidelijk was geworden dat ze enorme schulden had gemaakt die ze niet terug wilde betalen. Ze werd uiteindelijk veroordeeld tot een maand gevangenisstraf (eerst tot maar liefst een jaar!), maar de nodige smeekschriften van Carl aan de rechter en zelfs aan de keizer hadden tot gevolg dat ze maar heel kort in de cel heeft gezeten. Met hun zoontje ging het ondertussen wel goed, hij groeide voorspoedig op en het was een mooi, gezond, intelligent kind. Met Carls gezondheid daarentegen ging het in rap tempo bergafwaarts. Het is niet precies bekend wanneer zijn fatale tuberculose zich openbaarde. In ieder geval kreeg hij op een bepaald moment een soort ziekengeld, omdat hij te ziek was om te werken. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en na een tijdje werden de contacten tussen Ludwig en Carl toch weer voorzichtig hersteld. Opnieuw trad Carl op als Ludwigs manager. Het heeft er echter veel van weg dat het contact vrijwel uitsluitend schriftelijk was of dat Carl slechts bij Ludwig over de vloer kwam, want er is niets bekend van enige vorm van contact tussen Ludwig en zijn verafschuwde schoonzuster en haar jonge zoontje. Slechts op één moment schijnt hij zijn weerzin te hebben overwonnen, toen in 1809 de Fransen Wenen beschoten en hij naar Carl zou zijn gevlucht, omdat deze een huis met een kelder bezat, waar hij enige dagen in zou hebben doorgebracht.

Nadat Beethoven zich in de periode 1805/8 al zo had geërgerd aan het huwelijk van zijn ene broer en de verhuizing van zijn andere, terwijl hij zich tevergeefs het vuur uit de sloffen had gelopen voor Josephine, kreeg hij ook nog ruzie met Lichnowsky, zijn oudste mecenas in Wenen. In 1806 logeerde hij bij hem op zijn landgoed Grätz bij Troppau (tegenwoordig Hradec nad Moravici bij Opava in Tsjechië). Lichnowsky had visite, Franse visite. Hij wilde dat Beethoven wat zou spelen, maar deze weigerde. Lichnowsky drong aan, wilde zijn gast dwingen en volgens het verhaal kwam het tot een bijzonder onsmakelijke scène waarbij het zelfs tot geweld schijnt te zijn gekomen en Beethoven, naar men zegt, zijn mecenas met een stoel zou hebben bedreigd. Hij vertrok te voet in de gietende regen, volgens de overlevering (maar kunnen we die geloven?) met watervlekken op het manuscript van de Appassionata tot gevolg, schijnt bij thuiskomst in Wenen (of later?) zijn borstbeelden van het echtpaar Lichnowsky (of alleen dat van de prins?) aan gruzelementen te hebben gegooid en hem als volgt te hebben geschreven: Fürst! Was Sie sind, sind Sie durch Zufall und Geburt, was ich bin, bin ich durch mich. Fürsten hat es und wird es noch Tausende geben, Beethoven gibt es nur einen. Zoals zo vaak spreken de getuigenissen over de exacte gang van zaken elkaar tegen. Maar het is wel zeker dat er een conflict was tussen Lichnowsky, een vrijgevige, maar arrogante edelman die nog met één been in de achttiende eeuw stond, en Beethoven, een niet minder arrogante kunstenaar die zijn burgerlijke vrijheid moeizaam had bevochten. Ondanks Beethovens even trotse als beledigende woorden sloten mecenas en protégé weer vrede, hoewel de relatie wel flink was bekoeld. Menige biograaf heeft zijn twijfels geuit over zowel die kapotte bustes, die vlekkerige autograaf als die kwetsende woorden, maar het veronderstelde briefje is tegenwoordig toch wel opgenomen in de verzamelde brieven (uitgegeven in 1997) en aldaar gedateerd op oktober 1806. Het lijkt er veel op dat de aangelegenheid tot gevolg had dat Lichnowsky zijn toelage aan Beethoven introk, hoewel sommige deskundigen ook dit betwijfelen, terwijl anderen denken dat al vanaf 1803 Lichnowsky niets meer had betaald, mede als gevolg van zijn eigen financiële problemen in dat jaar, waarin de inflatie enorm was, zodat al vanaf dit jaar ook Beethovens inkomen danig slonk. Ondanks dit alles schijnt kwam de prins geregeld langs bij zijn ex-protégé (dixit Schindler), die hem soms wel ontving, maar andere keren met een stalen gezicht de deur sloot voor zijn ex-mecenas. Maar Lichnowsky bleef het proberen. Ik vind dit heel vreemd. Had Lichnowsky dan geen enkel eergevoel? Of moeten we de onbetrouwbare Schindler weer eens met een korrel zout nemen? Deze kan het verhaal slechts uit de tweede hand hebben, want Lichnowsky stierf in 1814 en toen was Schindler nog lang niet in zicht in Beethovens leven. Ondertussen had het wegvallen van Lichnowsky's toelage (vooropgesteld dat dit inderdaad had plaatsgegrepen) tot gevolg dat Beethoven erg krap kwam te zitten. En in 1806 was hij al dermate doof geworden dat hij het er niet vaak meer op waagde om in het openbaar piano te spelen, zodat hij uitsluitend van zijn composities moest leven. Dat viel niet mee. Hij was wel gedwongen eindelijk openheid van zaken te geven wat betreft zijn doofheid en in 1808 besloot hij niet langer in het openbaar op te treden als pianist, nadat hij hierover vreselijk met zichzelf overhoop had gelegen, want uit 1806 dateert een persoonlijke aantekening, geplaatst op een schets voor één der kwartetten opus 59, waarin hij zichzelf aanspoort niet langer geheimzinnig te doen over zijn doofheid. Helaas vergat hij het verstandige besluit niet meer in het openbaar op te treden nog wel eens, zoals in 1814, toen hij zelf de pianopartij van zijn Erzherzogtrio probeerde te spelen en daarmee de toehoorders met gêne en medelijden vervulde. In 1807 ondernam hij een poging een betaalde baan te vinden bij de k.k.Hoftheaterdirektion, maar dit mislukte, misschien mede als gevolg van het exorbitante salaris dat hij vroeg (het dubbele van dat van Salieri als Hofkapellmeister). Ook in een ander opzicht was zijn sollicitatie onrealistisch: want hij, die zo geworsteld had met zijn enige opera, beloofde ieder jaar (!) een opera te schrijven. Zijn sollicitatie werd afgewezen. Op 22 december 1808 gaf hij het grootste concert ten eigen bate (het duurste concert dat in deze periode van de muziekgeschiedenis werd gegeven!) dat hem tijdens zijn leven te beurt zou vallen en als we de getuigenissen mogen geloven was het een bijkans surrealistische gebeurtenis, mede ten gevolge van het feit dat het streng vroor en de concertzaal nauwelijks was verwarmd. Het programma vermeldt een aantal composities die de hedendaagse concertbezoeker ook in een comfortabel verwarmde zaal niet zou accepteren vanwege de zwaarte en de lengte. Kennelijk was men in 1808 in Wenen voor geen kleintje vervaard als het om muziek ging. Toch werd het een teleurstelling, want de uitvoering liet te wensen over (de koorfantasie moest worden afgebroken en opnieuw begonnen) en als gevolg van het feit dat elders een ander belangrijk concert plaatsgreep, was de zaal half leeg. Het leverde Beethoven weinig geld op.

Marie ErdödyEn toen hielp het lot hem een beetje: hij kreeg dat aanbod van Napoleons broer Jérôme, waaraan ik al refereerde. Jérôme was door zijn broer tot koning van Westfalen gebombardeerd en wenste zich een eigen hofmusicus. Beethoven leek hem wel een geschikte kandidaat en hij deed een uitstekend aanbod. De componist gedroeg zich alsof hij het wilde accepteren en toen kreeg de Weense adel het toch een beetje benauwd. Wat konden ze doen om hem voor Wenen te behouden? Ze staken de koppen bij elkaar en besloten hem een toelage te geven. Er werd een contract opgesteld en hij kreeg een zeer behoorlijk jaargeld (ongeveer tweemaal modaal), waarvoor hij niets anders hoefde te doen dan in Wenen leven en werken. Voor het overige werd hij nergens toe verplicht, voorwaar een vorstelijk aanbod. Initiatiefneemster was Beethovens goede vriendin Marie Erdödy, (zie hiernaast haar portret) een van haar man gescheiden levende gravin die samenwoonde met haar kinderen en enkele personeelsleden, waaronder ene Brauchle, een musicus die behalve haar ondergeschikte misschien tevens haar minnaar was en met wie Beethoven min of meer bevriend raakte. Ze werd hierbij dapper geholpen door Beethovens al ter sprake gebrachte vriend Gleichenstein (zie hieronder zijn portret) Drie mecenassen zetten op 1 maart 1809 hun handtekening onder het contract met de componist: de reeds vermelde Lobkowitz, Kinsky en Rudolph von Habsburg (zie hieronder hun portretten). Laatstgenoemde, de jongste broer van keizer Franz, was Beethovens pianoleerling en hij op het hier afgebeelde portret de kleding van een aartsbisschop, welke functie hij enige jaren zou gaan vervullen en ter ere waarvan Beethoven de Missa Solemnis schreef. Rudolph vereerde zijn leermeester enorm en de componist was altijd erg beleefd en aardig tegen zijn hooggeplaatste leerling, hoewel hij achter zijn rug om nog wel eens minder prettige dingen over hem zei. In de loop der jaren kreeg Rudolph menige muzikale opdracht, vast en zeker vanwege het bedrag dat er tegenover stond.

Ignaz Gleichenstein

Rudolph von Habsburg Kinsky Joseph Lobkowitz

Ignaz Gleichenstein

Rudolph von Habsburg

Ferdinand Kinsky

Joseph Lobkowitz

Helaas voor Beethoven had hij maar kort profijt van het contract van 1809, want in 1810 en 1811 zorgden de geldontwaardingen voor een gigantische devaluatie van het alleszins respectabele bedrag. Hij had de pech voor een groot deel afhankelijk te zijn van een vast inkomen en dat brak hem op. Men zou kunnen stellen dat zijn toelage eerst ruimschoots 'bovenmodaal' was geweest, maar in 1811 zakte tot 'bijstandsniveau' en in de jaren 1816 en 1817 zelfs onder dat niveau lag. De inflatie was in de periode van Napoleons expansie voor iedere Wener een ramp. Uiteraard moet het ook Beethoven zeer zwaar zijn gevallen onder deze omstandigheden de eindjes aan elkaar te knopen. Het bracht hem in de verleiding niet altijd even eerlijk te zijn, zoals wordt bewezen door zijn belastingsaangiftes. Hij verzweeg een flink deel van zijn inkomsten en op een bepaald moment in later jaren begon dat eindelijk ook tot de inspecteur door te dringen. Die liet hem op het matje komen. De zaak lijkt echter met een sisser te zijn afgelopen. In september 1811 kwam Lobkowitz, net als de meeste adellijke personen in Oostenrijk, in ernstige financiële problemen en hij werd enige tijd onder curatele gesteld, gedurende welke periode Beethoven dit gedeelte van de toelage niet kreeg. Hij toonde niet het geringste begrip voor de moeilijke situatie van zijn mecenas en stapte maar weer eens naar de rechter. Hij kreeg gelijk en ontving zijn geld, zij het pas in 1815 toen Lobkowitz weer de beschikking had over zijn kapitaal. Deze voelde zich dusdanig gekrenkt dat hij geen persoonlijke relatie met Beethoven meer wilde. De componist kreeg spijt van zijn harde opstelling en trachtte zijn mecenas te vermurwen. Uit Lobkowitz' correspondentie blijkt dat hij nog steeds zeer veel bewondering voor zijn protégé had en geen enkele poging deed zich te onttrekken aan zijn verplichtingen, maar van vriendschap lijkt geen sprake meer te zijn geweest gedurende de korte periode dat Lobkowitz nog zou leven (hij stierf in 1816, niet in Wenen overigens, want hij had de stad al in 1814 moeten verlaten). Tot overmaat van ramp stierf in november 1812 Kinsky, de tweede ondertekenaar van het contract van 1809, en de weduwe, die niet zoveel om muziek gaf, wilde haar gedeelte van de toelage niet doorbetalen. Rudolph schoot te hulp en verhoogde zijn toelage tijdelijk. Hij bleek een trouwe, stipte betaler, in tegenstelling tot de families Kinsky en Lobkowitz, want in de jaren 1809, 1813 en 1814 betaalden de Kinsky's niets en in de jaren 1812, 1813 en 1815 bleef de familie Lobkowitz in gebreke. Rudolph daarentegen kwam zijn verplichtingen altijd keurig na. In 1813 stapte Beethoven opnieuw naar de rechter, maar pas in 1815 kreeg hij zijn gelijk wat betreft de toelage van Kinsky, waarbij hij trouwens wel genoegen moest nemen met een compromis. Gemiddeld gesproken heeft hij in de loop der jaren (van 1809 tot en met 1827) 69% van de in 1809 toegezegde toelage ontvangen, waarbij hij in sommige jaren slechts ruim 30% ontving, in andere jaren daarentegen meer dan 100% als achterstallige betalingen binnen druppelden. Bekijken we zijn toelage in verhouding tot de inflatie, dan blijkt het totale tussen 1809 en 1827 uitbetaalde bedrag slechts 63% te dekken van de oorspronkelijke, door de gevers voorziene koopkracht. Men bedenke dat de toelage niet was geïndexeerd, terwijl de inflatie schier ongelooflijk was. In de voor Beethoven persoonlijk zeer moeilijke jaren 1813/15 verdiende hij weliswaar heel goed aan zijn gelegenheidsmuziek (de gulle gaven van de Tsarina hebben hierbij waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld), maar dit hielp hem nauwelijks, omdat hij, bang geworden door de hyperinflaties van 1810/12 en daarop volgende rampen, het geld lijkt te hebben bewaard en in 1819 te hebben omgezet in aandelen. Het is maar een kleinigheid, maar toch toont het de penibele situatie van de Oostenrijkse bevolking in het algemeen en Beethoven in het bijzonder goed aan: in 1810 waren de koffieprijzen zo ontzettend gestegen dat de keizer de verkoop van koffie simpelweg verbood. Pas in 1813 kwam er een einde aan dit verbod. Arme Beethoven, die zo dol was op koffie en iedere werkdag begon met een straffe bak! Het is hier de plaats om nog eens stil te staan bij die andere belangrijke bron van inkomsten voor Beethoven: zijn uitgevers. Zelfbewust als hij was, vroeg hij vanaf de uitgave van zijn eerste opus (zeer) hoge bedragen en meestal kreeg hij zijn zin, zodat het eigenlijk geen wonder is dat hij in 1819 die aandelen kon kopen. Ik vermoed dat het geld voor die aandelen niet alleen uit de verdiensten van 1813/15 afkomstig was, maar ook uit spaartegoeden uit vroeger jaren. Toegegeven, dit is speculatie. Zekerheid over de manier waarop hij zijn kapitaal vergaarde, hebben we nog steeds niet. Zie hieronder een boeiend voorbeeld van een indrukwekkend bedrag dat Beethoven voor een reeks composities ontving (mijn voornaamste bronnen aangaande Beethovens financiële reilen en zeilen zijn Kämpkens beide publicaties en de studies van Moore, allemaal te vinden in de bibliografie). Voor de belangrijke opp.58-62 (vierde pianoconcert, Razumovskykwartetten, vierde symfonie, vioolconcert, ouverture Coriolan, uitgegeven rond 1806/7) ontving Beethoven 1600 florijnen van de Weense uitgever en 200 pond van de Engelse. Opgeteld en geconverteerd komt dat neer op zo'n 3500 van de in die tijd in Wenen gebruikelijke Conventionsmünze en omgerekend naar de euro is dat het aanzienlijke bedrag van ongeveer 70.000 euro. Nu moet men zich wel realiseren dat dit bedrag niet veel zegt zolang men niets weet over de koopkracht. De situatie in Wenen in Beethovens tijd verschilde wat dit betreft zeer van de huidige in Nederland. Kosten voor levensonderhoud en woonlasten waren relatief erg hoog, terwijl arbeid spotgoedkoop was. En 'kleine zelfstandige' Beethoven had aan dat laatste niet veel, terwijl hij wel net als ieder ander moest wonen en eten en drinken. Niettemin is wel duidelijk dat onze componist zichzelf uitstekend wist te verkopen.

Spannend, heel spannend, waren Beethovens belevenissen met de vrouwen in deze periode van zijn leven. Zijn hofmakerij in het voorjaar van 1810 jegens Teresa (of Therese) Malfatti, waarover ik al iets schreef onder het kopje 'Uiterlijkheden', werd geen succes. De leuke tekening hieronder links dateert uit Beethovens 'Malfatti-periode'. Helaas voor Beethoven zag Teresa niet veel in hem en bij haar familie lijkt de nodige weerstand tegen Beethoven in de rol van kandidaat-echtgenoot te hebben bestaan, mogelijk ten gevolge van het feit dat een familielid, Giovanni, enige tijd Beethovens huisarts was en dat schijnt voor beide partijen een nogal frustrerende ervaring te zijn geweest. Giovanni noemde Beethoven later 'een verwarde kerel'. Beethovens brieven aan intermediair Gleichenstein over zijn mislukte hofmakerij zijn bitter en depressief, want hoogstwaarschijnlijk had hij serieuze trouwplannen gekoesterd. Hij had zelfs zijn geboortebewijs uit Bonn laten oversturen. Toch rouwde hij niet erg lang om het verlies van Teresa. Te kort misschien? De ene vrouw na de andere speelde in deze jaren een rol(letje) in zijn leven. Vóór Teresa figureren de gehuwde Marie Bigot, notabene nog tijdens zijn op dat moment (half 1807) koeler wordende vriendschap met Josephine, dan misschien Julie Vering, die in 1808 met zijn vriend Stephan Breuning trouwde, en tenslotte misschien de hierboven al genoemde Marie Erdödy, in wier appartementen hij enkele maanden woonde, maar waaruit hij in 1809 na een zeer duistere ruzie weer vertrok. Ná Teresa verscheen Bettina Brentano, van wie wel zeker is dat ze hem in de zomer van 1810 het hoofd op hol bracht, waarna ze trouwde met een ander. Vervolgens viel in 1811 Beethovens oog op Amalie Sebald, die een flirt wel leuk vond, maar beslist niet meer. Daarna verscheen heel misschien Regine Lang, wier korte vriendschap met Beethoven zeer onduidelijk is gebleven. Vanaf eind 1811 werd Bettina's schoonzus Antonie, op wie ik dadelijk uitvoerig terugkom, voor Beethoven belangrijk. Over bezoek aan prostituées is weinig bekend wat betreft de periode tot en met 1810, maar het lijkt erop dat hij vanaf 1812/13, misschien 1811, van tijd tot tijd publieke vrouwen begon te bezoeken, waarbij niet kan worden uitgesloten dat zijn vriend Zmeskall, wiens levenswandel bepaald geen toonbeeld van kuisheid kan worden genoemd, hem wel eens vergezelde, dan wel op de een of andere manier als intermediair fungeerde. Hieronder ziet men nog wat portretten van min of meer belangrijke dames en een behoorlijk belangrijke heer, te weten de echtgenoot van de dame naast hem, in later jaren een goede en vrijgevige vriend van Beethoven.

Beethoven door Schnorr von Garoldsfeld (omstreeks 1808)

Beethoven rond 1809/10

Marie Bigot

Julie Vering

Bettina Brentano

Teresa Malfatti

Teresa Malfatti

Amalie Sebald

Antonie Brentano

Franz Brentano

Eind 1811 valt dan het licht op de hierboven te bewonderen Antonie Brentano, geboren Birkenstock, een voorname, adellijke Weense, die sinds haar huwelijk in 1798 in Frankfurt woonde, samen met haar man Franz, een rijke zakenman van zeer goede familie, en haar vier kinderen. Birkenstock, een kunstmecenas die ook Beethoven protegeerde toen hij nog maar pas in Wenen was, stierf in november 1809 en dat feit dwong het gezin Brentano voor enkele jaren te verhuizen naar Wenen, want Birkenstock bezat een enorm paleis en dito kunstverzameling en dat moest allemaal verkocht worden. Brentano gaf zijn zaken in handen van een broer en men vertrok naar Wenen. Daar kwamen ze in contact met Beethoven en ze werden goed met hem bevriend. Antonie had altijd een grote hekel gehad aan Frankfurt. Ze was een Weense in hart en nieren en ze voelde zich direct weer helemaal thuis in de stad. Eigenlijk wilde ze absoluut niet terug, maar haar man dacht daar heel anders over, want hij had juist een hekel aan Wenen. Deze situatie was niet bevorderlijk voor een prettige sfeer binnen het huwelijk en Antonie, die levenslang tobde met depressies, werd heel erg depressief. Eind 1811, toen het regelen van de ingewikkelde erfenis eindelijk zijn voltooiing naderde (en de terugkeer naar het gehate Frankfurt dreigde), bereikte haar depressie een dieptepunt. Slechts muziek kon haar troosten. Beethoven kwam geregeld langs om voor haar te spelen. We weten niet hoe ver deze vriendschap is gegaan. We weten slechts zeker dat Beethovens treurige liefdeslied An die Geliebte met Antonie in verband kan worden gebracht. Hij schonk haar, overigens op haar verzoek, in het voorjaar van 1812 een manuscript van dit lied. Dat is alles. Maar na Beethovens dood werd tussen zijn bezittingen een miniatuur aangetroffen dat door sommigen werd gediagnosticeerd als een afbeelding van Antonie. Het was toen bepaald geen gewoonte bij vrouwen van stand om miniaturen te overhandigen aan een andere man dan hun echtgenoot of hun verloofde, dan wel hun broer of vader. Ergo: was er toch iets meer dan vriendschap tussen Beethoven en Antonie? In de lente van 1812 viel bij de Brentano's de beslissing om nog voor het einde van het jaar terug te keren naar Frankfurt. Vanwege hun gezondheid besloten ze tot een kuur in Bohemen, waar toen de hele fine fleur van Duitsland, Oostenrijk en Hongarije z'n zomerse heil zocht. Ook Beethoven, die in 1811 al eens in Bohemen was geweest, ging erheen, in de hoop dat een kuur zijn gezondheid zou verbeteren. Gedurende enkele weken bevonden hij en de Brentano's zich in elkaars gezelschap. De eerste week van juli 1812 kan wel de geheimzinnigste uit Beethovens leven worden genoemd. Wederom werpen we een blik op zijn nalatenschap. Daartoe behoorde ook een brief, beroemd geworden als de brief aan de Unsterbliche Geliebte, omdat Beethoven de vrouw aan wie de brief is gericht, aanspreekt met meine Unsterbliche Geliebte. Het even hartstochtelijke als wanhopige epistel is onmiskenbaar in zijn handschrift. Hij noemt geen naam, geen plaats, geen jaartal zelfs, slechts een datum: 6 en 7 juli (de brief bestaat uit drie gedeelten, want hij begon middenin de nacht te schrijven en ging daar de volgende dag mee door). Uitputtend speurwerk van een menigte biografen bracht zekerheid wat betreft het ontbrekende jaartal. Zonder twijfel is dat 1812 en dan weten we ook de plaats: Teplitz in Bohemen. Maar daarmee houdt het wel op. Tot op de dag van vandaag kan niemand met zekerheid aantonen voor welke vrouw deze brief is geschreven. Antonie? Of iemand anders?

Dorothea ErtmannWe pakken de draad op van het leven van Josephine Brunswick-Deym-Stackelberg. Het ging niet goed met haar tweede huwelijk. Weliswaar waren er twee dochters geboren, maar de echtelieden bleken het in het dagelijks leven maar slecht met elkaar te kunnen vinden. In het late voorjaar van 1812 kwam het tot een breuk en Stackelberg verliet de echtelijke woning. Pas in december keerde hij terug. Desondanks werd Josephine zwanger en op 8 april 1813 werd een dochter geboren. Een rekensommetje leert ons dat het kind begin juli moet zijn geconcipieerd. Moeten we achter die liefdesbrief niet Antonie zoeken, die er tenslotte voor had gekozen met haar man mee terug te gaan naar Frankfurt, maar Josephine, wier huwelijk eindigde in een scheiding? Was Josephines dochter Minona Stackelberg Beethovens lijfelijke dochter? Maar ook Antonie werd in het voorjaar van 1813 moeder, nadat ze sinds 1806 geen kinderen meer had gekregen. Was de op 8 maart geboren Karl Joseph Brentano Beethovens lijfelijke zoon? Om het nog wat moeilijker te maken, offreerden onlangs enkele onderzoekers andere kandidates voor Beethovens liefdesbrief, nadat in vroeger jaren al menige kandidate haar plaats in de zon had moeten opgeven. Sommige van die nieuwe kandidates zijn de in de jaren vijftig al naar voren geschoven, maar weer naar de achtergrond verdwenen hierboven al besproken Marie Erdödy en, verbluffend, Johanna Reiss, de zo gehate schoonzus, echtgenote van broer Carl, terwijl ook de al in 1969 naar voren geschoven pianoleerlinge Dorothea Ertmann bij sommige deskundigen hoge ogen blijft gooien (zie het portret hiernaast links). Sinds eind 2000 is er weer veel leven in de brouwerij, want de lijst is uitgebreid met maar liefst drie nieuwe kandidates. Twee daarvan spreken zeer tot de verbeelding, want het betreffen leden van de families Liechtenstein en Esterházy, respectievelijk Maria Anna en Almerie geheten. Op de hypothese voor Maria Anna is nauwelijks reactie gekomen, maar Almerie wordt wat serieuzer genomen door de vele jagers op Beethovens onsterfelijke geliefde, door anderen echter met enig schouderophalen terzijde geschoven. De derde nieuwe kandidate is van wat eenvoudiger komaf en ze heet Barbara von Tschoffen, geboren Puthon. Mijns inziens zijn de kansen van deze dames allesbehalve indrukwekkend, om het maar eens heel voorzichtig te zeggen. De hypothese voor schoonzus Johanna werd met openlijk hoongelach ontvangen en dat lijkt me terecht. Ook Dorothea's kansen zijn allesbehalve indrukwekkend. Op de oude (jaren vijftig) en enkele jaren geleden hernieuwde hypothese voor Marie Erdödy in de rol van onsterfelijke geliefde is weinig commentaar verschenen en behoorlijk negatief, wat ik ook al onderschrijf. Onbekende vrouwEen intrigerend bijkomend raadsel betreft dat miniatuur dat in Beethovens nalatenschap werd gevonden en ons het gezicht toont van nog altijd onbekende, aantrekkelijke, naar de kleding te oordelen adellijke en rijke jonge vrouw. Zie hiernaast rechts een afbeelding. Is dit de Unsterbliche Geliebte? En/of is het een ander dan de hierboven besproken Antonie Brentano, die er inderdaad enigszins op lijkt? Misschien. Degene die het naadje van de kous wil weten, verwijs ik naar het andere deel van deze website, 'Beethovens raadsels' en daarvan het eerste deel, de hoofdstukken III tot en met VI, allemaal te bereiken via Home. Eén ding is duidelijk: het werd niets met de vrouw van de liefdesbrief en dit stortte Beethoven in een depressie die nog dieper was dan die van 1802. Overigens is zo langzamerhand wel duidelijk geworden (onderzoek door Steblin vanaf 2005) dat Josephine wel de beste papieren heeft als het gaat om de liefdesbrief. Tot slot van deze alinea enkele zinnen uit deze brief van 6/7 juli 1812, waarbij ik mijn best heb gedaan Beethovens idiosyncratische spelling zo goed mogelijk te volgen: Mein Engel, mein Alles, mein Ich... warum dieser tiefe Gram, wo die Nothwendigkeit spricht... Kann unsre Liebe anders bestehn als durch Aufopferungen, durch nicht alles verlangen, Kannst du es ändern, dass du nicht ganz mein, ich nicht ganz dein bin... Du leidest du mein theuerstes Wesen... mache dass ich mit dir leben kann... leben kann ich entweder ganz gar mit dir oder gar nicht... ja ich habe beschlossen in der Ferne so lange herum zu irren, bis ich in deine Arme fliegen kann... in meinen Jahren jezt bedürfte ich einiger Einförmigkeit Gleichheit des Lebens - kann diese bej unserm Verhältnisse bestehn?... nur durch Ruhiges beschauen unsres Daseins können wir unsern Zweck zusammen zu leben erreichen... verkenn nie das treuste Herz deines Geliebten L. ewig dein, ewig mein, ewig unss.

Een plezieriger gebeurtenis in Bohemen was de kennismaking met Goethe. De heren brachten enkele avonden in elkaars gezelschap door en schreven hierover aan familie en vrienden. Uit deze brieven blijkt dat ze het als mens slecht met elkaar konden vinden, maar dat doet niets af aan Beethovens genoegen zijn idool te hebben ontmoet en ook voor Goethe was de ontmoeting boeiend. Toen Beethoven eind september Bohemen verliet, reisde hij niet terug naar Wenen, maar naar Linz (misschien is hij heel kort in Wenen geweest alvorens naar Linz te reizen). Reden: hij had vernomen dat zijn broer Johann 'in zonde' leefde met zijn huishoudster, een ongehuwde moeder, Therese Obermayer genaamd. Dat vond Ludwig maar niets. Hij sprong in de postkoets teneinde zijn broer op de vingers te gaan tikken en ook Carl was van de partij. Maar dat mislukte volkomen. Johann weigerde Therese het huis uit te zetten en het kwam tot een vechtpartij tussen Ludwig en Johann. Ludwig ging naar de politie en de bisschop om te klagen over Thereses 'immorele' gedrag. Gevolg: het stel trad in november in het huwelijk. Briesend van woede keerde Ludwig terug naar Wenen. Daar wachtte hem een onaangename verrassing: de plotselinge dood van mecenas Kinsky. De volgende ramp betrof Carl. In het voorjaar van 1813 werd hij plotseling veel zieker en hij vreesde te zullen sterven. Zijn penibele financiële situatie werd voor Ludwig aanleiding om de familiebanden aan te halen en hij overwon zijn weerzin tegen Johanna en bezocht Carl thuis. Hij meende dat hij de aangewezen persoon was om de kleine Karl op te voeden, indien zijn broer inderdaad zou sterven, want hij vond dat zijn schoonzuster daartoe volstrekt ongeschikt was. Hij zag kans de zieke hiervan te overtuigen en op 12 april 1813, slechts enkele dagen na de geboorte van het meisje dat misschien Ludwigs dochter was, ondertekende Carl een papier waarop hij beloofde zijn oudste broer tot voogd over zijn zoon te zullen benoemen. Maar wonder boven wonder, de zieke knapte weer op, zo goed zelfs dat hij weer aan het werk ging. Hij zou nog twee jaar uitstel krijgen.

Beethoven (Mähler, 1814/15)Ondanks al deze problemen ging het in eerste instantie eigenlijk nog niet eens zo heel erg slecht met Beethoven (hiernaast te zien in 1814/15 door Mähler), maar in de loop van 1813 werd hij uiterst depressief. Er is een vreemd verhaal. Hij zou in de zomer op het buiten van Marie Erdödy zoek zijn geweest. Na een paar dagen zou men hem in de tuin hebben aangetroffen, halfverhongerd en vervuild. Als dit verhaal waar is (wat ik betwijfel), wat moeten we er dan achter zoeken? Een zelfmoordpoging? Een korte psychose? Een uit de hand gelopen drinkgelag? We weten zeker dat hij er miserabel aan toe was in de zomer van 1813. Men trof hem aan in eethuizen en kroegen, vervuild, in kapotte kleren, vaak dronken, ongeschoren en zich misdragend tegenover andere gasten en personeel. Hij was dermate afstotelijk dat men het verkoos om zover mogelijk bij hem vandaan te gaan zitten. Componeren was er niet bij. Pas in de herfst kwam zijn inspiratie weer terug. Maar vraag niet hoe! Veel van de muziek die hij in 1813 en 1814 schreef mag wel het dieptepunt van zijn carrière worden genoemd. Hij vierde de ene triomf na de andere met de miserabele gelegenheidsmuziek die hij schreef voor het congres van Wenen. Gangmaker hierachter was Mälzel, muziekleraar en bekend als de uitvinder van de metronoom. Ten onrechte, want inmiddels is duidelijk geworden dat hij de uitvinding had gestolen. Omstreeks 1812 bracht hij het instrument op de markt en een jaar later schreef Beethoven er een positief bericht over in de krant. Bovendien enthousiasmeerde Mälzel hem voor het schrijven van gelegenheidsmuziek. Men bedenke: half Europa en heel Wenen verkeerde in een vreugderoes. Het 'beest van Corsica' was verslagen. Het ene feest volgde op het andere en er kon niet genoeg nieuwe muziek geschreven worden, welke muziek dan natuurlijk geacht werd de overwinning te bejubelen. Ik vind het ronduit verschrikkelijk, maar Beethoven liet zich voor Mälzels karretje spannen en fabriceerde Wellingtons Sieg oder Die Schlacht bei Vittoria, dat ongelooflijk populair werd. Grote successen en een luid rinkelende kassa bij Beethoven en Mälzel. Maar toen ging het fout tussen de heren. Mälzel was niet tevreden met het geld dat hij had ontvangen en hij meende dat hij recht had op meer, omdat hij de rechten op het muziekstuk zou hebben. Beethoven bestreed dat. Voordat de zaak voor de rechter kon worden uitgevochten, verdween Mälzel met een kopie van de partituren naar het buitenland. Beethoven was zeer boos. Maar financieel mocht hij niet klagen. Hij fabriceerde nog meer slechte gelegenheidscomposities en dat werden meestal grote successen, ook financieel. Hij bewaarde het geld en later kocht hij er acht aandelen in de Privilegirte oesterreichische National-Bank voor, die hij zeer zorgvuldig opborg en bewaarde.


Tot slot een overzicht van Beethovens oeuvre in deze periode (1803-1814) van zijn leven. Voor een bespreking van de genoemde composities raadplege men hoofdstuk VI.3.2
 
Jaar Biografie Opus WoO Hess Biamonti
1803 In mei scène met het manuscript van de Eroica n.a.v. Napoleons besluit zich tot keizer te laten kronen.
Eind van het jaar huwelijk Giulietta Guicciardi, die naar Italië verhuist.
45 (marsen v.piano)
53 (Waldsteinsonate)
55 (derde symfonie Eroïca)
85 (oratorium Christus am Ölberge)
88 (lied)

 
55 (prelude v.piano)
56 (allegretto v.piano)
57 (andante v.piano)
82 (menuet v.piano)
129 (lied)
115 (onvoltooide opera Vestas Feuer)  
1804 In januari wordt pianoleerlinge  Josephine Deym weduwe.
In de herfst hervatting van haar lessen bij Beethoven.
32 (lied)
54 (pianosonate)
56 (Tripelconcert v.cello, viool en piano)
72 (opera Fidelio)
138 (ouverture Leonore #1)
     
1805 Amoureuze briefwisseling met Josephine. 57 (pianosonate Appassionata) 2b (orkeststuk)    
1806 In de zomer ruzie met Lichnowsky die waarschijnlijk zijn toelage intrekt.
In mei huwelijk broer Carl met Johanna Reiss, de latere zo gehate schoonzuster.
In september geboorte van hun zoon Karl.
58 (vierde pianoconcert)
59 (Razumowskykwartetten)
60 (vierde symfonie)
61 (vioolconcert)
 
80 (pianovariaties)
83 (Écossaises v.piano)
132 (lied)
133 (idem)
   
1807 In de late herfst breuk met Josephine.
Vriendschap met haar broer Franz blijft intact.
62 (ouverture Coriolan)
67 (vijfde symfonie)
86 (mis)
 
134 (idem)    
1808 Vanaf de late herfst te gast bij Marie Erdödy, vertrek na enkele maanden na een onduidelijke ruzie.
Broer Johann verhuist naar Linz, ook al na een ruzie.
Belangrijkste concert in Beethovens leven grijpt plaats op 22 december, waarbij de 5e en 6e symfonie en het 4e pianoconcert in première gaan.
68 (zesde symfonie Pastorale)
69 (cellosonate)
70 (pianotrio's)
80 (koorfantasie)

 
59 (bagatel v.piano Für Elise)   454 (onvoltooide ouverture Macbeth)
1809 Vanaf 1 maart contract met Kinsky, Lobkowitz en Rudolph von Habsburg.
Vriendschap met de Brentano's, die in de herfst tijdelijk van Frankfurt naar Wenen verhuizen.
Josephine Brunswick schenkt het leven aan een dochter van baron Stackelberg en trouwt met hem.
73 (vijfde pianoconcert)
74 (Harfenkwartet)
75 (liederen)
76 (pianovariaties)
77 (pianofantasie)
78 (pianosonate)
79 (idem)
82 (arietta's)
 
18 (mars)
58 (cadenzen v.Mozarts K.466)
136 (lied)
137 (idem)
138 (idem)
139 (idem)

 

   
1810 In de lente huwelijksaanzoek aan Teresa Malfatti?
In de zomer verliefd op Bettina Brentano?
81a (pianosonate Les Adieux)
83 (liederen)
84 (ouverture + toneelmuziek Egmont)
95 (strijkkwartet Quartetto serioso)
19 (mars)
20 (mars)
21 (polonaise)
22 (Écossaise)
152 (volksliederen)
155 (volksliederen)
   
1811 In februari huwelijk Bettina.
In augustus reis naar Bohemen en verliefd op Amalie Sebald?
In de herfst faillissement Lobkowitz, zodat zijn toelage tijdelijk wordt gestopt.
92 (zevende symfonie)
97 (pianotrio Erzherzog)
113 (Singspiel Die Ruinen von Athen)
114 (mars)
117 (Singspiel König Stephan)
 
140 (lied)
161 (canon)
   
1812 Eind juni reis naar Bohemen.
6/7 juli: brief aan de geheimzinnige Unsterbliche Geliebte, waarschijnlijk Josephine.
Kennismaking met Goethe.
In oktober bezoek aan en ruzie met broer Johann.
In november dood Kinsky, zodat ook zijn toelage wordt opgeschort.
Eind van het jaar terugkeer van de Brentano's naar Frankfurt.
93 (achtste symfonie)
96 (vioolsonate)
 
30 (equales v.trombones)
39 (pianotrio)
162 (canon)
   
1813 Vriendschap met Mälzel.
Broer Carl ernstig ziek (tuberculose).
91 (Wellingtons Sieg v.orkest)
94 (lied)
112 (Meeresstille und Glückliche Fahrt, cantate)
2a (orkeststuk)
141 (lied)
142 (idem)
154 (volksliederen)
163 (canon)
108 (Wellingtons Sieg v.panharmonicon)  
1814 Grote (financiële) successen bij het congres van Wenen.
Hoogtepunt van uiterlijke roem.
89 (polonaise)
90 (pianosonate)
100 (lied)
118 (idem)
136 (cantate Der glorreiche Augenblick)
94 (koorwerk)
95 (idem)
96 (muziek v.Leonore Prohaska)
102 (lied)
103 (cantate)
143 (lied)
144 (idem)
149 (lied)
153 (volksliederen)
164 (canon)
199 (muzikale grap)
   

Terug naar boven

-----------------------------------------------------------------------------

Noten

(voor de diverse auteurs: zie de bibliografie, hoofdstuk X, alwaar men zoeke op naam van de auteur.)

1. Dat wil niet zeggen dat ik meen dat het Engelse imperialisme niet bekritiseerd zou moeten worden. Integendeel. Maar dat is hier niet relevant.

2. Kenners van de Nederlandse geschiedenis weten dat Anna Romanova huwde met koning Willem II van Oranje, grootvader van koningin Wilhelmina, overgrootvader van koningin Juliana, betovergrootvader van koningin Beatrix, anno 2002 regerend vorstin over het Koninkrijk der Nederlanden.

3. Deze versie staat in Metternichs memoires, die van Napoleon geven uiteraard een heel ander verhaal.

4. Sommige feministische "schriftgeleerden" zien het nog anders: ze menen maar liefst zes feministische golven te constateren, de eerste in de vijftiende eeuw.

5. Citoyen (feitelijk "staatsburger") natuurlijk, beslist niet bourgeois, welke term behoort bij een bepaalde stand.

6. Om ze uit elkaar te houden, schrijf ik de vader telkens met een C, de zoon met een K.