| VI beethovens tweede stijlperiode: 1803-1814 | |||||||||
|
VI.3 De muziek VI.3.2 Beethovens oeuvre |
|||||||||
| Toelichting Degene die zich afvraagt waarom de namen van sommige componisten wel een hyperlink hebben meegekregen en die van anderen niet, (her)leze mijn opmerking bovenaan het eerste hoofdstuk over muziek: III.3.1. Degene die meer wil weten over mijn visie op de muziek die Beethoven in zijn jeugd schreef, (her)leze hoofdstuk IV.3. Degene die meer wil weten over mijn visie op Beethovens "klassieke", respectievelijk "late" stijl, (her)leze de hoofdstukken V.3 en VII.3. Gegevens over de geraadpleegde auteurs treft men aan in de bibliografie, hoofdstuk X. |
|||||||||
| Welke revolutie eigenlijk? | Beethoven als leraar en dirigent | ||||||||
| Soms leest men in muziekhandboeken over de 'klassiek-romantische revolutie'. Dit brede en vage begrip slaat dan meestal (maar niet altijd) op de veranderingen in de muziek tussen globaal 1750 en 1830. Over één ding zijn de meeste deskundigen het eens, namelijk dat de relatief jonge klassieke stijl van Haydn en Mozart al rond 1800 behoorlijk uitgeput begon te raken. De stijl was als het ware opgebruikt door een trio genieën. Met uitzondering van degenen die Mozart en Haydn al bij de Romantiek willen indelen (ik kom hier dadelijk op terug), vinden de meeste musicologen, dat de omslag naar de Romantiek in de muziek later valt dan in de beeldende kunst en de literatuur, waarin sommige historici kiezen voor het laatste kwart van de achttiende eeuw en anderen voor een nog vroegere datum. Inderdaad zijn filosofen, schrijvers en dichters altijd de voortrekkers als het gaat om een ommezwaai in de kunst. Niettemin zijn er toch ook deskundigen die zelfs in de literatuur kiezen voor een datum na 1800. (Ik herinner de lezer aan mijn bespiegelingen over het kunsthistorisch continuüm.) Men moet bij de term 'klassiek-romantische revolutie' niet denken aan een radicale revolutie. Integendeel, de omwentelingen in de muziek rond 1600 en 1900 waren beduidend ingrijpender, omdat daar sprake was van grote wijzigingen in muziektechnisch opzicht. De nieuwe muzikale technieken veranderden het idioom enorm, waardoor de muziek volkomen anders begon te klinken. Men beluistere bijvoorbeeld een atonaal muziekstuk van na 1900. Levensgroot is het verschil met de tonale muziek, zoals die vele eeuwen de dienst uitmaakte in de Westerse muziekcultuur. De veranderingen tussen 1750 en 1830 waren weliswaar groot, maar minder groot dan die rond 1600 en 1900. Ook Beethoven goot zijn muziek nog in de traditionele vorm, niet wezenlijk anders dan die van Bach, en die vorm bleef gehandhaafd tot in de twintigste eeuw. De klassiek-romantische revolutie moet vooral gezien worden als een verandering in emotionele zin, veel minder in muziektechnische. Het verschil tussen componisten van de achttiende eeuw en die van de negentiende eeuw zit 'm vooral in de steeds vrijer wordende vorm waarin het muziekstuk werd gegoten, waardoor de wijze van expressie en de persoonlijkheid van de componist beter tot hun recht konden komen. Hoogromantische muziek zit veel minder in een keurslijf, wat uiteraard helemaal niets zegt over de kwaliteit. Compositorisch-technisch gezien echter is er maar weinig verschil met de muziek van de voorafgaande twee eeuwen. De lezer dient wel te bedenken dat ik in deze alinea wel heel erg kort door de bocht ga. Musicologen zullen me direct op de vingers tikken en wijzen op de in hun ogen toch wel fikse verschillen tussen de Barok en de klassieke stijl, laat staan de Romantiek. Daarin hebben ze natuurlijk volkomen gelijk, maar uitgebreide bespiegelingen hierover passen niet binnen het kader van dit boek. Degene die er meer over wil weten, verwijs ik naar de vele boeken over dit onderwerp, ongetwijfeld voorhanden in een goede bibliotheek. Daarin zal men uitweidingen aantreffen over de andere manier waarop de klassieke componisten omgingen met de grondtoon, over de zoveel strengere structuur en statischer vorm van Barokmuziek, over de basso continuo, de ornamentiek en de improvisatie in Barokmuziek, benevens de relatieve afwezigheid van dit alles bij de muziek van na 1750. Ook kan men lezen over de latere terugkeer in de Romantiek naar bepaalde vormen uit de Barok, enzovoorts, enzovoorts. Zeer interessant allemaal, maar minder op z'n plaats in dit boek. Ondertussen moge het duidelijk zijn dat het bepaald geen eenvoudige opgave is de veranderingen in de muziek rond 1800 op heldere wijze in kaart te brengen. De kern van het probleem is de onmogelijkheid een indeling te maken die zowel past bij de kenteringspunten in Beethovens muziek, als bij die in de muziekgeschiedenis. Toen Beethoven begon met componeren, was de Rococo weliswaar net voorbij, maar het (Neo)classicisme nog volop aanwezig en slechts bij Haydn en Mozart en soms bij anderen ontsteeg de muziek de beperkingen van deze stromingen, aldus veel deskundigen. Toen Beethoven stierf, was het al Romantiek wat de klok sloeg. Dat is de muziekhistorie. Nou nog even kloppend maken met Beethovens veranderingen in stijl... Is niet het allerbelangrijkste dat psychologisch gezien deze periode voor Beethoven in alle opzichten een periode van grote veranderingen was? Ik meen van wel. Het betrof werkelijk alle gebieden die voor hem belangrijk waren. Europa kwam in een ernstige crisis en hij voelde zich daar zeer bij betrokken, terwijl op het hem op het persoonlijke vlak allemaal erg tegen zat. De vrouw die hij hartstochtelijk beminde, wees hem af. Zijn doofheid hem dwong te aanvaarden dat zijn droom, een stralende carrière als pianist/componist in de schijnwerpers, niet voor hem was weggelegd. Maar Beethoven was een moedig mens. Niet voor een kleintje vervaard gooide hij het over een andere boeg en wijdde zich geheel aan de compositie. Het is niet al te gewaagd te stellen dat we aan zijn doofheid zijn grootheid als componist te danken hebben. Ik denk niet dat hij zo'n hoog niveau zou hebben bereikt als hij niet doof was geworden. Hij zou in dat geval dermate veel tijd hebben besteed aan het vak van uitvoerend kunstenaar dat dat ten koste van zijn composities zou zijn gegaan. Hij schiep zijn werken met zeer veel transpiratie en heel wat minder inspiratie. Hij was bij lange na niet zo'n begenadigd talent als Mozart en moest er veel harder voor werken. Was hij pianist gebleven, de tijd zou hem hebben ontbroken. In Beethovens lastige, veeleisende gedrag jegens vrijwel iedereen in zijn omgeving, inclusief zijn uitvoerenden, zien we de maatschappelijke veranderingen voortreffelijk weerspiegeld. Opdrachten accepteerde hij alleen als hij er zelf zin in, waarbij hij toch nimmer uit het oog verloor dat er ook brood op de plank moest komen. Slechts éénmaal in zijn leven schreef hij uitsluitend om het geld en dat is te horen ook (de gelegenheidswerken van 1813/14). Passend bij zijn autoritaire opstelling is zijn besluit de cadens in het soloconcert te schrappen. Mozarts concerten lieten de solist nog alle ruimte voor een stukje bravour aan het einde van het eerste en derde deel, Beethoven echter schreef in zijn vijfde pianoconcert de cadenzen verplicht voor en schreef alsnog cadenzen voor de eerste vier concerten, bij het vierde pianoconcert vergezeld van de aanwijzing dat de cadens kort moet zijn. Maar als hij zelf speelde, improviseerde hij er niettemin lustig op los. Quod licet Iovi, non licet bovi, want hij werd boos op solisten die op eigen kracht een compositie wilden versieren. Steeds minder ornamentiek treffen we in zijn muziek aan en uiteindelijk werd bij hem iedere noot belangrijk, onontbeerlijk voor het begrijpen van het muziekstuk. Als laatste punt in dit overzicht moet erop worden gewezen dat Beethoven een belangrijke steen heeft bijgedragen aan het grootschaliger worden van de composities voor orkest en verantwoordelijk mag worden gesteld voor bepaalde veranderingen van de instrumentatie. Zo besloot hij in de derde symfonie een derde hoorn toe te voegen en de negende symfonie kreeg er nog een vierde bij, evenals extra percussie. | Als leermeester
was Beethoven een complete ramp voor zijn leerlingen. Zijn
genialiteit en daaruit voortvloeiende overgevoeligheid op muzikaal gebied maakte hem veeleisend
en nietsontziend in zijn kritiek. De pianist Rust
schreef dat Beethoven tegen iemand die hem voorspeelde,
zei: Sie müssen noch lange spielen, ehe Sie einsehen
lernen, dass Sie nichts können. Daarbij kwam nog
dat hij kampte met een indrukwekkend gebrek aan
zelfbeheersing. Hirsch,
ook pianoleerling bij Beethoven, vertelde aan de biograaf
Frimmel het beruchte verhaal over het bijten in de
schouder van een stuntelende leerling, misschien hijzelf.
Een ander schijnt eens door Beethoven met een breinaald
op de vingers te zijn geslagen. Hij werd overigens veel
bozer over weinig expressief spel dan over een verkeerde
vingerzetting. Goede leerlingen konden een potje bij hem
breken. Tegenover voortreffelijke pianisten als Ries en Czerny
gedroeg hij zich zeer vriendschappelijk en hij was
opportunistisch genoeg om altijd erg vriendelijk te zijn
tegen Rudolph
von Habsburg, zijn allerhoogste leerling, jongste broer van
de keizer. Zijn ergernis over slecht pianospel is wel begrijpelijk,
gezien zijn eigen vermogens als pianist. Vrijwel alle getuigenissen
bevestigen dit en bij de weinigen die kritiek uitten, meestal op zijn
niet helemaal vlekkeloze, wat slordige techniek, krijgt men het
vermoeden te maken te hebben met jaloezie of onbegrip vanwege de
desondanks verpletterende indruk op het bijna geschokte publiek.
Uiteraard bleef er in later jaren niet veel over van dit imponerende
spel.
Czerny is degene die ons op de hoogte bracht van iets wat voor veel mensen een verrassing is: Beethoven was een uitgesproken rustige pianist. Hij bewoog nauwelijks tijdens het spelen en zelfs zijn gezicht bleef kalm. Als dirigent daarentegen was hij vol temperament en bovendien ongemakkelijk voor zijn orkest en ook zijn publiek had zich maar te schikken naar zijn wensen. Hij eiste gehoorzaamheid, perfectie en een luid applaus. Czerny deelt ons mede dat Beethoven niet hield van een erg geëmotioneerd publiek. Hij schijnt als volgt op een stel hevig ontroerde toehoorders te hebben gereageerd Ihr seid Narren! Wer kann unter solche verwöhnten Kindern leben? Volgens de meestal weinig betrouwbare Bettina Brentano zei hij dat hij applaus wilde horen, geen gesnik. Dit keer lijkt ze toch wel geloofwaardig. Orkestleden die naar Beethovens smaak niet voldoende opletten of er met de pet naar gooiden, konden tenminste een stevige uitbrander verwachten. Zijn gebrek aan consideratie met zijn orkest blijkt ook uit het feit dat hij er een handje van had alles op het laatste moment af te maken, zodat men niet kon repeteren. Menige fraaie beschrijving van de bijbehorende stuitende taferelen onder zijn verwarrende directie resteert. Met het klimmen der jaren werd dit alles nog veel erger, uiteraard mede onder invloed van zijn verergerende doofheid. Volgens sommigen had Beethoven trouwens eigenlijk wel gelijk met zijn hoge eisen aan zijn orkest en zijn solisten. Deskundige Brown is het wat dit betreft niet eens met deskundige Biba. De eerste meent dat het peil van de musici in de vroege negentiende eeuw flink was gezakt vergeleken bij de eeuw daarvoor en hij wijst daartoe op getuigenissen van tijdgenoten als Reichardt en Schindler. De tweede daarentegen meent dat dit peil wel degelijk nog steeds hoog was. |
||||||||
|
Beethoven en zijn piano's - derde deel |
|||||||||
| In 1803 kwam hij in het bezit van een Érard, die hij jarenlang intensief gebruikte. Gewoonlijk kan men lezen dat hij deze piano cadeau zou hebben gekregen, maar dat is niet juist, aldus Skowroneck in zijn jongste publicatie. Beethoven heeft er wel degelijk voor betaald. De komst van deze piano wordt gemarkeerd door de compositie van de Waldsteinsonate. Jarenlang had Beethoven vrijwel uitsluitend Weense piano's bespeeld. De nieuwe piano echter was van Franse makelij en de klank van deze piano was behoorlijk verschillend van de Weense instrumenten. Beethoven begon er lustig mee te experimenteren. Dat hij er in eerste instantie enthousiast over was, wordt bewezen door een brief aan vriend en collega Ries, geschreven toen hij op vakantie was en Ries vroeg hem te helpen met het huren van een piano, want hij wilde zijn nieuwe piano niet blootstellen aan een verhuizing. Een brief uit december 1803 van Griesinger, een vriend van Haydn en diens eerste biograaf, aan een uitgever bevestigt Beethovens enthousiasme. Volgens Griesinger was Beethoven bezaubert door de piano en was hij van mening dat vergeleken bij de Érard alle Weense piano's Quark waren. Toch werden al in 1804 tenminste tweemaal veranderingen aan het zeer fragiel gebouwde instrument aangebracht, wat doet vermoeden dat het bij nader inzien toch een tikje tegenviel met die prachtige piano. Recente onderzoekingen echter door Skowroneck doen vermoeden dat Beethoven in zijn visie werd beinvloed door Streicher en Stein, concurrerende Weense pianobouwers. Mogelijk werden de veranderingen vooral op instigatie van deze personen aangebracht. Zo ja, dan was de achtergrond hiervan niet alleen hun concurrentiestrijd, maar ook hun wens Beethovens interesse in Weense piano's te behouden, wat, zoals zijn latere uitingen hierover ons leren, heel goed lukte. In 1810 had hij kennelijk genoeg van de Érard, want hij begon onderhandelingen over de verkoop van het zeer versleten instrument. Toch kan de piano nog niet erg te lijden hebben gehad van een veel te harde aanslag, zoals dat de Broadwood overkwam die Beethoven vanaf 1818 in gebruik had en die in 1825 bijkans tot een ruïne was verworden. Niettemin is het wel zo dat Beethoven, doof of niet, zijn piano's behoorlijk ruig behandelde, zoals menige tijdgenoot getuigde. Hij zag geen kans de Érard, hersteld of niet (maar waarschijnlijk niet), te verkopen, behield hem en schonk het vele jaren later aan zijn jongste broer. In de periode tussen 1810 en 1818 moest hij zich min of meer behelpen met vervangpiano's. Streicher meldt ons reeds in januari 1805 (dus toen Beethoven de Érard nog maar twee jaar in zijn bezit had): ...er ist noch nicht im Stande sein von Érard in Paris erhaltenes fortepiano gehörig zu behandeln und hat es schon 2mal verändern lassen ohne das mindeste daran gebessert zu haben, weil der Bau desselben keine andere Mechanik zulässt. Skowroneck wijst erop op dat de huidige staat van de piano doet vermoeden dat de vele reparaties eraan erg nonchalant zijn uitgevoerd en hij speculeert zelfs dat Beethoven zelf aan het vervangen van gesprongen snaren zou zijn geslagen. Maar liefst 78%, schrijft Skowroneck, van de snaren moet zijn gebroken in de loop der jaren. Geen wonder dat Beethoven op zoek moest naar een nieuwe piano! Het viel hem echter niet mee een geschikte te vinden. Achtereenvolgens was hij in het bezit van een waarschijnlijk geleende Walter, een tweetal in ieder geval geleende Streichers, een eigen Vogel, een eigen Schanz en tenslotte (volgens tenminste één getuige) een Kirschbaum, misschien geleend, misschien eigen bezit. De Vogel verkocht hij weer rap, de Schanz stuurde hij per kerende post retour en over het lot van de Kirschbaum is niets bekend. Eén van de geleende Streichers stond tot voor kort opgesteld in het appartement in het Pasqualati-Haus in Wenen dat ingericht is als museum, maar of dat nu ook nog het geval is, weet ik niet. De kapotte Érard staat in een museum in Linz en voor zover ik weet, zijn er geen serieuze plannen tot restauratie. De Vogel schijnt in 1982 weer ergens te zijn opgedoken en opgekocht door een Amerikaans instituut, maar over de staat ervan weet ik helaas niets. De overige (mogelijk) door Beethoven gebruikte en hier genoemde piano's zijn in de loop der jaren met de noorderzon vertrokken. | |||||||||
|
Beethovens 'heroïsche' stijl |
|||||||||
In veel handboeken over
muziek loopt het tijdperk van de klassieke stijl van
ongeveer 1760/70, gerelateerd aan de muzikale
ontwikkelingen van Haydn en Mozart, tot ongeveer 1815,
gerelateerd aan de muzikale ontwikkeling van Beethoven.
Toen zou de Romantiek zijn begonnen. Jarenlang plaatste
ik het begin van de Romantiek in de muziek in 1803, bij
de compositie van de derde symfonie dus, zo nauw
verbonden met de allergrootste 'smaakmaker' van
het tijdperk en het muziekstuk bij uitstek dat Beethovens
eerste ommezwaai in stijl, zozeer door hemzelf gewenst,
markeert. Maar neen, veel zeer deskundige personen vinden
Beethovens complete heroïsche periode, volgens veel van
die personen lopend van 1803 tot 1815, nog horen bij de
klassieke stijl. Moeten we de nog uitvoerig te bespreken
onttakeling van Beethovens persoonlijkheid vanaf 1815 en
de rampzalige toestanden in zijn laatste decennium dan
zien als kenteringspunt in de muziekgeschiedenis?
Blijkbaar en dat zal veel mensen een onprettig gevoel
geven, ondanks het feit dat het persoonlijke in principe
natuurlijk niets te maken heeft met het muzikale. Soms
maakt men een onderverdeling van het tijdperk van de
klassieke stijl in 'vroeg, midden
en laat", want veel van Beethovens muziek
vanaf 1803 is te emotioneel, te individualistisch en te
vrij qua vorm om nog te kunnen vallen onder de klassieke
stijl van Haydn en Mozart, aldus deze deskundigen. Dan
wordt het verleidelijk om te kiezen voor een
onderverdeling. De markering van vroeg naar midden zou
dan rond 1795 vallen, toen Beethovens eerste opus
verscheen, 1803 zou dan de overgang van midden naar laat
markeren en 1815 de overgang naar de Romantiek. Als volgt
dus:
Hoewel er zeker wat voor deze indeling valt te zeggen, zijn er ook bezwaren tegen en het is een schrale troost dat ik bepaald de enige niet ben die het moeilijk vind een goede indeling te ontwerpen, want men kan wel stellen dat er sprake is van een ware wildgroei aan tegenstrijdige opvattingen onder de deskundigen.
Wat hebben de deskundigen in de loop der jaren zoal aan alternatieve visies geproduceerd? Hieronder volgt een bescheiden evaluatie. Men zette zich schrap.
Het gevaar de stijlbreuken in Beethovens muziek te overbelichten dan wel juist te onderbelichten, is misschien wel de grootste valkuil in de hele discussie. Sommige deskundigen gaan fijnmaziger te werk, zoals Newman, die in 1963 kwam tot een indeling in maar liefst vijf perioden: een studietijd (1782-1794), een virtuozentijd (1795-1800), een Appassionata-tijd (1801-1808), een invasietijd (1809-1814) en een sublimatietijd (1815-1826) en musicoloog Kinderman die onlangs als volgt indeelde: 1782-1792; 1803-1812; 1813-1818 en 1818-1827. Uitsluitend vanuit Beethovens leven gezien is Kindermans indeling wel geslaagd, maar als we de muziekhistorie erbij betrekken, blijven we toch in de problemen zitten. Gelijkend op Kinderman, maar bondiger is Solomons indeling, die in feite erg veel lijkt op de mijne: de jaren in Bonn (tot 1792), de Haydn-jaren (1794-1799), de middenperiode (1803-1812) en de 'late' Beethoven (1820-1826). Het enige verschil is dat bij Solomon iedere periode voorafgegaan werd door een overgangsperiode, waarin de oude stijl als het ware uitgeput raakte en de nieuwe nog in ontwikkeling was. Psychologisch gezien is hier zeker wat voor te zeggen, maar ik heb enige bezwaren tegen het grote gat tussen 1812 en 1820. Ik meen dat dit wel wat korter mag en zou dan willen kiezen voor 1813-1818 als overgangsperiode, zoals Kinderman voorstelt. Onderbelichting van Beethovens stijlbreuken meen ik te zien in de term 'laat-klassiek' voor Beethovens tweede stijlperiode. De muziek die hij in deze tijd schreef, is mij daarvoor veel te weinig klassiek, zelfs met de toevoeging 'laat'. De moeilijkheid met zijn oeuvre is dat het zowel naar voren als naar achteren kijkt in de geschiedenis. Vooral in zijn tweede stijlperiode staat Beethoven met één been in de late achttiende eeuw, maar het andere is overduidelijk in de negentiende. Heel typerend: ik las zowel boeken waarin hij in z'n totaliteit bij de achttiende eeuw wordt ingedeeld, als boeken waarin men hem, even totaal, indeelt bij de negentiende! Slechts in specialistische, professionele geschriften proberen de schrijvers hem op te delen en daarover wordt tot op de dag van vandaag gediscussieerd. Zoals ik al enkele malen benadrukte, is de kern van het probleem de onmogelijkheid een verdeling te maken die ons niet alleen wat betreft de scheiding tussen Beethovens stijlperioden, maar óók wat betreft de scheiding tussen de klassieke stijl en de Romantiek, volkomen bevredigt. Het grote aantal deskundigen dat kiest voor een omslag naar de Romantiek in 1815, gekoppeld aan het begin van Beethovens derde stijlperiode, komt bijvoorbeeld in de knoop met de ver voor dat jaar gecomponeerde zesde symfonie, want ze moeten wel toegeven dat dit toch heus onvervalste Romantiek is. Maar het stuk was een soort preview, aldus deze deskundigen, een experiment, door Beethoven weer verlaten toen hij in de zevende en achtste symfonie weer enigszins terugkeerde naar de klassieke stijl. Enerzijds kan ik deze visie wel volgen, want inderdaad zijn de zevende en de achtste beduidend 'klassieker' dan de zesde, anderzijds kan ik me de shocking zevende met de beste wil van de wereld niet voorstellen uit de pen van Haydn, Mozart of Beethoven in zijn eerste stijlperiode. De deskundigen die ervoor kiezen het begin van Beethovens derde stijlperiode te plaatsen in 1808 en te koppelen aan de overgang naar de Romantiek, komen weliswaar niet in de knoop met de zesde, want die symfonie hoort dan keurig bij de Romantiek en markeert zelfs hun keuze, maar die keuze houdt wél in dat Beethoven in zijn derde stijlperiode, die dan zijn 'romantische' zou moeten zijn, niet alleen de zoveel 'klassiekere' zevende en achtste gecomponeerd zou hebben, maar ook de 'abstract-ascetische' Grosse Fuge (ik las deze wollige typering voor dit stuk eens in een naslagwerk). Er is overigens nog menige andere zwarte zwaan te vinden die niet klopt met de chronologie, zoals de erg klassieke cellosonate opus 69, gecomponeerd in hetzelfde jaar als de zesde symfonie, zij aan zij met de unieke koorfantasie: volstrekt verschillende stijlen. Leken die voor het eerst met deze composities worden geconfronteerd, hebben soms helemaal niet in de gaten dat het om dezelfde componist gaat en zoiets geeft toch te denken. Na veel omzwervingen kom ik tot de conclusie dat ik toch prefereer de omslag naar de Romantiek aan Beethovens eerste ommezwaai in stijl te koppelen en daarmee kies ik voor 1802/3, in welke periode Beethoven zijn derde symfonie componeerde. In ieder geval hoef ik zo geen gekunstelde redeneringen op poten te zetten om de situatie binnen Beethovens muziek sluitend te maken. Maar helaas, er valt wel het nodige af te dingen op de simpele definitie Romantiek voor alle muziek die hij na 1803 schreef. Dat is gewoon fout. Zie de hierboven door mijzelf aangedragen zwarte zwanen. Ik ontkom er niet aan het begrip Romantiek zeer ruim te definiëren en Beethovens indrukwekkende hoeveelheid experimenten en uitstapjes naar het verleden of naar de toekomst onder te brengen bij dat begrip, dat dan als overkoepelend moet worden gezien. Daar is veel op tegen, want het wordt op zo'n manier wel heel erg vaag en zelfs inhoudsloos. Maar dit model acht ik in ieder geval beter dan een keuze voor 1808/9, omdat ik het breekpunt in Beethovens oeuvre na 1808 als veel onbelangrijker ervaar dan dat rond 1802/3, respectievelijk dat rond 1815/16. Ik meen dat een zo belangrijke omslag als die naar de Romantiek niet gekoppeld zou moeten worden aan een betrekkelijk onopvallend breekpunt in Beethovens oeuvre. Als we dat doen, verwaarlozen we niet alleen Schubert en Weber, maar maken we ons ook schuldig aan de fout abstractieniveaus door elkaar te halen en dat is een ernstige fout. Hoewel 1815/16 als omslag naar de Romantiek voor mij desnoods wel aanvaardbaar is, prefereer ik 1802/3, maar dat is een puur gevoelsmatige keuze, die te maken heeft met de wijze waarop Beethovens oeuvre vanaf dat jaar in z'n totaliteit op mij persoonlijk overkomt. Ik geef echter toe dat mijn keuze niet helemaal rechtvaardig is tegenover Schubert en Weber, in tegenstelling tot de keuze voor 1815/16. Anderzijds is 1802/3 niet helemaal rechtvaardig tegenover de vele experimenten in de stijl van de Romantiek, die niet alleen door Beethoven zelf, maar ook door menige componist van het tweede echelon al vóór 1800 werden geschreven. |
|||||||||
| beethovens tweede stijlperiode: 1803-1814 |
| VI.3.2 Beethovens oeuvre |
| Toelichting Een * wordt gewoonlijk gevolgd door de datum van uitgave en de naam en plaats van de eerste uitgever, tenzij het een postume uitgave betreft. |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Het moet gezegd worden: de Engelsen waren er vroeg bij met hun waardering voor Beethoven, want in dit jaar werd voor het eerst een symfonie van hem in Engeland uitgevoerd. In Frankrijk greep dat vele jaren later plaats, om over Nederland maar niet te spreken. Goede smaak, die Engelsen. Des te merkwaardiger is het feit dat de negende symfonie in 1825 in Londen volledig flopte. |
|
Bespreking(en) Waldsteinsonate
(opus 53)
Eroïca (opus 55) Als we ons voor de afwisseling eens aan de feiten houden, ontkomen we er niet aan te constateren dat Beethoven bij het schrijven van de symfonie wel degelijk tenminste enige tijd Bonaparte in gedachen moet hebben gehad en dat wordt bevestigd door menige brief, zowel van hemzelf als van zijn vriend en leerling Ries die in die tijd innig met hem was. Bovendien staat in zijn eigen handschrift boven zijn eigen exemplaar van de gedrukte partituur: geschrieben auf Bonaparte. Iedereen die een andere betekenis achter de symfonie prefereert, zou tenminste een poging moeten doen dat opschrift te verklaren, waarbij de veronderstelling dat het een rookgordijn zou zijn geweest, zoals sommigen doen, mij niet erg overtuigt. Dat neemt niet weg dat het (diepte)psychologisch gezien inderdaad ook wel een zelfportret kunnen zijn, zoals Burnham denkt (en vele anderen met hem, waaronder Rolland), waarbij Bonaparte symbool was voor een bepaald principe: de held overwint zichzelf (bij Beethoven zijn doofheid dus). En wie weet, misschien nodigde hij ons allen uit ook op zoek te gaan naar de held in onszelf. Niet bepaald bescheiden dit alles, maar dat was hij nu eenmaal niet. Merkwaardig is dan natuurlijk de treurmars. Ging het om een soort 'Phoenix-gevoel', gelijkend op het Heiligenstädter Testament? Herschreef hij de ontstaansgeschiedenis van de symfonie toen hij later zei dat hij de passende muziek voor Napoleons dood al vele jaren eerder had geschreven? Of ging het toch om de dood van Abercromby? Sommigen zien in de ondertitel van de symfonie bitter sarcasme. Beethoven zou de psychische ondergang van een 'groot man', namelijk de republikeinse generaal Bonaparte, hebben betreurd en hij zou de 'nieuwgeborene', de dictatoriale keizer Napoleon dus, hebben afgewezen. Inderdaad noemde hij de symfonie Bonaparte, niet Napoleon! Anderen denken dat Beethoven met het schrijven van de treurmars een waarschuwend vingertje ophief tegen Europa, want hij zou alle ellende die voortkwam uit Napoleons veroveringen al reeds in 1803 hebben voorzien. Dan vraag ik me toch af waarom hij die symfonie aan hem had willen opdragen! Ik denk dat Napoleons aantrekkelijkste aspect voor Beethoven wel degelijk dat van de held was, die alles op eigen kracht presteert, waarbij ik allerminst wil beweren dat Eroïca en Bonaparte volstrekt identiek zouden zijn. Integendeel, want het ligt veel ingewikkelder, zeker als we bij Freud te rade gaan. Maar dat hoeft niet per se. Ik beperk me hier even tot de voor iedereen zichtbare feiten. De mythe dat Napoleon van eenvoudige komaf was, werd door vrijwel iedereen geloofd, ongetwijfeld ook door Beethoven, die geen gelegenheid had het verhaal te controleren. Toch zag Napoleon kans aan de top te komen met relatief maar weinig hulp. Beethoven voelde zich hiermee verbonden. Zijn verlangen naar het behalen van de top was groot en hij wilde dat vooral op eigen kracht doen, als een echte held. En wat deed toen die andere held? Die zette de kroon op het eigen hoofd. Diep in zijn hart moet Beethoven vreselijk jaloers zijn geweest, wat niet wegneemt dat hij zich wel degelijk zorgen zal hebben gemaakt over de weg die de aanstaande keizer zou gaan bewandelen, terwijl hij tegelijkertijd Napoleons oorspronkelijk republikeinse idealen onderschreef. Vandaar zijn gedrag met betrekking tot het verscheuren van de opdracht van die symfonie, een mengeling van bewondering, kinnesinne en verontwaardiging, aangevuld met een scheutje opportunisme. Overigens zou het vast niet zijn gelukt de muziek als smeermiddel te laten dienen bij een bezoek aan Parijs, zoals hij hoopte, want Napoleon had niet de geringste affiniteit met de belangrijke muziek van zijn tijd. De tegenwoordig niet bepaald hoog meer op de ladder van de muziekgeschiedenis geplaatste Paisello was des keizers favoriet. Ik denk dat Beethovens opdracht hem absoluut niet zou hebben geïnteresseerd. De relatie met Napoleon deed in onze eeuw Richard Strauss in zijn symfonisch gedicht Metamorphosen lonken naar Beethovens symfonie. (De naam van een andere compositie van hem luidt trouwens Ein Heldenleben!) Strauss citeert uit de treurmars en musicologen kibbelen al jaren over de vraag of Strauss, over wie wordt gefluisterd dat hij met de Nazi's sympathiseerde, misschien treurde om de dood van Hitler. Men kift over de datum van voltooiïng: voor of na Hitlers dood. In het voorjaar van 1945 (Strauss schreef het stuk in enkele maanden) was het echter voor iedereen duidelijk dat de Duitsers de oorlog zouden gaan verliezen. Best mogelijk dat hij het daarover had, niet speciaal over Hitlers dood. In ieder geval is de relatie van Strauss' muziekstuk met Beethoven en Napoleon duidelijk genoeg, waar we Beethoven echter niet verantwoordelijk voor hoeven te stellen. Behartenswaardig zijn het essay van Volek en Macek uit 1988 en het artikel van Brauneis uit 1997. Brauneis wijst erop dat Lobkowitz voor de tijd dat hij het stuk geheel te zijner beschikking had, het opdroeg aan de Pruisische prins Louis Ferdinand, die in 1806 op het slagveld zou sneuvelen. Lobkowitz bewonderde deze jongeman zeer en het is bekend dat Beethoven hem kende. Brauneis veronderstelt dat Beethoven geen moeite had met de voorlopige opdracht aan Louis Ferdinand en dat lijkt me geen al te gewaagde veronderstelling. Voor zover ik weet, constateerden Volek en Macek als eersten dat de symfonie weliswaar eind januari 1805 in Wenen in première ging, eerst onder auspiciën van een tweetal bankiers die als geldschieters fungeerden, enkele dagen later in Lobkowitz' stadspaleis en uiteindelijk in april in het openbaar, maar dat het stuk al in juni 1804 op een Boheems landgoed van Lobkowitz uitvoerig werd gerepeteerd, welke repetities voor Beethoven aanleiding lijken te zijn geweest (de autograaf vergeleken bij de partituur zoals die in oktober 1806 werd gepubliceerd) meer strijkers toe te voegen. Brauneis nam de visie van Volek en Macek vrijwel ongewijzigd over, in tegenstelling tot Schleuning die meent dat de repetities in Bohemen enkele maanden later plaatsgrepen. Dat klopt echter niet met de datum van de afrekening met de musici, want die is gedateerd 9 juni 1804. De repetities in 1804 werden uitgevoerd met waarschijnlijk slechts 21 personen. Bij de première in januari 1805 bestond het orkest uit 35 personen. Twee jaar later was het aantal gestegen tot 55. Maar daar bleef het bij. Wat dit betreft kunnen we Schindler nu eens wel geloven, want die zei dat Beethoven had gezegd dat hij meer dan 60 personen voor zijn symfonische muziek te veel vond, omdat hij geen 'lawaai' wilde produceren en het verlies van nuances vreesde. De jongste loot aan de stam van speculanten over de betekenis van Beethovens derde symfonie en dan met name de treurmars is Steblin, die in juni 2007 een artikel het licht deed zien waarin ze de hypothese verdedigt dat, ondanks het feit dat Beethoven in eerste instantie wel degelijk Napoleon in gedachten had, de treurmars toch slaat op zowel Beethoven zelf als keurvorst Maximilian Franz, de man die Beethoven in de gelegenheid stelde naar Wenen te reizen, zowel in 1787 als in 1792. De keurvorst stierf nogal plotseling in 1801 en we weten wel zeker dat Beethoven van plan was geweest de gestorvene te eren met een opdracht van een belangrijk stuk muziek. Ik vind Steblins hypothese niet erg waarschijnlijk. Vast en zeker was de componist zijn weldoener dankbaar en mogelijk was Maximilian Franz een intens goed mens, maar een held??? Ook origineel in zijn visie op de symfonie is de Nederlandse dirigent De Roos, die meent in de grote man, wiens nagedachtenis met deze muziek geëerd zou moeten worden, niemand minder dan Mozart te zien, mogelijk op dit spoor gezet door de verbluffende overeenkomst tussen het begin van Mozarts jeugdoperaatje Bastien en Bastienne en het thema van het eerste deel. Deze overeenkomst heeft bij menige professional geleid tot de veronderstelling dat Beethoven het thema zou hebben 'geleend', maar dat is erg onwaarschijnlijk. Het operaatje is tijdens Beethovens leven nooit publiekelijk uitgevoerd en het is pas jaren na zijn dood uitgegeven. De overeenkomst zou op toeval kunnen berusten, maar volgens sommigen is het ook mogelijk dat er een toentertijd populair volksmelodietje achter steekt, waar beide componisten zich door kunnen hebben laten inspireren. Goed, terug naar De Roos. De relatie met Napoleon zou slechts een rookgordijn zijn geweest, schrijft hij, en in het tweede deel van zijn verbluffende boekje schuift hij Beethoven stukje bij beetje een soort Mozart-complex in de schoenen. Beethovens hele oeuvre is een streven geweest Mozart op diens terrein te verslaan. Nu, als dat zo is, heeft hij overduidelijk gefaald. Iedereen die geïnteresseerd is in deze muziek, zou De Roos' exercities eens moeten lezen, niet omdat het zo geloofwaardig is wat hij schrijft, maar omdat het zo verbijsterend is. Hij meent dat de symfonie een afscheid betekende van Beethovens eerste stijlperiode. Gelijk heeft hij. Die deur staat al sinds 1803 wagenwijd open. De Roos' hoofdstuk over de symfonie is een warrig verhaal met bijkans mystieke uitweidingen over allerlei volstrekt niet ter zake doende aangelegenheden, waarin de halve Europese cultuurgeschiedenis figureert. Men vraagt zich tijdens het lezen bezorgd af waar dit allemaal heen moet. Naar Beethovens tweede stijlperiode dus, die door een kind te herkennen is. Maar waarom zou Beethoven nu juist op dit moment een knieval voor Mozart hebben willen maken? De derde symfonie is bij uitstek het stuk waarmee Beethoven de stijl van Mozart en Haydn terzijde schoof. Niet voor niets wordt zijn tweede, zo andere stijlperiode de 'heroïsche' genoemd. Als hij de door hem bewonderde Mozart had willen eren en gedenken, dan had hij daar toch beter een heel ander muziekstuk voor kunnen nemen. De symfonie is erg on-Mozartiaans. Ik weet niet veel van muziek, maar dit weet ik wel zeker! De Roos haalt alles uit de kast om ons van zijn visie te overtuigen en voert menig bewijs uit de noten aan. Wat mij betreft tevergeefs. Mogelijk vond Beethoven het helemaal niet leuk zich te moeten meten met een muzikale reus als Mozart en mogelijk heeft hij hiermee geworsteld. Maar dat de symfonie geschreven zou zijn ter nagedachtenis aan zijn twaalf jaar eerder overleden voorganger, wil er bij mij niet in. Ik houd het toch maar op Napoleon en/of Beethoven zelf en/of heroïek in het algemeen (waarvoor eigenlijk wel veel valt te zeggen). Overigens gaat De Roos nog veel verder, want hij meent dat Beethoven zijn hele leven heeft getobt met een enorm schuldgevoel jegens Mozart. Aantekeningen in Beethovens dagboek waaruit een schuldgevoel blijkt, worden door hem daarmee in verband gebracht. Ik meen dat er betere verklaringen zijn voor die aantekeningen en ik verwijs de geïnteresseerde maar weer eens naar het andere deel van deze website: 'Beethovens raadsels', de hoofdstukken VII en VIII over Beethoven en zijn familie. Ondertussen menen veel deskundigen dat Beethoven met de compositie van de symfonie de loop van de muziekgeschiedenis wijzigde. Als dat zo is, is het dan niet onvermijdelijk dit feit óók uit te drukken in de geschiedschrijving van de Westerse muziek? Is het dan niet onjuist om de klassieke stijl nog voort te laten duren tot 1808, 1815 of 1827? Ik meen dat dit kenteringspunt in die geschiedschrijving teruggevonden moet kunnen worden en dat deed me kiezen voor 1803 als omslag naar de Romantiek, ondanks alle nadelen daarvan. De première van de derde symfonie had slechts equivalenten in de première van de Sacre du Printemps in 1913 en de presentatie van het eerste atonale muziekstuk in hetzelfde jaar. Beide gebeurtenissen veroorzaakten een enorm schandaal, waarbij overigens niet uitgesloten kan worden dat het bij de Sacre min of meer was uitgelokt door de tegenstanders van de componist. Zoiets was op wat kleinere schaal ook bij de Beethovens symfonie het geval: vernietigende recensies in tijdschriften, een Franse officier die halverwege het eerste deel wanhopig uitriep dat hij er een stuiver (of een kwartje, de deskundigen verschillen van mening) voor over zou hebben als de muziek maar zou stoppen (niet veel, verdiende hij zo weinig?), en het verbijsterende feit dat in Praag de symfonie gedurende veertig (!) jaar niet werd uitgevoerd (na in 1807 daar in première te zijn gegaan), omdat de directeur van het Praagse conservatorium van mening was dat deze muziek slecht was voor de 'moraal van het volk', wat te denken geeft over de bekrompen opvattingen in die jaren. Trouwens, op datzelfde conservatorium waren Beethovens sonates gedurende lange tijd zelfs verboden. Dat ook kenners nog lange tijd worstelden met de symfonie, wordt bewezen door een blik op de recensies. In 1805 schreef het gezaghebbende tijdschrift Allgemeine Musikalische Zeitung dat er wel 'mooie passages' in te vinden zijn, maar dat Beet 'te vaak de regels uit het oog verliest', zodat er 'geen eenheid' is. De recensent verweet hem grillen en bizarre ideeën en schreef ietwat verwonderd dat de symfonie een ganze Stunde duurt. Dat het werk ondanks de gevoelde bezwaren een mijlpaal vormt in de muziekgeschiedenis, was kennelijk direct duidelijk, gezien de lange en uitgebreide beschrijving ervan in de AMZ. In 1806 schreef hetzelfde tijdschrift bij een recensie van de tweede symfonie tot mijn verbazing: Beethoven hat schon vor zwey Jahre eine dritte grosse Sinfonie geschrieben, ohngefähr in demselben Stil... Verder merkte ook deze recensent op dat de derde symfonie een vol uur zou hebben geduurd, welke opmerkingen nog altijd de nodige discussie veroorzaken tussen aanhangers van Beethovens eigen metronomiseringen (die leiden tot een beduidend kortere duur) en tegenstanders hiervan. In 1807 noemde het tijdschrift de symfonie 'te lang en te zwaar'. Twee jaar later echter had Beethoven het pleit gewonnen, want in 1809 was de AMZ eigenlijk alleen nog maar vol lof. Boeiend is Beethovens eigen visie op zijn derde symfonie. Toen iemand hem zeer veel jaren later vroeg welke van zijn symfonieën hem het beste beviel, noemde hij de derde, waarbij aangetekend moet worden dat hij zijn laatste nog niet had geschreven. Dat hij er zelf inderdaad heel tevreden over was, bewijst zijn brief aan Breitkopf & Härtel, de Leipziger uitgevers van de AMZ. Hij schreef: Wenn Sie glauben dass Sie mir damit schade, so irren Sie sich; vielmehr bringen Sie Ihre Zeitung durch so etwas in Misskredit. Hij had gelijk. Hij heeft zijn ontevredenheid over zijn eigen muziek op zeldzaam indrukwekkende wijze opgelost. Christus am Ölberge
(opus 85) Overige composities
|
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) Het Tripelconcert (opus 56, *1807, Bureau des Arts et d'Industrie, Wenen, première 1808) werd opgedragen aan Rudolph von Habsburg, Beethovens (invloed)rijkste mecenas. |
Bespreking(en) Tripelconcert (opus 56) Leonore/Fidelio
(opp.72 en 138,
première 20-11-1805, première eerste revisie 29-3-1806, première tweede
revisie 23-5-1814) Overige composities
|
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) Hoe vreemd! Middenin Beethovens creatiefste fase is de oogst toch nauwelijks meer dan de sonate die bekend staat als de Appassionata (opus 57, *1807, Bureau des Arts et d'Industrie, Wenen), opgedragen aan Franz Brunswick, de intimus, die zijn vriend toch zijn zuster niet gunde. Had Beethoven zijn hoofd (te) veel bij andere zaken dan de muziek, de liefde bijvoorbeeld? |
|
Orkestwerk WoO.2b |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
Bespreking(en)
Vierde pianoconcert (opus 58)
Razumowskykwartetten (opus 59)
Vierde symfonie (opus 60) Vioolconcert (opus 61) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Zoals ik al aanstipte, is opus 86 oorspronkelijk geschreven in opdracht van Esterházy, ter gelegenheid van de naamdag van zijn vrouw, hiertoe overgehaald door Haydn. Maar de opdrachtgever vond de mis niet mooi, uitte zijn kritiek op ontactische wijze, omstanders lachten en Beethoven verliet woedend het kasteel. Hij was zo boos dat hij de mis aan een ander opdroeg, overigens pas nadat hij een hele waslijst kandidaten had overwogen, waaronder Napoleons broer Louis/Lodewijk, die toen net door zijn beroemde broer op de vacante Nederlandse troon was neergezet. |
Bespreking(en) Coriolan (opus 62) Vijfde symfonie (opus 67) De invloed van de symfonie was in de negentiende eeuw enorm. De door mij niet bepaald gewaardeerde finale deed het in Frankrijk direct zeer goed, in tegenstelling tot de derde symfonie, wat op z'n minst merkwaardig mag worden genoemd. Herdoopt in marche militaire (of colossale of triomphale) werd de finale van de vijfde in Frankrijk om de haverklap uitgevoerd bij passende gelegenheden. De hier in Nederland zo bekende bijnaam 'Noodlotssymfonie' bereikte Frankrijk nimmer. Geen geklop op de deur aldaar. Ik schreef al iets over de schrijver E.Th.A.Hoffmann en zijn in mijn ogen toch erg overdreven reactie op zijn kennismaking met het stuk. Pathetisch schreef hij over een stralende, oogverblindende zon, die de diepe nacht verlicht, uiteraard met betrekking tot de overgang van het derde naar het vierde deel. Hoffmann heeft menig woord over Beethoven op papier gezet en het is niet al te gewaagd te stellen dat de verregaande romantisering van de componist bij hem is begonnen. Uiteraard mag Schindler in dit verband niet onvermeld blijven, evenals biograaf Marx, die tegenwoordig geregeld de wind van voren krijgt van sommige musicologen die menen dat het typisch romantische Beethovenbeeld vooral aan Marx is te danken. Maar ook Hoffmann kon er wat van. Als men zijn recensies leest, moet men als modern mens toch wat lachen om de ronkende, sentimentele bewoordingen, ondanks het feit dat men de indruk krijgt dat hij, zelf ook componist, beter dan veel van zijn tijdgenoten oog had voor het belang van Beethovens muziek en de invloed daarvan op het nageslacht, met uitzondering overigens van zijn oordeel over Beethovens liederen, die hij 'minder geslaagd' noemde, waarmee hij de basis legde voor het meestal weinig gunstige oordeel over dit onderdeel van Beethovens oeuvre. Dit is erg jammer, want er zit toch zoveel moois bij. Erg hinderlijk en mijns inziens minstens zo onjuist is Hoffmanns behoefte aan ieder stukje muziek van Beethoven een grote literaire waarde te geven. De muziek 'staat' altijd voor iets anders. Een gedicht, roman, gebeurtenis, situatie, zie maar. Zijn onwaarschijnlijk ongebreidelde fantasie ging veel te veel met hem op de loop en het probleem is dat hij zo heel erg serieus werd genomen. Pas na de sarcastische kritiek van Debussy, die schreef dat Beethovens muziek 'voor geen sou' literaire waarde heeft, werd dit overtrokken beeld wat bijgestuurd, maar helaas zijn we er nog altijd niet helemaal vrij van, zoals ik al constateerde. Integendeel. Het lijkt er veel op dat het onder musicologen en musici tegenwoordig opnieuw modieus is om te zoeken naar verborgen programma's achter absolute muziek. Ik vind dat een betreurenswaardige ontwikkeling en ik ben blijkbaar de enige niet, want nog niet zo lang geleden wonden Kinderman en Dahlhaus zich er ook over op. Kinderman memoreert de verregaande exercities op dit gebied van onder andere de hierboven bij de derde symfonie al genoemde Schering, benevens die van Mellers, die publiceerde in 1983. Voor Schering, die in de jaren dertig publiceerde, stak achter iedere Beethoven-compositie de vertoning van een drama, geschreven door oude Grieken of Romeinen, dan wel door wat recentere literatoren, zoals Shakespeare, Goethe en Schiller. Enkele voorbeelden: de zevende symfonie verbeeldt een gedeelte uit Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre, waarbij het eerste deel de ballade Der Zauberlehrling zou zijn met Mälzel als heksenmeester, het tweede deel zou verwijzen naar de 'idealisering' van mechanisch instrumentarium, terwijl daar in het derde 'automatisch dansende paren' aan toe worden gevoegd en in het vierde deel de Griekse god Pan ten tonele verschijnt, 'omdat' Beethoven de lettergreep 'pan' uit 'panharmonicon' hier zo goed bij vond passen. Men zal moeten toegeven dat Scherings fantasie indrukwekkend is. En onverdroten gaat hij verder. De late strijkkwartetten zijn scènes uit Goethes Faust en vioolsonate opus 30 verwijst naar -het kon niet uitblijven- de Werther. Mellers is van hetzelfde laken een pak, maar zijn fixatie is niet Goethe, maar God. Overal meent hij 'verborgen liederen' aan te treffen en gewoonlijk zijn die ter ere van God, hier en daar aangevuld met vrijmetselaarssymbolieken, met name in de Missa Solemnis, wat welk pikant mag worden genoemd gegeven het feit dat Beethoven geacht werd de muziek te componeren ter gelegenheid van Rudolph von Habsburgs benoeming als aartsbisschop. Verder meent Mellers dat Fidelio eigenlijk een religieuze opera is, terwijl de ingetrokken opdracht van de derde symfonie aan Napoleon een 'façade' was, want ook daar gaat het eigenlijk om God, te beluisteren in Leonores aria's. Ze fungeert hier als 'heraut' van God. Aldus Mellers. Ook Jander hoort verhalen en verborgen programma's in vrijwel iedere compositie van Beethoven, maar bij hem ligt de nadruk op het autobiografische element. Zo meent hij dat Beethoven in het derde deel van de vijfde laat horen hoe zijn gehoor achteruit was gegaan door in bepaalde gedeeltes een bijna volledige stilte te laten vallen. Beethovens ambivalentie over zijn veronderstelde, maar twijfelachtige overwinning op het noodlot wordt in de finale uitgedrukt door het bombastische, overdrevene ervan. De componist overschreeuwt zichzelf. Hij fluit in het donker. Aldus zo ongeveer Jander. De basis van dit soort uitweidingen werd dus niet alleen gelegd door E.Th.A.Hoffmann, maar ook door Marx in zijn uitvoerige biografie, die, hoewel een voortreffelijke analist van Beethovens oeuvre, vrijwel alle belangrijke composities een of andere buitenmuzikale betekenis toedichtte. Net als Kinderman en Dahlhaus neem ik dit soort interpretaties met een stevige schep zout en we zijn zeker de enigen niet. Forchert laat zelfs geen spaan heel van Schering in zijn boeiende opstel Scherings Beethovendeutung und ihre methodischen Voraussetzungen. Broyles is het daar wel mee eens, maar hij meent dat Kinderman, die zich meestal beperkt tot strikt muzikale 'verhalen' en gewoonlijk niet veel ziet in programmatische exercities, ook te ver gaat. Tegenover zielenknijpers als Schering, Mellers, Vetter, Jander en kort tot op zekere hoogte ook Lockwood, staan deskundigen die in het andere uiterste vervallen en iedere programmatische benadering als de ziekte mijden, zoals Dahlhaus, Forchert, Forte en in mindere mate ook Kinderman. Geen woord wijdt Forte in zijn publicatie The Compositional Matrix aan esthetiek en betekenis, uitsluitend de structuur van de muziek interesseert hem, waar de gemiddelde leek uiteraard absoluut niet mee uit de voeten kan. Want natuurlijk is het ook onjuist te veronderstellen dat er nooit enige buitenmuzikale betekenis aan een compositie van Beethoven zou moeten/kunnen worden gegeven. Dat is net zo verkeerd als overal een verhaaltje achter willen plakken. Kortom, kan er ook een gulden middenweg worden bewandeld, dames en heren deskundigen? Eén ding is zeker: over de achtergronden van de vijfde symfonie is menig verhaal in omloop en dat zal wel zo blijven. Bekend is Schindlers opmerking dat volgens Beethoven het noodlot 'zo' (de eerste vier noten dus) aan de deur zou kloppen. Dit wordt door de meeste hedendaagse onderzoekers niet meer serieus genomen en onlangs meende men het bewijs hiervoor te hebben aangetroffen toen men een muziekstuk uit het stof opdiepte, gecomponeerd door Cherubini. Het heet Hymne du Panthéon en staat in dezelfde toonsoort. Heeft Beethoven dit stuk leren kennen via violist Kreutzer bij diens bezoek aan Wenen? Niet onmogelijk. Toch kan niet worden ontkend dat het effect van Beethovens vier noten veel groter is dan die van Cherubini. Waarin zit hem het verschil? Mijns inziens in de pauze die volgt op de vier van Beethoven. Was het niet Mozart die opmerkte dat de beste muziek soms in de momenten van stilte te vinden is? Beethoven lijkt erg ingenomen te zijn geweest met dat klopmotief, want het is in nog menig stuk van hem te vinden. Het vioolconcert, Fidelio en strijkkwartet opus 130 zijn hiervan voorbeelden. Overigens komen die vier noten ook voor in een stuk van Clementi. Stel dat Beethoven de noten inderdaad van een andere componist 'leende', dan zou dit feit een aardige falsificatie van Schindlers anecdote kunnen zijn. Ook het verhaal dat Beethoven door de slag van de geelgors op het idee van die noten zou zijn gekomen, komt hiermee op de tocht te staan. Bovendien slaat de geelgors niet op deze manier, zo werd mij duidelijk toen ik eens de moeite nam mijn licht op te steken bij ornithologen. Het beestje maakt weliswaar dezelfde interval, maar het gebruikt voor zijn riedeltje heel wat meer noten dan Beethoven voor het indrukwekkende begin van zijn symfonie. De vogel klinkt ongeveer zo: ts-ts-ts-ts-ts-ts-tsuuuuu, de laatste noot gewoonlijk dalend, soms echter stijgend en in ieder geval veel langer dan Beethovens thema. Schindler was de eerste die met een anecdote over Beethoven en de vogels op de proppen kwam, in een gesprek met oerbiograaf Thayer en gerelateerd aan de Pastorale. Het notenvoorbeeld dat hij gaf, is echter heel anders (een zogenaamde arpeggio, inderdaad in de zesde symfonie aanwezig). Ook Czerny schreef over Beethovens vogels en zijn versie van het verhaal kan wel kloppen als we de roep van de geelgors een beetje inkorten. Thayer vermeldde Schindlers getuigenis in zijn biografie en voegde zijn notenvoorbeeld toe. Hij maakte hierbij helaas een vertaalfout, want hij vertaalde de waarschijnlijk door Schindler genoemde Goldammer met yellowhammer. Maar de roep van de yellowhammer (een bepaalde specht) lijkt helemaal niet op die van de Goldammer (geelgors). De gevolgen van Thayers foutje waren immens, want tot op de dag van vandaag treft men in Engelstalige boeken deze vergissing aan. De beroemde musicoloog Grove trachtte Schindler en Thayer te corrigeren en schreef dat de roep van de yellowhammer zeer veel lijkt op het begin van de vijfde, terwijl het gegeven notenvoorbeeld dat helemaal niet doet, wat dus slechts ten dele waar is. De niet minder beroemde musicoloog Tovey nam het allemaal niet serieus en veronderstelde dat Beethoven, verveeld door Schindlers voortdurende gevraag naar de bronnen van zijn inspiratie, de man maar wat op de mouw had gespeld. In 1993 verdiepte musicoloog Jander zich in het probleem en constateerde dat de door Schindler vermelde arpeggio de slag is van een bepaalde vink. En vervolgens kwamen die stukken van Cherubini en Clementi dus weer boven tafel. Is dit een falsificatie van het hele verhaal? Ach, het is natuurlijk wel leuk romantisch en vast en zeker deed natuurminnaar Beethoven wel eens inspiratie op bij vogels, maar dat de geelgors iets te maken had met de eerste noten van de vijfde, lijkt me toch wat twijfelachtig, tenzij we een bevestiging van Czerny's verhaal kunnen vinden, want als getuige moet hij serieus worden genomen, in tegenstelling (meestal) tot Schindler. Echter, stel dat Schindler Czerny's zegsman was? Hij refereert jammer genoeg niet aan Beethoven zelf als zijn getuige. Mocht ooit blijken dat Schindler toch geloofd moet worden, dan moeten we hem in zoverre corrigeren dat hij kennelijk de vijfde en de zesde symfonie door elkaar had gehaald. Want die arpeggio is te vinden in de zesde en die vier beroemde noten toch heus in de vijfde. Zeer beroemd is de sfeertekening van strijd, hoop, twijfel en overwinning van de symfonie, gekoppeld aan de diverse delen (de terminologie komt van biograaf Bekker), en mijns inziens is die typering zeer raak, maar ook enigszins ergerlijk. Want het valt niet mee om na lezing van Bekkers uitweidingen nog met onbevangen oren naar de vijfde te luisteren. Veel belachelijker echter dan Bekkers niet onjuiste visie is die van Steichen, die, overal in Beethovens oeuvre speurend naar bewijzen dat zo ongeveer iedere noot die hij geschreven zou hebben op de een of andere manier in verband zou hebben gestaan met zijn onsterfelijke geliefde aan wie hij in 1812 die beroemde liefdesbrief schreef, meent dat de vijfde eigenlijk een liefdesverklaring is. Steichen schrijft: Some day someone will record the Fifth Symphony with the 'imperious impatience' of 'desire, infinite, unappeasable', wat allemaal te maken zou hebben met zoiets banaals als de verlangens van een seksueel opgewonden man die bij zijn geliefde wil zijn, in Steichens visie Marie Erdödy. Maar wie schetst mijn verbazing toen ik al studerend onlangs las dat nog in de negentiende eeuw niemand minder dan Grove met een vergelijkbare uitleg kwam? Dit keer gerelateerd aan Therese Brunswick, van wie iedereen toen dacht dat ze Beethoven onsterfelijke geliefde geweest zou zijn. De vierde symfonie, aldus Grove, heeft te maken met Beethovens geheime verloving met Therese, de vijfde met de daarop volgende breuk. Zucht... Dit is hier de plaats om even in te gaan op de in het verleden vaak benadrukte afwisseling in de rij symfonieën wat betreft het al dan niet aanwezig zijn van voor de tijdgenoten schokkende effecten. Die afwisseling zou als volgt zijn geweest. Symfonie nr.1 kwam hard aan, men vond het maar een excentriek stuk. Symfonie nr.2 klonk een stuk aanvaardbaarder, ondanks de grotere muzikale afstand tot Haydn en Mozart, en viel dan ook wat beter in de smaak. Symfonie nr.3 deed de muzikale wereld op zijn grondvesten schudden. Symfonie nr.4 was weer een "net" stuk muziek, waarover eigenlijk maar weinig werd geschreven. Symfonie nr.5 kwam bij de oudere generatie nauwelijks minder hard aan dan nr.3, maar had veel succes bij de jeugd. Het experiment nr.6 is een buitenbeentje, maar daarna gaat het weer verder: met symfonie nr.7 hadden veel ouderen het moeilijk, veel jongeren waren er enthousiast over, symfonie nr.8 deed het bij iedereen heel goed en over symfonie nr.9 ontstonden heftige polemieken, hoewel het stuk bij de première een enorm succes was, maar dat had waarschijnlijk te maken met het feit dat het ging om de meest grootschalige symfonie ooit geschreven. Door wie? Door een vrijwel dove musicus, die op het podium stond tussen zijn orkest, zonder een noot van zijn muziek te horen. Zoiets spreekt tot de verbeelding van het grote publiek. Veel critici echter hadden hun bedenkingen tegen de symfonie. Alles bij elkaar lijkt het er een beetje op dat Beethovens symfonieën met even nummers toch relatief wat gemakkelijker aanvaard werden dan die met oneven nummers. Steekt hier iets achter en zo ja, wat? Was Beethoven zo voorzichtig om zijn publiek een beetje te vleien, nadat hij ze had geschokt met een erg controversieel werk? Besloot hij ze daarna iets gemakkelijkers te geven? Revolutionair zijn, prima, maar er moet toch ook brood op de plank! Had hij er misschien zelf ook wel behoefte aan om de boog niet altijd zo gespannen te laten zijn? Passend bij deze hypothese is het begin van de drie revolutionairste symfonieën (3e, 5e, 9e): de eerste twee zijn ronduit schokkend en in medias res, de laatste lijkt rustig te beginnen, maar al heel snel wordt de luisteraar alsnog in het diepe gegooid. Heel anders beginnen de andere symfonieën: relatief rustig of voorzien van een tamelijk lange en langzame introductie, zoals dat in de achttiende eeuw gebruikelijk was. Er is overigens wel geopperd dat de rustige introductie van de verder behoorlijk revolutionaire 7e een grapje van Beethoven was, die er plezier in had zijn luisteraars eerst op het verkeerde been te zetten en ze daarna alsnog op volle kracht met zijn eigenlijke intenties confronteren. Dit is niet onmogelijk. Met Beethoven weet men maar nooit. Mis in C (opus 86) Nur
wer die Sehnsucht kennt (WoO.134, *1810, Bureau des Arts et
d'Industrie, Wenen) |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Uit dit jaar dateert de oorspronkelijke versie van de koorfantasie opus 80, opgedragen aan de koning van Beieren, waarop ik bij de bespreking van het jaar 1809 uitvoerig terug zal komen. De eerste versie werd alsnog gepubliceerd als Hess 16. |
|
Bespreking(en) Pastorale (opus 68)
Cello/pianosonate (opus 69) Pianotrio's (opus 70) Für Elise
(WoO.59, *1867) Macbeth (Biamonti 454) Beethovens beroemdste concert |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
Bespreking(en) Vijfde pianoconcert (opus 73) Harfenquartett (opus 74)
Pianosonate en pianofantasie (opp.77 en 78) Koorfantasie (opus 80, *1811, Breitkopf & Härtel, Leipzig,
première 22-12-1808) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
|
Bespreking(en)
Les Adieux (opus 81a)
Egmont (opus 84, *1810, Breitkopf & Härtel, Leipzig,
première 15-6-1810) Quartetto serioso (opus 95) Een nieuw genre: volksliederen (WoO.152 en 155) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
Bespreking(en)
Zevende symfonie (opus 92)
Erzherzogtrio (opus 97) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
Bespreking(en)
Achtste symfonie (opus 93,*1817,
Steiner, Wenen, première 27-2-1814) en Beethovens metronomiseringen En dan nu een heikel onderwerp dat zeer in verband staat met de achtste symfonie: de canon Ta, ta, ta (WoO.162), waarvan men tot voor kort dacht dat het een goedmoedige bespotting van de metronoom was, voorafgaande aan de achtste symfonie geschreven in het voorjaar van 1812 en bedoeld als cadeautje voor uitvinder Mälzel. Mede als gevolg hiervan kreeg het tweede deel van de achtste het etiket 'humoristisch' opgeplakt en tot op de dag van vandaag kan men deze typering in concerttoelichtingen aantreffen. Maar er bestaat geen manuscript in Beethovens handschrift en in de jaren tachtig is onomstotelijk vast komen te staan dat Schindler na Beethovens dood de canon had gefabriceerd met een even duidelijk als vuig oogmerk: zijn zin doordrijven wat betreft zijn visie op Beethovens metronoomgetallen. Het belang van dit boerenbedrog kan nauwelijks worden overschat en daarom volgt hier een uitgebreide toelichting. De oprecht geïnteresseerde lezer zij overigens verwezen naar de uiterst belangrijke publicaties van Beck/Herre, Howell, Goldschmidt (in Zu Beethoven 2 en Die Erscheinung Beethoven), Stadlen, John en Seifert, allemaal gewijd aan Schindlers vele vervalsingen. De wat minder fanatieke lezer heeft hopelijk genoeg aan het hieronder volgende.
Conclusie: we kunnen gevoeglijk aannemen dat Schindler al bij de eerste herdruk van zijn biografie in 1845 het besluit had genomen valsheid in geschrifte te plegen, waarna hij de opmerkingen in de conversatieboekjes toevoegde en de canon componeerde, maar met de publicatie van het stuk nog even moest wachten op het overlijden van Brunswick. Schindler kreeg in alle opzichten zijn zin, want de musicologen slikten het allemaal voor zoete koek en de dirigenten gingen ertoe over het tweede deel van de achtste in het door Schindler gewenste tempo te spelen. Hij was erg boos op uitstekende dirigenten als Mendelssohn en Spohr die zijn inziens Beethovens muziek veel te snel uitvoerden, wat aardig in tegenspraak is met de visie die ik bij Kolisch aantrof: Beethovens tijdgenoten begrepen hem niet en konden zijn tempi niet bijhouden, zodat ze vanzelf langzamer gingen spelen. Ik geloof hier geen zier van, wat niet wegneemt dat Kolisch' publicatie zeer leerzaam is. Terug naar de vuige Schindler. Toen hij die stappen op het verkeerde pad eenmaal had gezet, moest hij wel doorgaan en hij fingeerde in diverse conversatieboekjes nog meer gesprekken over metronoomgetallen en tempi, waaruit zijn gelijk zou blijken. Zo zou Beethoven gezegd hebben dat men het juiste tempo van muziek moet aanvoelen (es ist dummes Zeug, man muss die Tempos fühlen, aldus Beethoven, beweerde een tijdgenoot van hem in een brief aan Thayer) en dat tempo rubato eigenlijk zo vanzelfsprekend was dat het overbodig was dit iedere keer weer boven een partituur te zetten. In een poging zijn standpunt nog verder te versterken, beweerde Schindler dat alle keren dat hij Beethoven piano had horen spelen, het tempo vrijwel altijd rubato was geweest en dat er nauwelijks sprake was geweest van metrische regelmaat. Zelfs beweerde Schindler dat er ooit twee soorten metronomen waren geweest, die in verschillende tempi slaan, terwijl Beethoven de trage had gehad, die uit de mode zou zijn geraakt. Vandaar de vergissing, aldus leugenaar Schindler.Weliswaar is het nodige gewijzigd in de loop der jaren aan het oorspronkelijke ontwerp, maar van twee essentieel verschillende soorten is nooit sprake geweest. Het is wel duidelijk dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat Schindler over dit onderwerp de waarheid sprak en schreef. Maar in de negentiende eeuw ging men overstag voor zijn autoriteit en men concludeerde ten onrechte dat Beethoven zich 'blijkbaar' had vergist toen hij zulke snelle metronoomgetallen bij zijn muziek plaatste of dat er sprake was van een of ander misverstand. Bovendien hechtte hij er zelf 'blijkbaar' toch weinig waarde aan, dus konden ze met een stevige korrel zout worden genomen. Tenslotte was er in de negentiende eeuw ook nog een algemene tendens tot vertraging van het tempo, wat mede te maken had met de veranderingen in het instrumentarium en de vergrote omvang van de orkesten. In de tweede helft van de negentiende eeuw was het gekozen tempo van Beethovens muziek geheel conform Schindlers wensen en pas ver in de twintigste eeuw begon men er vraagtekens bij te zetten. Ondanks het feit dat Schindlers bedrog inmiddels is bewezen, zijn er nog veel dirigenten van mening dat Beethovens metronoomgetallen te hoog zijn. Hij zou een kapotte of weinig nauwkeurige metronoom hebben gehad, hij zou weer eens last hebben gehad van een 'manische aanval' toen hij 'onspeelbaar' hoge getallen plaatste, hij zou het apparaat verkeerd hebben afgelezen, enfin, menige ingenieuze redenering is te vinden in de literatuur, waarbij echter iedereen het aflegt tegen die van De Roos, wiens redenering voor mij, niet-musicus, onbegrijpelijk is. Men zette zich schrap. In het eerste deel van zijn dwaze boekje onderneemt De Roos een heroïsche poging de lezer stukje bij beetje ervan te overtuigen dat vrijwel alle hedendaagse dirigenten zich vergissen. Hij schrijft dat Beethoven bewust 'onmogelijke' metronoomgetallen bij zijn muziek heeft gezet. Dat zou zijn gebeurd uit minachting voor zijn slecht musicerende tijdgenoten en bij wijze van wraak op Mälzel. Ieder metronoomgetal is een soort cryptogram en slechts op te lossen met veel intuïtie en nog meer fantasie, terwijl ook een grote kennis van de muziektechniek en de mathematica noodzakelijk is. Triomfantelijk schrijft hij dat het 'dus' een fabeltje is dat Beethoven zo slecht rekende. Toch staat in de conversatieboekjes menig voorbeeld van Beethovens miserabele rekenkunst. In zijn eigen handschrift, beslist niet in dat van vervalser Schindler! Dat is voor De Roos geen bezwaar. Geheel in het kielzog van de door hem gewoonlijk zeer verafschuwde Schindler wil hij per se zijn visie op Beethovens muziek aan ons opdringen en daarvoor moet de logica wijken. Je reinste mystiek is zijn veronderstelling dat aan dit alles een absoluut gevoel voor tijdseenheden ten grondslag ligt, dat men in de achttiende eeuw zou hebben bezeten, maar dat men vervolgens kwijtraakte, zodat we er nu niets meer van snappen. De zeer deskundige musicoloog Van der Zanden geeft De Roos de wind van voren en zijn opvatting over Beethovens metronoomgetallen sluit naadloos aan bij die van de man die het eerste deel van Beethovens tiende symfonie voltooide, B.Cooper, benevens de opvattingen van veel hedendaagse dirigenten die proberen de historische uitvoeringspraktijk weer te laten herleven. Gevoelsmatig onderschrijf ik hun aller visie wel. Mij klinkt het goed in de oren. Maar volgens De Roos zou de Eroïca een vol uur moeten duren, terwijl men tegenwoordig maar weinig boven de drie kwartier uitkomt. Hier heeft hij overigens wel een punt, want in een recensie in de Allgemeine Musikalische Zeitung naar aanleiding van de première staan de boeiende woorden ...dauert eine ganze Stunde. Vergiste de recensent zich of heeft Beethoven afgetikt en opnieuw laten beginnen? We weten het niet, helaas. Volgens De Roos zou ook het laatste deel van de negende veel langzamer moeten dan tegenwoordig gebruikelijk is en hij geeft voorbeelden van in mijn oren erg ouderwetse dirigenten, die het wél goed zouden hebben gedaan. Ik geef opnieuw toe dat ik maar een leek ben, maar zulke trage tempi bevallen mij niet. Verbluffend is dat De Roos de Mälzel-canon citeert zonder te vermelden dat het hem bekend is dat Schindler het stukje fabriceerde. Was hij er nog niet van op de hoogte in 1990, toen hij zijn boek schreef (uit 1984 dateert het onomstotelijke bewijs voor Schindlers bedrog)? Niet best voor een dirigent die zich zo intensief met de muziek van Beethoven en Mozart wenst bezig te houden! Helaas was tot mijn verbijstering zelfs in 2000 onderzoeker Gülke, die geregeld over Beethoven publiceert, hier nog niet van op de hoogte. Dit alles neemt niet weg dat De Roos iets naar voren brengt dat nog wel eens wordt verzwegen of over het hoofd gezien: een fiks gedeelte van de vaak als authentiek gepresenteerde metronoomgetallen is niet van Beethoven afkomstig, die pas in 1817, toen Mälzels metronoom min of meer zijn definitieve vorm had gekregen, besloot een gedeelte van zijn oeuvre van metronoomgetallen te voorzien, maar van leerlingen als Czerny en Ries, terwijl ook Moscheles een duit in het zakje deed. De metronoomgetallen voor de negende symfonie zijn geplaatst met behulp van neef Karl, die op dat moment zijn ooms voornaamste hulp was, uiteraard vooral in zijn contacten met de buitenwereld, maar blijkbaar ook als het ging om artistieke werkzaamheden. Beethoven sprak, Karl schreef. Twee vragen rijzen nu: heeft Karl de aanwijzingen van zijn oom correct opgevolgd en zijn er geen misverstanden geweest tussen oom en neef ten gevolge van de doofheid van de oom, dan wel anderszins? Ik kom op dit probleem nog terug bij de bespreking van de negende symfonie. Wat betreft de geloofwaardigheid van de door Czerny, Ries en Moscheles geplaatste getallen, tasten we natuurlijk eigenlijk in het duister, maar er is veel voor te zeggen ze serieus te nemen. De heren waren vertrouwd met Beethoven en ruimschoots deskundig genoeg, waarbij overigens aangetekend moet worden dat we over Czerny weten dat hij Beethovens sonates wel eens langzamer speelde dan de componist dat wenste. Dat Beethoven zelf veel belang hechtte aan Mälzels uitvinding, wordt bikkelhard bewezen door zijn brieven en aantekeningen. Ik citeer enkele passages. Metronom höchst
nötig (conversatieboekje aangaande opus 132, 1825) Onderzoekingen hebben aangetoond dat waarschijnlijk ook al in Mozarts tijd de tempi gemiddeld gesproken behoorlijk hoog waren. Een bewijs hiervoor is te vinden in de metronomiseringen door Hummel van werken van Mozart. Maar het indrukwekkendste bewijs voor Beethovens metronomiseringen van zijn eigen muziek lijkt op dit moment een nog maar kortgeleden opnieuw onder de aandacht gebracht feit, namelijk een experiment van Mälzel, die graag zoveel mogelijk metronomen wilde verkopen en daartoe in 1817 een waslijst componisten vroeg de diverse bekende Italiaanse aanwijzingen van hun eigen metronoomgetal te voorzien. Hij verzamelde er heel wat en publiceerde ze in 1821 in de Allgemeine musikalische Zeitung. Deze publicatie is verbluffend. Niet alleen blijkt dat de heren componisten het voortdurend met elkaar oneens waren, maar ook dat Beethovens metronomisering ongeveer dubbel zo snel was als die van zijn collega's. Dit zou toch voldoende moeten zijn om iedereen die twijfelt aan zijn opvallend hoge getallen, de mond te snoeren, hoewel het verschil hier wel heel erg groot is, misschien wel veel te groot om betrouwbaar te zijn. Boeiend is ook een brief, waarin Beethoven rept over het feit dat hij geen getallen kan geven aangezien zijn metronoom kapot is en ter reparatie bij de fabrikant ligt, terwijl hij erop wijst dat reeds ingeleverde getallen foutief zijn. Het betrof hier de achtste symfonie, die dan ook in eerste instantie zonder metronoomgetallen in druk verscheen. Deze briefpassage zou toch eigenlijk voldoende moeten zijn om de veronderstelling dat hij bij voortduring verkeerde getallen zette omdat zijn metronoom niet goed zou hebben gewerkt, naar de prullenbak te verwijzen. Kennelijk had hij het heel goed in de gaten als er iets niet in orde was met het apparaat, hoewel het natuurlijk niet onmogelijk is dat hij niet op tijd had gemerkt dat de metronoom niet in orde was en een fout over het hoofd had gezien. Maar dat hij al zijn getallen zou hebben gebaseerd op een kapotte metronoom, lijkt me met zekerheid uit te sluiten. Dat hij hield van een vlot tempo, valt ook niet te ontkennen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een brief aan een uitgever uit 1809, waarin hij schrijft dat zijn lied Ich denke dein moet worden voorzien van het opschrift 'allegro' in plaats van 'andante con moto'. Argument: sonst singt man's zu langsam. Als leek verlaat ik mij in deze discussie op deskundigen die hun visie goed onderbouwen en menen dat we zijn getallen moeten opvolgen, in ieder geval globaal (enkele uitzonderingen zijn er wel, zoals een slecht passend getal bij het laatste deel van de derde symfonie en diverse onduidelijkheden bij de negende symfonie). En ik leg de absurde visie van De Roos, die geen enkel bewijs offreert, naast me neer. Wat betreft Beethovens metronoomgetallen moeten we ons nu ook weer niet al té rigide opstellen, want hoewel het duidelijk is dat hij het een zeer belangrijke aanwijzing vond, die in principe opgevolgd diende te worden, is het ook een feit dat hij meende dat er momenten in een muziekstuk kunnen voorkomen waarop men subtiel van het getal dient af te wijken, zoals overtuigend blijkt uit de opmerking die hij toevoegde aan het metronoomgetal bij het lied So oder so, gecomponeerd in 1817. Hij schreef: Das Zwangstempo ist nur für die ersten Takten geeignet, da das Gefühl seinen eigenen inneren Zeit und Rhythmus folgt, die mit diesem Takt (100) nicht völlig ausgedruckt werden können. Dat lijkt me duidelijk genoeg. Kennelijk wenste hij enige souplesse bij de uitvoering en het kan niet worden ontkend dat dit wel een klein beetje past bij Schindlers opmerking dat Beethoven eigenlijk niet zo'n heel grote waarde hechtte aan de metronoom. Ook schreef hij een brief uit 1815 dat zijn enige oratorium een uur en negen minuten zou moeten duren. Moderne dirigenten zijn er in vijftig minuten mee klaar. Dat scheelt behoorlijk. Overigens, aldus Schindler, veranderde Beethoven ook wel eens van mening. Hij was eens zijn aanwijzingen kwijtgeraakt en plaatste toen maar nieuwe en zond die naar de uitgever. Toen hij de kwijtgeraakte aanwijzingen terug had gevonden, was hij oprecht verbaasd, want ze weken behoorlijk af van de nieuwe. Blijkbaar was een bepaald getal voor hem toch ook geen wet van Meden en Perzen. Degene die zich in deze problematiek verder wil verdiepen, verwijs ik naar het artikel van Jerold, onlangs verschenen in The Beethoven Journal. Dat er al tijdens Beethovens leven een levendige discussie gaande was over de haalbaarheid van zijn getallen blijkt bijvoorbeeld over een opmerking in een conversatieboekje, waarin goede vriend en duvelstoejager Holz vertelt dat een bepaalde, niet met name genoemde dirigent overhoop ligt met het tempo en niet bereid bleek naar Holz' goede raad te luisteren. De hamvraag die volgt op al deze exercities is: op welke momenten kan en moet er worden afgeweken van Beethovens afwijzingen en hoe? Tja, dat moeten de uitvoerenden inderdaad 'gewoon' aanvoelen. Hiermee maakte Beethoven het ons niet bepaald gemakkelijk. Ries schrijft over Beethovens pianospel de volgende memorabele woorden: Im Allgemeinen spielte er selbst seine Compositionen sehr launig, blieb jedoch meistest fest im Tacte, und trieb nur zuweilen, jedoch selten, das Tempo etwas. Mitunter hielt er in seinem crescendo mit ritartando das Tempo zurück, welches einen sehr schönen und höchst auffallenden Effekt machte. Beim spielen gab er bald in der rechten, bald in der linken Hand irgend einer Stelle schönen, schlechterdings unnachahmbaren Ausdruck; allein äussert selten setzte er Noten oder eine Verzierung zu. Ries' getuigenis geeft het beeld van iemand die in principe grote waarde hecht aan een correct tempo, maar zich op bepaalde, zorgvuldig afgewogen momenten vrijheden permitteert. Het schijnt dat Chopin wat betreft het hanteren van enige souplesse bij het tempo in Beethovens voetsporen trad. Zelf speelde hij zijn muziek behoorlijk vrij qua tempo, maar hij werd boos op leerlingen die zijn metronoomgetallen niet nauwkeurig opvolgden. Quod licet Iovi, non licet bovi? De hele discussie over Beethovens metronomiseringen zal, vrees ik, wel voortduren tot het moment waarop de mensheid geen interesse meer heeft in zijn muziek. Het voert hier dan ook veel te ver om alle andere theorieën over Beethovens inderdaad dus nogal controversiële metronoomgetallen aan een nader onderzoek te onderwerpen en ik verwijs de geïnteresseerde nogmaals naar de publicaties van Cooper, Van der Zanden, Metzger, Döhl/Talsma, Kolisch, Seifert, Stadlen, John, Howell, Haupt, Goldschmidt en Carter, allemaal te vinden in de bibliografie. Een enkel woord is voldoende voor de wel heel erg abjecte visie van Wagner, die fulmineerde tegen het feit dat de Jood Mendelssohn Beethovens getallen zo getrouw mogelijk opvolgde en in één adem laat weten dat een beetje Duitser een instinctieve afkeer van Joden heeft... Genoeg hierover. Ik meen dat er niet veel anders op zit dan die getallen in principe te aanvaarden, zij het met enige souplesse, en inderdaad bewijst de hedendaagse authentieke muziekpraktijk dat, op een enkele uitzondering na, de meeste getallen wel degelijk goed speelbaar zijn. Op één voorwaarde: de instrumentalisten moeten eersteklas musici zijn. Dat past uitstekend bij de perfectionist Beethoven. Hiervoor hoeven we geen mystieke redeneringen à la De Roos of afschuwelijk anti-semitisme à la Wagner uit de kast te halen. Toegegeven: het is soms even wennen. Helaas, met deze inventarisatie van de problemen zijn we er nog niet. Nog lang niet. Beethoven was de eerste componist van allure die gebruik maakte van de metronoom. Hoe het tempo van de muziek van zijn voorgangers moet zijn, weten we feitelijk niet. Echter, hij is niet als een fenomeen uit een andere wereld zonder enige historische achtergrond tussen ons gevallen. Integendeel, hij hechtte grote waarde aan wat zijn voorgangers van muziek dachten en het is duidelijk dat hij, ondanks zijn wens tot revolutie, in zeer veel opzichten de traditie voortzette. Het is niet waarschijnlijk dat zijn visie op tempo echt heel erg zal hebben verschild van die van bijvoorbeeld Mozart. We weten uit getuigenissen dat Mozart hield van een vlot tempo. Maar wat is 'vlot'? Zo vlot ongeveer als de smaak van Schindler, De Roos of Wagner, of zo vlot ongeveer als Beethovens getallen? We zitten met een groot probleem. Als we Beethovens getallen moeten opvolgen, moeten we dan de hele muziekgeschiedenis vóór hem herijken wat betreft de tempi, omdat hij toch heus dezelfde terminologie gebruikte en daarbij dus een bepaald getal plaatste? Leerzaam is ook dat de getallen (en de terminologie) die Schubert bij zijn muziek plaatste, meestal heel goed in overeenstemming zijn met die van Beethoven. Nu is het zo dat de laatste dertig jaar veel dirigenten toch al kozen voor hogere tempi bij het uitvoeren van werk van zeer veel componisten. Bach door een dirigent uit het begin van deze eeuw klinkt heel anders dan Bach door een hedendaagse dirigent. Men is, ook zonder de ontdekking van Schindlers bedrog, al jaren geleden tot de conclusie gekomen dat de visie van veel dirigenten op tempi niet correct was. Hulp bij de reconstructie was onder andere dansmuziek. Het tempo van deze muziek kan niet zo laag of zo hoog worden genomen, dat er niet meer op te dansen valt. Bach en andere Barokcomponisten produceerden menig dansmuziekje en schreven daarbij de gebruikelijke Italiaanse termen voor het tempo van de uitvoering. Dit gaf een standaard voor het interpreteren van dezelfde termen in andere muziek. We weten dus dat Mozart deze termen wat sneller opvatte dan zijn voorgangers. En toen kwam Beethoven, die ze van een getal voorzag. Helaas bedierf Schindler, zijn 'onbezoldigd secretaris' (dixit Schindler) de boel. Ik heb een visioen: Schindler in het hiernamaals, achtervolgd door een horde woedende componisten, Beethoven uiteraard voorop. Dat neemt niet weg dat er veel voetangels en klemmen aan het probleem van het juiste tempo zitten. Het lukt niet om nu maar gewoon te zeggen: opvolgen die metronoomgetallen, graag zo precies mogelijk. De instrumenten zijn namelijk in de loop der jaren veranderd. Vooral bij de piano geeft dat grote problemen. Het is soms onmogelijk om op een moderne piano het door de componist aangegeven tempo te spelen. Niet alleen Beethovens muziek heeft dit probleem, ook die van Chopin en Czerny bijvoorbeeld. De toetsen van de oude fortepiano verzonken veel minder diep bij het indrukken, waardoor een hoger tempo was te realiseren en in ieder geval tot 1800 varieerde ook de breedte. Hier en daar kan men veel smallere toetsen bij de oudere exemplaren aantreffen, zodat sommige grepen letterlijk een stuk haalbaarder waren. Pas vanaf 1800 werd de breedte van de toetsen gestandaardiseerd.1 Soms zit er bij een moderne piano en een pianist met kleine handen niet veel anders dan op de muziek aan te passen en een greep af te breken of een ingenieuze oplossing qua vingerzetting te bedenken. Nog een probleem voor de hedendaagse muziekbeoefening: de pedalen van de piano. In de loop der jaren zijn die zeer veel veranderd. Beethoven was de eerste die aanwijzingen voor het pedaalgebruik gaf. Maar het tegenwoordige pedaal doet iets heel anders dan het zijne. Bovendien schijnt het hier en daar wat onbegrijpelijk te zijn wat hij met zijn voorschriften bedoelde, zo melden mij althans de deskundigen. Er zit dan niet veel anders op dan een compromis te sluiten. De geïnteresseerde lezer zij verwezen naar de publicatie van Wegerer, die van de vier nog voorhanden zijnde piano's die Beethoven in Wenen ooit tot zijn beschikking had (een Vogel, een Érard, een Broadwood en een Graf, afgezien van de diverse Streichers en Walters die hij zal hebben bespeeld) de Érard, de Broadwood en de Graf aan een onderzoek heeft onderworpen en ruime aandacht besteedt aan de pedalen van deze instrumenten. Ondertussen is het verbijsterend -en mijns inziens ook bedroevend- dat dat fabeltje dat het tweede deel van de achtste zou verwijzen naar Mälzels metronoom, geleid heeft en nog steeds leidt tot allerlei zeer merkwaardige interpretaties van niet alleen deze symfonie, maar ook de volgende. Dirigenten van naam wijzen erop dat Beethoven toch ook zo gecharmeerd was van dat panharmonicon en bovendien was hij ook zo geinteresseerd in moderne uitvindingen, zoals stoommachines, zodat de werken die hij in de laatste tien jaar van zijn leven schreef, te maken moeten hebben gehad met machines, die tot zijn grote vreugde al het werk van mensen zouden gaan overnemen. Wat te denken bijvoorbeeld van het volgende voorbeeld, geopperd door een Nederlandse dirigent? Het eerste deel van de negende symfonie zou het starten van een stoommachine moeten verbeelden en het tweede deel het draaien van het apparaat.2 Hoewel ik de laatste zal zijn om te beweren dat ik weet waar Beethoven zijn inspiratie vandaan haalde, wil dit er bij mij toch echt niet in. Tegenstanders van Beethovens metronoomgetallen komen ook wel eens aangezet met een citaat waaruit zou blijken dat hij eigenlijk een grote hekel had aan alle mechanica. Inderdaad schreef hij eens iets dergelijks. Helaas verzuimt men dan de rest van de brief te citeren. Beethoven schreef in augustus 1826 aan een uitgever: Die Metronomisierungen (hol' der Teufel allen Mechanismus) folgen - folgen. Mich hat ein grosser Unglücksfall betroffen, aber durch Gottes Hilfe wird es sich noch vielleicht günstig wenden. En in het post scriptum komen we aan de weet waarover hij het had: Derjenige, welcher schon mehrmals die Briefe an Sie geschrieben, mein lieber angenommener Sohn kam beinahe durch sich selbst ums Leben, noch ist Rettung möglich. Als we ons realiseren dat Karl getracht had zich door het hoofd te schieten, komt zijn ooms opmerking over alle Mechanismus in een heel ander daglicht te staan! Dat neemt niet weg dat hij ook geen voorstander was van het al te strikt mechanisch volgen van metronoomgetallen, zoals hierboven al betoogd.Volledig herzien van Beethovens getallen lijkt mij echter een vorm van vervalsing en ik vind Metzger aan mijn kant. Hij gaat hevig tekeer tegen Wagners metronomiseringen en citeert aan het einde van zijn artikel zelfs Beethoven zelf, die eens op slechte recensie in een tijdschrift noteerde: Du elender Schuft! Was ich scheisse is besser als du je gedacht. Hij krijgt steun van zijn collega Riehn in hetzelfde tijdschrift, geheel gewijd aan het probleem van Beethovens metronomiseringen.
Viool/pianosonate (opus 96, *1816, Steiner, Wenen en Birchall,
Londen) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Helaas, nu wordt het even vervelend. Nu moet ik een hoop onaangename dingen gaan schrijven over Beethovens muziek. In het eerste halfjaar heeft hij nauwelijks iets geschreven. Hij leed aan een hevige depressie in die periode en dat had ongetwijfeld te maken met het de breuk met zijn onsterfelijke geliefde ergens na 6/7 juli 1812. Kennelijk besloot ze het er niet op te wagen met hem en dat greep hem heel erg aan. In de herfst van 1813 ging het weer een beetje beter met hem, maar over de kwaliteit van zijn composities valt nauwelijks iets positiefs mede te delen. |
|
Bespreking(en)
Wellingtons
Sieg oder Die Schlacht bei Vittoria
(opus 91)
Meeresstille und glückliche Fahrt
(opus 112) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Hoe ervoer Beethoven, in dit jaar de populaire componist en op handen gedragen door zowel politici als de gewone man, het congres van Wenen? Een oude vriend van hem schreef later dat het hem pijnlijk had getroffen de componist in 1814/15 aan te treffen onder de 'grofste materialisten'. Vast en zeker doelde hij op figuren als Mälzel. Toegegeven, ik vind het ook wat vreemd, net als Beethovens pluimstrijkerij bij al die hooggeplaatsten voor wie hij terecht eigenlijk geen enkel ontzag had. Nog erger is het dat hij in later jaren ontroerd over deze periode sprak, toen al die gekroonde hoofden hem eer bewezen, aldus Schindler, voor wie dit een reden werd om het begin van Beethovens laatste stijlperiode pas na het Wener congres te plaatsen. Natuurlijk, het is Schindler maar, we hoeven hem niet te geloven. Maar toch, we hebben helaas al die ondermaatse composities en om Beethovens vriendschap met Mälzel kunnen we ook niet heen. Het is allemaal slechts verklaarbaar uit de psychisch moeilijke situatie waarin hij toen verkeerde. Het geld en de roem vormden een doekje voor het bloeden. Misschien moeten we dat woord 'ontroerd' niet al te letterlijk nemen. Ik kan me voorstellen dat Beethoven met enig genoegen terugkeek op de jaren 1814/15, want het is altijd leuk als om eer te worden bewezen (en goed te worden betaald) door machtige mensen, ook al ziet men nog zo op ze neer. Dat is oermenselijk. Maar 'ontroerd' wil er bij mij toch niet goed in. Ik vrees dat we bij het correct inschatten van zijn positieve visie op zijn situatie in de 1814/15 rekening moeten houden met een minder fraai staaltje opportunisme zijnerzijds. Het toppunt van zijn uiterlijke triomf was een monsterconcert dat op 29 november 1814 werd gehouden. Op het programma stonden zowel Wellingtons Sieg als Der glorreiche Augenblick. De zaal zat vol met alle belangrijke personen uit de politiek. Het aantal decibellen bij Wellingtons Sieg was zo groot dat de wat calvinistisch uitgevallen koning van Pruisen reeds in het begin op de vlucht sloeg, wat hem niet verhinderde Beethoven een duur geschenk te sturen. Ik kan me voorstellen hoe vreemd de componist zich bij dit alles moet hebben gevoeld. Een droom? Een nachtmerrie? |
Bespreking(en)
Pianosonate (opus 90)
Der glorreiche
Augenblick (opus 136) Overige composities
|
------------------------------------------------------------------------------------
Noten (voor de diverse auteurs: zie de bibliografie, hoofdstuk X, alwaar men zoeke op naam van de auteur.)
1. Met dank aan Gerard Kras, die mij ook wees op de problematiek wat betreft de veranderde functie van de pedalen van de hedendaagse piano vergeleken bij de oude fortepiano.
2. Met dank aan mijn vriend Frank Verbeek.