VII BEETHOVENS DERDE STIJLPERIODE: 1815-1827

VII.1 Europa tijdens de Restauratie
VII.1.1 Politiek, economie en dagelijks leven

VII.1.2 Filosofie, wetenschap en kunst

VII.2 Biografie

Toelichting
Net als in het vorige hoofdstuk volgt hieronder geen landgebonden, maar een chronologische indeling en bespreking van de Europese politiek, omdat de politiek in deze periode in alle opzichten en in heel Europa werd beïnvloed door de consequenties van Napoleons optreden dat zulke vérstrekkende gevolgen had voor alle uithoeken van het continent.
Het congres van Wenen Waterloo en Napoleons dood De Restauratie
Na de glorieuze overwinning van de geallieerden nodigde keizer Franz de staatshoofden en hun ministers uit om naar Wenen te komen, teneinde daar Europa te herverdelen. In oktober 1814 was het zover. Vlak voor het congres had de stad ongeveer 250.000 inwoners, misschien iets meer. Tijdens het congres waren het er veel meer.1 Daar kwamen al die gasten vandaan? Iedere vorst en hooggeplaatste ambtenaar had een heel team van bedienden bij zich. Degenen die dat niet hadden, engageerden direct een hele staf. De huren stegen astronomisch, de middenstand deed goede zaken. Alle gekroonde hoofden woonden bij Franz en zijn keizerin, Maria Ludovica, in het paleis, de Hofburg. Hun voedsel kostte Franz zo'n 15.000 gulden per dag, omgerekend naar hedendaagse maatstaven is dat tenminste het drievoudige.2 Het was erg gezellig, dat congres. Wie kent niet het ten onrechte aan Talleyrand toegeschreven antwoord  (de Oostenrijkse veldmaarschalk Ligne mag ervoor tekenen): Le congres danse, mais ne marche pas, op een vraag of het allemaal een beetje opschoot? Minder bekend, maar nog geestiger is een uitspraak die in Wenen zeer populair werd en soms ten onrechte ook al aan Talleyrand wordt toegeschreven: "De Tsaar van Rusland bemint voor allen, de Koning van Denemarken drinkt voor allen, de Koning van Württemberg eet voor allen, de Koning van Pruisen denkt voor allen, de Koning van Beieren praat voor allen, de Keizer van Oostenrijk betaalt voor allen en Talleyrand belazert allen". Iedere avond was het bal. Of muziek. Of toneel. Of circus. Of vuurwerk. Of een groot diner. Of allemaal tegelijk, bij voorkeur graag. Met uitzondering van de Tsaar deden de koningen nauwelijks iets. Het eigenlijke werk werd door de ministers en hun ambtenaren gedaan. De onverwoestbare Talleyrand werkte als een paard. Hij wilde zo snel mogelijk weer weg, want hij hield niet van Wenen. Toen een dame hem verwelkomde met de opmerking dat hij nu ook eindelijk in Wenen was, antwoordde hij dat hij z'n uiterste best deed het feit te vergeten. De berichtgeving over de voortgang van het congres blonk uit door roddel en achterklap en had een indrukwekkend boulevardpersgehalte, waar met name Franz zich in schijnt te hebben verlustigd. Hij liet elke ochtend door zijn spionnen verslag uitbrengen van ieders nachtelijke belevenissen. Blijkbaar wilde hij graag weten wie het met wie deed. Of kwam het voort uit zijn gebruikelijke wantrouwen? Iemand schreef het volgende sarcastische commentaar op de berichtgeving: "Wat een plannen! Wat een projecten allemaal! De Tsaar zei dat en dat. De Pruisische koning groette die en die. De koning van Beieren lachte. De vette koning van Württemberg danste. Mon Dieu! Wat is dit allemaal belangrijk. Ik zit te trillen in een hoekje". En zo verstreek de tijd. Men confereerde wat, men trok eens een grensje en men schreef eens een kattebelletje, daarna nam men snel een hapje, dronk men een drankje, maakte men een dansje en versierde men een vrouwtje. Er valt gemakkelijk een boek te vullen met anecdotes over de seksuele escapades van de congresgangers en hun begeleidsters. Om de sfeer te tekenen, geef ik een korte selectie uit de vele roddelverhalen. De mooie vrouwen deden uiteraard hun uiterste best elkaar de loef af te steken met extravagante kleding en dito gedrag en men besloot een "Miss Congres" te kiezen. Hoewel Mrs beter op zijn plaats is, want ze was al een paar keer getrouwd geweest, Catherine Bagration, die de hoofdprijs kreeg. Ze had dan ook de bijnaam "de schone, naakte engel". De mannen gedroegen zich als haantjes, met de niet onaantrekkelijke Tsaar Alexander wel voorop. Wenen schrok zich wild bij het zien van 's mans gedrag. Als onvervalste Rus blonk hij niet uit door beschaving. Hij rochelde op de Perzische tapijten en het gepoetste parket en betastte met een zweterig handje de blote ruggen van de vrouwen. Maar hij had een intelligent gezicht met een leuke glimlach en hij danste heel erg goed, terwijl hij toch erg doof was. Tussen hem en Metternich (zie de achtergrond van dit hoofdstuk voor 's mans gezicht) bestond al snel een grote rivaliteit wat betreft de vrouwen. Hoofdpersonen waren een tweetal dames die elkaars bloed wel konden drinken en tot overmaat van ramp tegenover elkaar woonden. Wat een goudmijn voor de roddelpers! Metternich was hevig verliefd op één der dames. Ze zette hem voor het blok door te eisen dat hij voor haar zou scheiden. Hij peinsde er niet over. Hij was heel tevreden met zijn vrouw en stak zonder aarzelen over naar het andere appartement, naar de rivale dus, "de schone, naakte engel". Maar Catherine Bagration had al jaren een dochter van de Oostenrijkse minister en prefereerde nu de Tsaar, tot ongenoegen van zowel Metternich als de dame aan de overkant, die met Catherina om Alexander rivaliseerde. Maar daarin slaagde ze niet en ze troostte zich toen maar met een ander. Toen verliefde Metternich zich in een vrouw die geheel "in de Heer" was gekomen en deugdzaam probeerde te zijn. Het bracht haar in een hevig gewetensconflict. Hoewel ze zijn gevoelens beantwoordde, weigerde ze hem toch. (Vlak voor haar dood stuurde ze hem de as van zijn verbrande liefdesbrieven en een gebroken ring.) Toen de Tsaar was uitgekeken op Catherine, wier enorme schulden hij niettemin gul betaalde, werd hij verliefd op een vrouw die hem niet zag staan, uiteraard tot groot leedvermaak van Metternich. Na het vertrek van de Tsaar huilde ze tranen met tuiten van spijt omdat ze niet op zijn avances was ingegaan. Verbazingwekkend was trouwens Metternichs vrouw. Ze was absoluut niet jaloers, terwijl haar man de ene minnares na de andere had. Integendeel, ze zei dat ze niet begreep hoe een vrouw in staat zou zijn haar echtgenoot te weerstaan. Boeiend is ook de volgende roddel. Eugène de Beauharnais, Joséphines zoon uit haar eerste huwelijk, die een goede krijgsheer was geweest voor zijn stiefvader, maar toch na diens val met Talleyrand meeging naar Wenen, werd na zijn vertrek uit de stad hevig betreurd door alle vrouwen van lichte zeden, want het betekende een stevige teruggang in de inkomsten. Hoewel ook Talleyrand niet bepaald als een monnik door het leven ging, terwijl hij toch bisschop was geweest voordat hij minister werd, hield hij zich in Wenen nogal koest, wat ongetwijfeld met zijn grote voorzichtigheid te maken had. Hij had een belangrijke taak, hij moest Frankrijk redden. Musulin noemt hem "een wonder van politieke overleving". Inderdaad. Hij "diende" achtereenvolgens Louis XVI, de revolutionairen en Napoleon, de laatste als minister van buitenlandse zaken. Napoleon gaf hem zijn congé toen hij zich verzette tegen het vele oorlogvoeren en de plannen van zijn baas voor een Russische veldtocht. Napoleon noemde zijn minister een "hoop stront in een zijden kous" en Talleyrand kon gaan. Deze reageerde aristocratisch en constateerde dat het jammer was dat zo'n groot man zo slecht was opgevoed. Nauwelijks was Napoleon van het toneel verdwenen of daar was Talleyrand weer. Hij zag kans een voor Frankrijk onwaarschijnlijk voordelige vrede te sluiten. Eigenlijk diende hij niemand. Hij diende Frankrijk (en zichzelf natuurlijk, want hij werd er beslist niet armer van). Maar een ongelooflijke opportunist was hij natuurlijk wel, begiftigd met een indrukwekkend charisma, waar, ondanks zijn manke been en saaie uiterlijk (iemand vond hem nog het meeste lijken op een "dronken onderwijzer"), menige vrouw voor door de knieën ging, mogelijk als gevolg van zijn brille en sarcastische humor, waarin hij iedereen ruimschoots de baas was. Nog een hilarisch verhaal: Lord Castlereagh, de Engelse tegenspeler van Metternich en Talleyrand, kon op geen enkele manier in de schaduw staan van de Duitser en de Fransman en hij was helaas getrouwd met een vrouw die kans zag zich op ieder feest belachelijk te maken, vooral door haar rare kleding. Ze werd de risée van het congres toen ze haar mans Kouseband (hij was ridder in deze Engelse orde) als haarband gebruikte. Op aandringen van Talleyrand werd Castlereagh vervangen door Wellington. Zeer fraai is ook het volgende verhaal: de Oostenrijkse keizerin, de zeer magere Maria Ludovica, was de vaste begeleidster van de monsterlijk dikke koning van Württemberg, die een speciale plaats aan tafel had, waar men een halve cirkel uit had gezaagd, opdat hij zijn buik kwijt kon. Volgens mij was het pesterij van Franz en Metternich om die broodmagere vrouw op te zadelen met die dikzak, want het keizerlijke huwelijk was erg slecht en Metternich verafschuwde Maria Ludovica. De poedelprijs voor seksuele aantrekkelijkheid gaat ongetwijfeld naar de Deense koning, die zo lelijk was dat geen enkele Weense zich vrijwillig als zijn gezelschapsdame wilde opwerpen. Hij moest er veel voor betalen om iemand tot de zijne te maken en werd toen ook nog hevig op haar verliefd. Ze was een mooie vrouw en behield haar hele leven de bijnaam "Koningin van Denemarken". De eerste prijs voor decadentie gaat met vlag en wimpel naar Constantin, de homoseksuele broer van de Tsaar, door historicus Nicholson betiteld als that insane hyena. Hij liet geregeld een compagnie soldaten opdraven om voor hem te exerceren. Na ze zorgvuldig bekeken te hebben, koos hij er een paar uit. Die moesten mee naar zijn appartement, of ze nu wilden of niet. Herkennen we iets van de afkeurenswaardige mentaliteit uit de boeken van Sade en Choderlos de Laclos? Aan het lustiges Zusammensein van het congres kwam een onverwacht einde toen op een kwade ochtend in maart 1815 Metternichs bediende, tegen het uitdrukkelijk bevel van zijn langslapende baas in, om zes uur een brandbrief uit Italië op 's mans nachtkastje legde. Metternich (zie de achtergrond van dit hoofdstuk voor zijn gezicht), wilde verder slapen, maar hij was te nieuwsgierig en opende de brief om half acht. Reeds om acht uur maakte hij zijn opwachting bij de keizer. Om tien uur was iedereen ingelicht: Napoleon had Elba verlaten. Als een verschrikt kippenhok stoven de koningen en hun aanhang uit elkaar, snel naar huis, terwijl Marie Louise zo hard begon te huilen toen men haar inlichtte, dat de halve hofhouding haar kon horen. In Frankrijk daarentegen bleek Napoleons populariteit nog lang niet dood. Amusant zijn de Parijse krantenkoppen: 9 maart: 'De tijger is in Gap aangekomen',  11 maart: 'Het monster ligt in Grenoble', 16 maart: 'De tiran is door Lyon getrokken', 17 maart: 'De overweldiger bevindt zich reeds op 60 mijl van de hoofdstad', 18 maart: 'Bonaparte nadert met rasse schreden, maar hij zal Parijs nooit binnentrekken', 20 maart: 'Napoleon zal morgen voor onze wallen staan', 'De keizer is in Fontainebleau aangekomen' en tenslotte op 21 maart: 'Zijne Majesteit de Keizer heeft gisteravond temidden van zijn getrouwen zijn intocht in de Tuilerieën gehouden'. De rest van Europa besloot tot hervatting van de oorlog en we kennen de afloop: het gruweltoneel van Waterloo op 18 juni 1815. De mare gaat dat toen Blücher en Wellington elkaar na afloop van de slag omhelsden, de Duitser juichte Mein lieber Kamerad!, waarop de Engelsman diep zuchtte Quel affaire en dat was het enige Frans dat hij kende. Maar hij had gelijk: ruim 40.000 mannen waren gesneuveld, nog veel meer invalide geworden. De voormalige keizer verdween nu voorgoed van het politieke toneel, dit keer naar Sint Helena, waar hij een onwaardige strijd uitvocht met de Engelse gouverneur die op hem moest passen. Hij heeft nog geprobeerd te ontsnappen naar Amerika, maar daartoe moest hij zich in een ton verbergen in het ruim van een Engels schip. Het schijnt dat hij te dik was voor de ton. Eenmaal op Sint Helena verveelde hij zich ontzettend, dus wat kon hij anders doen dan de gouverneur pesten en de weinige vrouwen verleiden? Zijn memoires schrijven natuurlijk, maar op een dag waren ze klaar. Uit verveling ging hij toen maar dood, in 1821, tot grote opluchting van Marie Louise, want nu konden zij en Neipperg hun dochters tenminste echten. Toen hij het bericht van Napoleons dood vernam, vond Talleyrand het nog slechts een "nieuwtje". Officieel stierf Napoleon aan maagkanker, maar het is niet onmogelijk, hoewel ook niet erg waarschijnlijk dat hij door de gouverneur met arsenicum werd vergiftigd. Marie Louise noch zijn zoontje heeft hij ooit teruggezien. Marie Walewska stierf in 1817, haar zoon werd opgevoed in Polen, maar later kwam hij naar Frankrijk en daar bracht hij het tot minister van Buitenlandse Zaken. Vast en zeker had zijn afkomst daar het een en ander mee te maken. Veel mensen denken dat Napoleon, ondanks zijn veroveringsdrift, toch ook een hoop goede dingen heeft gedaan en dan wijzen ze op de wetboeken die onder zijn auspiciën tot stand kwamen, bekend als de Code Napoléon (Code civil en Code penal). Inderdaad staan er goede dingen in, maar minstens zoveel abjecte. Enkele voorbeelden volgen. De revolutionairen hadden lijfstraffen afgeschaft, Napoleon nam een wet aan waarin het mogelijk werd om recidivisten te brandmerken. De slavernij was afgeschaft, Napoleon stelde hem weer in, weliswaar beperkt tot de weinige koloniën die Frankrijk nog had. De revolutionairen hadden de huwelijkswetgeving op een moderne manier herzien, Napoleon draaide het weer terug, want hij minachtte vrouwen en achtte ze slechts geschikt voor het huwelijk, volledig onderworpen aan hun man. Vrouwen hadden bij hem geen rechten. Zelfs verlating was voor een vrouw geen echtscheidingsgrond, waardoor veel in de steek gelaten vrouwen in grote armoede leefden. Voor een man was overspel van zijn vrouw voldoende, een vrouw kon slechts echtscheiding verkrijgen als haar man zijn minnares in de echtelijke woning ontving. Een man daarentegen kon zijn overspelige echtgenote voor twee jaar naar de gevangenis laten sturen. Wel erkende de wet wederzijds goedvinden als grond tot echtscheiding. Uiteraard, want hoe had Napoleon anders van Joséphine af kunnen komen? Ontstellend is ook zijn besluit het bij de wet geregelde onderzoek naar het vaderschap te verbieden, zodat mannen volledig vrijuit gingen en bedrogen of verkrachte vrouwen hun leven in armoede en schande moesten doorbrengen. Geen wonder dat het aantal te vondeling gelegde kinderen enorm toenam. Ook in het onderwijs was nauwelijks plaats voor vrouwen. Napoleon stichtte nieuwe scholen, maar ze waren uitsluitend bestemd voor jongens. Voor de scholing van meisjes had hij geen interesse. Voor hen was leren lezen en schrijven, godsdienstonderwijs en handvaardigheid wel voldoende. Vaak komen Napoleons voorstanders aangezet met de nuttige burgerlijke stand, die al door de revolutionairen was ingesteld, maar door Napoleon verder uitgewerkt. Maar waarom deed hij dit? Uitsluitend vanwege de door hem ingestelde dienstplicht. Als men de jongelui niet weet te vinden, kan men ze ook niet oproepen. Dus bedacht de praktische keizer dat het een goed werkende burgerlijke stand uiterst nuttig zou kunnen zijn. Zoals iedere dictator nam hij zijn toevlucht tot repressie. Vanaf 1811 mochten er in Parijs nog maar vier dagbladen verschijnen, volgeschreven door gehoorzame redacteuren. Er werd uitgebreid gecensureerd en Napoleon dicteerde de bladen wat ze moesten schrijven. Dissidente schrijvers werden verbannen of gedeporteerd naar Haïti, waar ze wegkwijnden in het tropische klimaat. De kolonie was een soort "Goelagarchipel" voor Napoleon. Een sterk staaltje is ook de manier waarop hij probeerde in veroverde gebieden die zijns inziens bij Frankrijk hoorden de volkscultuur en de taal te onderdrukken. In Aken verbood hij de publicatie van Duitstalige kranten, want hij vond dat de Rijn Frankrijks "natuurlijke grens" was, in welke mening hij trouwens niet alleen stond. Menige Franse koning was hem hierin voorgegaan. Griezelig was Napoleons ontwerp van een systeem van bestuurlijke hechtenis: in het belang van de "staatsveiligheid" konden mensen zonder vorm van proces voor onbepaalde tijd gevangen worden gehouden. En het werd nog erger: als het nodig was voor de consolidatie van zijn macht had hij er geen enkele moeite mee om een moord te laten plegen. Toen hij vernam van een royalistisch complot (waarbij mogelijk de Engelse regering was betrokken) om een nieuwe Bourbon op de Franse troon te brengen, arresteerde hij de eerste de beste troonpretendent en liet hem stante pede executeren, hoewel hij geen enkele zekerheid had over de betrokkenheid van het jonge en waarschijnlijk onschuldige slachtoffer. Terecht sprak Europa er schande van. Schandalig is ook de manier waarop Napoleon zijn oudste broer op de Spaanse troon kreeg. Hij beloog, bedroog, en bedreigde de zittende koning op een wijze waarvan de haren een mens te berge rijzen. De Spanjaarden namen het niet en begonnen een guerilla-oorlog, waarvan de gruwelijkheden nauwelijks te geloven zijn. Later zei Napoleon eufemistisch dat die "Spaanse kwestie" hem de das had omgedaan en daarin had hij wel gelijk, want het vergde veel te veel van de krachten van zijn leger. Ontstellend was zijn minachting voor de grondwet, die hij toch bij zijn ambtsaanvaarding als consul officieel had erkend. Hij zei: "Een stukje papier heeft geen waarde als het niet door macht is ondersteund en een grondwet hoort zo opgesteld te zijn dat het optreden van de regering er niet door kan worden belemmerd. De ontwikkeling ervan moet altijd ondergeschikt zijn aan de mannen en de omstandigheden". Merkwaardig en een grote vergissing is dat hij, in veel opzichten toch wel degelijk een modern mens, meende dat Frankrijk een landbouwnatie moest blijven, want dat "de toekomst niet aan de industrie zou zijn". Uiterst cynisch (maar inderdaad modern) was zijn visie op de religie. Dat had niets te maken met God en het hiernamaals, maar het was een nuttige instelling, noodzakelijk "om de sociale orde te handhaven". Het is droevig dat men ook bij hedendaagse historici nog wel eens persoonsverheerlijking van Napoleon aantreft. Thijsse bijvoorbeeld keurt de revolutie streng af vanwege het bloedvergieten, maar zwijgt over de vele oorlogsslachtoffers. Bouman heeft voor Napoleon veel bewondering. Hij schrijft dat de keizer inzag dat slechts met een militaire dictatuur de orde in Frankrijk zou kunnen worden hersteld, dat zijn wetten indrukwekkend waren (ondanks de discriminatie van vrouwen), dat de nieuwe scholen uitstekend waren, (ondanks de uitsluiting van meisjes), en dat hij het helemaal niet leuk vond om oorlog te "moeten" voeren tegen Engeland, omdat hij het zoveel plezieriger vond om "creatief bezig te zijn" met de binnenlandse politiek. Napoleon, aldus Bouman, maakte een einde aan de "echtscheidingsrage en de dansmanie" en hij trad streng op tegen de "zedeloosheid". Toch moet zelfs de meest fervente hater van de Franse keizer toegeven dat hij ook wel een paar goede dingen heeft gedaan, zij het voornamelijk zijns ondanks. Men zou kunnen stellen dat dankzij zijn krachtdadige optreden er geen terugval naar feodalisme en absolutisme plaatsgreep. Hij heeft een consolidatie van bepaalde moderne opvattingen over de inrichting van de staat en de rechten van de burger bewerkstelligd. Maar het is heel goed mogelijk dat dat zonder zijn optreden ook wel was gebeurd. De veel te weinig besproken trieste kant van zijn leven is dat hij ooit wel degelijk vervuld was geweest van goede bedoelingen. Maar alles pakte anders uit. Si vis pacem, para bellum...  En toen zag de wereld er ineens heel anders uit, want op het congres was Europa "herbouwd". Aan Engeland, de grote overwinnaar, was niets veranderd, in tegenstelling tot de situatie op het vasteland. Er waren nog maar 38 of 39 staten (ik kwam beide aantallen tegen in geschiedenisboeken) en staatjes in Duitsland, verenigd in de Duitse Bond, met Oostenrijk als voorzitter. Frankrijk was weer vrijwel binnen zijn oude grenzen. Het land was een tikje kleiner geworden. Nederland en België waren verenigd in een koninkrijk dat maar vijftien jaar stand hield. Luxemburg hoorde bij de Duitse Bond. Het arme Polen was opnieuw opgedeeld: een deel ging naar Pruisen, een ander deel naar Rusland, een derde deel was een aparte monarchie, die echter in een personele unie met Rusland was verbonden. Deze deling zette in de loop der jaren zeer veel kwaad bloed bij de Polen. Oostenrijk, de tweede overwinnaar, had zowel in het westen als in het oosten land erbij gekregen en de Italiaanse bezittingen teruggekregen. Italië bestond nu uit zeven verschillende staten. Het Koninkrijk van Napels had Sicilië erbij gekregen en heette nu het "Koninkrijk der beide Siciliën". Corsica bleef aan Frankrijk. Sardinië en een stukje van het Italiaanse vasteland vormden samen het "Koninkrijk van Sardinië". Noorwegen hoorde nu bij Zweden, Denemarken was een aparte staat en Finland was toegevoegd aan Rusland. Tot beter begrip bestudere de lezer het hieronder afgebeelde kaartje. De periode na 1815 wordt "Restauratie" genoemd en die benaming is wel correct, want het conservatisme sloeg toe. Men wilde rust, men had genoeg van de oorlog. Al die revolutionaire toestanden hadden alleen maar verdriet, ellende en armoede veroorzaakt. In zo'n sfeer was het gemakkelijk genoeg voor Metternich om Oostenrijk om te bouwen tot een onvervalste politiestaat. In 1819 zette hij een belangrijke stap met het uitvaardigen van de "Decreten van Karlsbad", waarin de toch al zeer strenge censuur werd verscherpt, de persvrijheid nog verder aan banden werd gelegd en de controle op de universiteit veel strenger werd. Aanleiding was de moord door een radicale student op de met Beethoven bevriende toneelschrijver Kotzebue. Metternich en Franz waren allebei zeer wantrouwend van aard en met het klimmen der jaren werd dat erger. In dit verband was de beruchte Hager op het politieke toneel verschenen in de rol van hoofd van de politie, die ook in het leven van Beethovens goede vriendin Josephine Brunswick een onaangename rol speelde, waarvoor ik maar weer eens verwijs naar "Beethovens raadsels", hoofdstukken III tot en met VI. Maar erg lang was Hager niet aan bewind, want in 1815 werd hij opgevolgd door Sedlnitzky die nog veel sluwer, volgzamer en conservatiever was en de bijnaam Metternichs Pudel kreeg. Vanaf Franz' troonsbestijging was er een uitgebreid spionagenet in Wenen, dat steeds geraffineerder te werk ging. Franz had een ziekelijke angst voor de Vrijmetselaars, welke beweging in de loop van de achttiende eeuw uit Engeland was overgewaaid. Iedereen die hiervan werd verdacht, werd constant in het oog gehouden door spionnen, die braaf op gezette tijden aan de politiechef verslag uitbrachten. In een conversatieboekje schrijft een vriend van Beethoven met misnoegen over lauter verkleidete Polizey die herumschleicht. Deze agenten hadden allemaal een zeer nederige functie, maar ze werden uitstekend betaald. Echter niet officieel. In geval van problemen waren ze geheel op zichzelf teruggeworpen. Het werd steeds erger met de censuur. Op het laatst kwam er haast geen buitenlands boek meer over de grens, geen brief was meer veilig. De censor maakte zich volstrekt belachelijk door zelfs de onschuldigste zinnetjes te schrappen, zoals "prachtige boezem". Het moest worden veranderd in "goed gebouwd". Ook voor nationalistische gevoelens, die overal de kop op staken, vooral in studentenkringen, waren Franz en Metternich als de dood. Dit had tot gevolg dat er geen liedjes met buitenlandse tekst mochten worden gezongen, ook al gingen ze slechts over een grasspriet. Men zou eens op slechte gedachten, gevoed met buitenlands vergif, kunnen komen. Metternich moet zeker worden geloofd en geprezen om de wijze waarop hij op uiterst sluwe wijze weerstand bood aan Napoleon, maar over de manier waarop hij de Oostenrijkers na 1815 monddood trachtte te maken, valt weinig goeds te melden. Overigens was elders in Europa de politieke situatie niet veel beter. In Spanje stelde men zelfs de Inquisitie weer in en Goya moest op het matje komen vanwege zijn seksy Maya desnuda, terwijl het doek al zo'n twaalf jaar oud was. Geheel passend bij hun paranoia was de angst die Franz en Metternich hadden voor de populariteit van L'Aiglon, zoals Napoleon zijn zoontje placht te noemen. De jongen had een aardje naar zijn vaartje. Hij was begaafd, energiek en wilskrachtig. Alle pogingen om zijn Franse afkomst te verloochenen ten spijt groeide hij op tot een jongmens met adoratie voor zijn vader. Hij kende alle veldslagen tot in de details. Hij was populair en had een zeer aantrekkelijk uiterlijk. Hij gaf weinig om zijn dommige moeder, die zich niet veel meer aan hem gelegen liet liggen. Slechts driemaal maakte ze de reis van Italië naar Wenen. Nimmer stonden Franz en Metternich L'Aiglon toe haar in haar woonplaats te bezoeken. Toen ze voor de vierde keer naar Wenen ging, lag haar zoon op sterven. Eens zei hij dat hij liever Joséphine als moeder had gehad. Blijkbaar had hij begrepen dat zij, veel meer dan Marie Louise, de vrouw van zijn vader was geweest. Toen in zijn late puberteit zijn gezondheid slecht werd, verschenen de populaire artsen Malfatti en Staudenheim (Malfatti was een familielid van de ooit door Beethoven beminde Teresa) aan zijn ziekbed. Deze succesvolle dokters, die ook als artsen in Beethovens leven een rol speelden, waren opgeklommen tot medisch adviseur van de keizer en in deze functie waarschuwde Malfatti dat de longen van Napoleons zoon slecht waren en dat hij moest worden ontzien. Maar dat gebeurde niet. Integendeel, want hij kreeg een straffe opvoeding en in het leger werd hij aan een strenge discipline onderworpen. Het werd hem noodlottig. Op 21-jarige leeftijd stierf hij. Al snel ging het gerucht dat hij was vergiftigd. Inderdaad is het vreemd dat Malfatti na zijn eerste waarschuwingen nooit meer iets zei over zieke longen. Hij schreef leugenachtige brieven naar Marie Louise, die wel bezorgd werd, maar erg passief was ten gevolge van een depressie, omdat Neipperg net was gestorven, wat haar overigens niet verhinderde zich direct een nieuwe minnaar aan te schaffen. Pas toen de toestand van de jongeman echt kritiek werd, vertrok ze naar Wenen. Zat Metternich achter de voortijdige dood van L'Aiglon? In principe is dit niet onmogelijk. Tenslotte was hij inderdaad een bedreiging. Ik geloof er echter niets van dat Malfatti Beethoven een handje heeft geholpen met voortijdig sterven, zoals wordt beweerd door De Roos, die meent dat Beethoven door Metternich c.s. gezien werd als wat al te dissident. Ik verwijs naar "Beethovens raadsels" (hoofdstuk X.2), alwaar men uitvoerig kan lezen over De Roos' verbluffende visie dat Beethoven gekozen zou hebben voor een vrijwillige dood, waar Malfatti, op last van hogerhand, aan zou hebben meegeholpen (De Roos zelf lezen kan natuurlijk ook: zie de bibliografie). Toch is het in principe niet onmogelijk dat Malfatti, met of zonder hulp van Staudenheim, iets dergelijks wel met L'Aiglon heeft gedaan, die bezig was zich te ontwikkelen tot een opvallend boegbeeld voor iedereen die zich "Bonapartist" noemde. Onderzoekingen hebben echter aangetoond dat er hoogstens sprake kan zijn geweest van verwaarlozing tijdens de ziekte van de jongeman, echter niet van vergiftiging. De doodsoorzaak is eigenlijk onbekend. Ook de onvermijdelijke syfilis is gesuggereerd, evenals "uitputting" ten gevolge van (homo)seksuele uitspattingen, terwijl zijn beste vriend notabene beweerde dat hij, L'Aiglon, maagdelijk was gestorven. Voer voor Napoleon-exegeten!

Europa na de Restauratie
Europa na 1815

Het dagelijks leven
De mode van de RestauratieDe mode werd helaas weer zeer "keurig", in ieder geval voor de vrouwen. Ze werden opnieuw opgeprikte poppen met veel te veel kleren aan. Weg waren de doorschijnende gewaden, de rokken werden breder en langer, de stoffen zwaarder, vaak donker of met grote bloemmotieven. De volgende stijl, de Biedermeier (in Engeland gebruikt men de term Regency voor de periode van ongeveer 1811 tot ongeveer 1820), raakte in zwang en dat betekende hoe langer hoe meer versieringen, strookjes, strikjes en kwikjes, lange, brede mouwen, grote hoeden, vaak voorzien van een zeer brede luifel, en ingewikkelde kapsels. Stevige korsetten en dito onderjurken kwamen terug. De onderbroek werd eindelijk aanvaard en reikte bij volwassen vrouwen tot de knie, bij kleine meisjes tot de enkel. De schoenen hadden geen hakken, behalve de korte, niet onelegante laarsjes. De kleding van de mannen werd nog soberder en het (vrijwel) effen twee- of driedelige kostuum zoals wij dat kennen, ontstond. Sieraden en andere opschik voor mannen was volledig uit de mode geraakt. De keurige burgerman was geboren, de steunpilaar van de maatschappij, gehuld in een net, donker, onopvallend pak. Gelukkig bracht in Engeland de dandy, een rijk, excentriek, extravagant gekleed jongmens dat de hele dag bezig was met zijn uiterlijk en bij voorkeur drie keer per dag van kleding wisselde, nog wat leven in de saaie brouwerij van de negentiende-eeuwse mannenmode. De bekendste van allemaal, Beau Brummell, was overigens ook de uitvinder van iets nuttigs: schoensmeer. Het meubilair werd weer voorzien van "gezellige" krullen, tierelantijnen en grote bloemmotieven, die mijn goedkeuring niet kunnen wegdragen, terwijl tijdens de periode waarin Napoleon aan de macht was, de meubels er naar mijn smaak juist wel leuk uitzagen: weliswaar overdreven en pompeus, maar recht, stoer, minder versierd, geïnspireerd op de Griekse of Egyptische architectuur, de bekleding effen of met een bescheiden patroontje. In de tuininrichting was de symmetrische Franse tuin geheel uit de mode geraakt. De Engelse landschapstuin werd nu populair en dat was één van de weinige, blijvende verbeteringen in de mode, meen ik.
Hygiëne, voedsel, gezondheid
Het is altijd weer ongelooflijk te vernemen hoe traag sommige medische nonsens uit de mode raakt, zelfs bij de heren doktoren zelf. Tijdens de Napoleontische oorlogen was menige soldaat op het slagveld gestorven ten gevolge van de behandeling met bloedzuigers, terwijl de stakker al zoveel bloed had verloren. Napoleons lijfarts was verzot op bloedzuigers en prompt ging men hem na doen. Tenslotte was hij de dokter van de keizer, die moest toch wel goed zijn. Gigantische aantallen bloedzuigers werden geïmporteerd, want alleen de soort bloedzuiger die nog in Amerika voorkwam, is geschikt voor zijn taak bij mensen (de populatie van de gewenste soort in Europa was vrijwel uitgeroeid). Ook met de hygiëne was het nog vaak droevig gesteld en het zou nog lang duren voordat in alle grote steden in Europa een goede riolering was aangelegd. In Parijs ging de aanleg ervan gepaard met luid gemor van de putjesscheppers, die hun inkomen bedreigd zagen. Aansluiting op de waterleiding schitterde zelfs halverwege de negentiende eeuw in de huizen van de gewone man nog door afwezigheid. Maar de toestand van het water was bijna overal sterk verbeterd. Dat de urbanisatie aan het begin van de negentiende eeuw een kloof deed ontstaan tussen de levensverwachting in de volgepakte centra van de steden en die in de betere buitenwijken, blijkt wel uit de sterftecijfers: rond 1825 bedroeg het ruwe sterftecijfer in Parijs 1 op de 71 inwoners in het ruim gebouwde derde arrondissement, daarentegen 1 op de 44 in het proletarische twaalfde. Een heel morbide probleem was de berg paardenlijken, die in de jaren 1813/15 verspreid over Duitsland, België en Frankrijk lag te rotten: daar waar de slagvelden waren geweest. Opruimen was er niet of nauwelijks bij en ze lagen gewoon in de buitenlucht te vergaan. Ongelooflijk smerig, naar onze begrippen, en ongetwijfeld zal dit menige epidemie hebben veroorzaakt. Een belangrijke voortuitgang was de installatie van gaslichtlantaarns op de openbare wegen in de grote steden. In 1814 gebeurde dat voor het eerst in een wijk van Londen, in 1823 waren al vijftig Europese steden gedeeltelijk van gaslicht voorzien.
Onderwijs, geestelijk leven, mentaliteit
De ingestorte economie had een daling van het toch al niet bepaald hoge zedelijk peil tot gevolg. Want wat was gemakkelijker dan de prostitutie? Wat dat betreft had Wenen trouwens een naam te verliezen. Zelfs meisjes uit de gegoede burgerij besloten op deze wijze de kost te verdienen in die onzekere jaren tijdens en na de Napoleontische oorlogen. Op een bepaald moment meende men in Wenen zo'n 20.000 vrouwen te tellen die zich tenminste gedeeltelijk door prostitutie in leven hielden. Dit was een doorn in het oog van de door en door katholieke Franz, die de ene na de andere maatregel afkondigde om het verschijnsel aan banden te leggen. Hij had weinig succes. De Weense bevolking trok zich er niets van aan, zoals gewoonlijk, want ook in de achttiende eeuw was al ettelijke malen geprobeerd de prostitutie terug te dringen met draconische maatregelen, zoals kaal scheren, dwangarbeid en zeer strenge controle. Allemaal tevergeefs. Boerendochters die naar de stad trokken in een poging een beter bestaan op te bouwen, ontdekten dat de spoeling dun was en de betaling vaak abominabel. De verleiding was groot om dan maar op een minder fatsoenlijke manier het brood op de plank te verdienen. In het grote Parijs was het aantal prostituées trouwens nog veel hoger dan in Wenen: maar liefst 50.000. Ambachtslieden, ambtenaren en bedienden hadden het in Wenen niet breed, maar ze zagen meestal wel kans om rond te komen. Maar toen de toneelschrijver Grillparzer solliciteerde naar de functie van bibliothecaris kreeg hij te horen dat hij een salaris wel kon vergeten. De eer moest maar voldoende zijn. Studenten kregen van staatswege een paar laarzen en een jas. Van een toelage was geen sprake. Arme jongelui die toch wilden studeren, gingen letterlijk uit bedelen. In de jaren twintig herstelde de economie zich langzaam, waardoor de financiële positie van veel Oostenrijkers wat verbeterde. Een akelig voorbeeld van de repressie op seksueel gebied is de gang van zaken wat betreft de homoseksualiteit. De revolutionairen hadden dit "schandelijk misdrijf", waarvoor men in de achttiende eeuw ter dood kon worden veroordeeld (wat de decadente adel niet verhinderde zich er uit pure verveling mee te amuseren), uit de strafwet gehaald (in Frankrijk al in 1791, Nederland volgde in 1811, Beieren twee jaar later). Tijdens de Restauratie echter werd de situatie van homo's al snel weer slechter en in de loop van de negentiende eeuw werden mannelijke homo's in veel Europese landen opnieuw strafbare "sodomieten", maar tegenover lesbiennes bleef men toleranter. De verbetering van het onderwijs ging onverdroten verder, zodat het analfabetisme snel verminderde. Toch waren er nog steeds enorme verschillen tussen de diverse landen. In 1850 kon maar liefst 90% van de Zweden lezen en schrijven, in Rusland nog maar 10%. Oostenrijk en Pruisen liepen voorop wat betreft het stichten van scholen, maar in Frankrijk was het aantal mensen dat kon lezen en schrijven toch wat hoger, zij het lang niet zo hoog als in Engeland en Nederland. Wat onderwijs betreft is Nederland in het verleden altijd een lichtend voorbeeld geweest voor de rest van Europa. Al in de zestiende eeuw verbaasden buitenlanders zich over het feit dat in Nederland zelfs bijna alle vrouwen konden lezen en schrijven. Daarvan was de rest van Europa op dat moment nog heel ver verwijderd. Een zeer belangrijke mentaliteitsverandering was de privatisering van het bestaan. Men ging steeds minder "publiekelijk" met elkaar om. In de achttiende eeuw woonde de adel feitelijk nog temidden van zijn bedienden, in het rijke burgermansgezin van de negentiende eeuw was het personeel verbannen naar het souterrain. Het openbare karakter van familiegebeurtenissen als geboorte, huwelijk en dood raakte verloren. Men raakte op z'n privacy gesteld en dat was in de Westerse cultuur betrekkelijk nieuw. Maar ongetwijfeld de allerbelangrijkste maatschappelijke verandering was de verdwijning van de grote standsverschillen, vrijwel overal in Europa, behalve tot op zekere hoogte in Rusland. De klap die de revolutie daaraan had toegebracht, veroorzaakte definitieve veranderingen, die nog altijd voortduren. Ook wij leven in een typische bourgeoismaatschappij, net als de Europeaan uit de vroege negentiende eeuw. De revolutie had de burger aan de macht gebracht, niet het proletariaat, dat zo z'n best had gedaan de omwenteling te realiseren, terwijl de adel zich toch wel degelijk uitstekend had weten te handhaven. Echter niet meer als aparte stand. De elite bestond nu uit een combinatie van oude adel, invloedrijke intellectuelen en rijke zakenlieden, terwijl de (katholieke) kerk eigenlijk de grote verliezer was. En dat is nog steeds zo.


Terug naar boven

beethovens derde stijlperiode: 1815-1827
VII.1.2 Filosofie, wetenschap en beeldende kunst
Filosofie en literatuur
Frankrijk
In Frankrijk valt de blik op de schrijver Stendhal. Hij voelde zich zeer gehinderd door de bekrompenheid van de Restauratie. Zijn beroemde Le Rouge et le Noir is boordevol dramatiek en emoties en voorzien van een indrukwekkend inzicht in de verborgen beweegredenen van het menselijk handelen. Des te merkwaardiger is zijn blinde verering voor Napoleon, terwijl hij notabene de Russische veldtocht meemaakte, tijdens welke tocht hij per brief uitvoerig klaagde over zijn kiespijn en de slechte wijn. Nauwelijks een woord kon eraf over de brand van Moskou. Bij Freud zijn exercities te vinden over het vreemde feit dat zoveel intelligente mannen Napoleon zo vereerden. Zelfs de uiterst sceptische filosoof Schopenhauer maakte zich hieraan schuldig. Freud zoekt het in de vaderfiguur, die vooral voor mannen zo belangrijk is als voorbeeld en tot de vorming van een sterk "Superego" zou leiden, zo sterk dat emotionele bindingen daaraan ondergeschikt worden gemaakt. Een zin uit een Franse roman past hier goed bij: Vive Napoléon, le père du peuple et du soldat! Misschien is het inderdaad voor vrouwen gemakkelijker vaderfiguren in het algemeen en Napoleon in het bijzonder af te wijzen.
Engeland
In deze tijd kwam in Engeland de Gothic novel tot grote bloei, ongetwijfeld mede ten gevolge van de hernieuwde interesse in het onbewuste. De term is een vondst van de Engelse schrijver Walpole, die al in 1764 een tegenwoordig nauwelijks meer gelezen boek deze ondertitel meegaf. Het genre evolueerde al snel tot boeken vol spoken, vochtige kelders, sombere kastelen, bemoste ruïnes, krijsende uilen, veel slecht weer, duistere krachten, mystiek, hevige emoties en krachtige, maar onderdrukte seksualiteit. Er rusten vloeken op geslachten, vrouwen vallen constant flauw en mannen blijken krankzinnige moordenaars of schijndode zombies. Natuurlijk is het vaak echte keukenmeidenlectuur, maar toch werden in de negentiende eeuw op dit gebied voortreffelijke prestaties geleverd. Nergens heeft dit soort lectuur zulke hoogten bereikt als in Engeland. Ik meen dat de eer de eerste nog steeds gelezen griezelroman te hebben geschreven, toekomt aan een vrouw, namelijk aan de al vermelde Mary Shelley. Want wie kent niet dat zielige monster van die akelige Frankenstein? Het boek verscheen in 1818 en het is ook te beschouwen als een eerste aanzet tot science fiction. Bij veel horror treffen we een vleugje sf aan. Een goede griezelroman bestaat uit een mengeling van onbewuste driften, heimelijke verlangens en een vage hoop op verlossing van aardse perikelen, liefst gevat in een zo spannend mogelijke plot. En in het schrijven van zo'n boek is Mary uitstekend geslaagd.
Het Duitse taalgebied
Heen en weer zwalkend tussen Biedermeier en Romantiek was de hierboven al genoemde Oostenrijkse toneelschrijver Grillparzer. Hij werd geboren in 1791 en was volkomen idolaat van Beethoven met wie hij enigszins bevriend was en wiens pathetische grafrede hij schreef. Als jongeman verloofde hij zich, maar hij trouwde zijn geliefde nimmer. Hij had een eigenaardig soort ménagerie met haar en haar drie zusters, die hij meine Damen noemde. Tot seks kwam het niet. Hij deed het wel, maar elders. Hij durfde niet met zijn beminde, want hij was bang dat de vervulling van hun verlangens de liefde zou doden. Dit klinkt aardig dolgedraaid romantisch. Maar verder leefde hij een keurig burgermansbestaan. Niettemin schreef hij in zijn memoires dat hij had begrepen eigenlijk "van Beethoven te hebben gehouden". In Oostenrijk worden zijn toneelstukken nog wel eens gespeeld, elders is hij van het repertoire verdwenen. Boeiend daarentegen is nog steeds het werk van een romantische ziel die zichzelf niet zo heel erg serieus nam: de Duitse dichter Heine. Hoewel hij wat afkeurenswaardig begon toen hij zijn joodse afkomst verloochende en protestant werd, zag hij later kans in zijn gedichten een boeiende mengelmoes te produceren van romantische verlangens en scepsis. Uiteindelijk werd hij een onvervalste atheïst. Hij keek met ironie naar zichzelf en de medemens en in mijn ogen zijn de resultaten vaak indrukwekkend. Van hem zijn de even weemoedige als sarcastische woorden Denk ich an Deutschland in der Nacht, dann bin ich um den Schlaf gebracht. Hilarisch zijn zijn lofzangen op de masturbatie. Hij haatte Engeland, dat naar zijn mening slechts egoïsme, honger en stoommachines had voortgebracht. Maar ook in Parijs voelde hij zich niet op zijn plaats. Hij verafschuwde het nuttigheidsdenken, dat naar zijn gevoel slechts zou leiden tot banale koopmanslist. De man was in alle opzichten onburgerlijk en nonconformistisch, maar ik betreur zijn grote verering voor Napoleon. In zijn beroemde gedicht Die Grenadiere is hij vol medeleven met de keizer:

Was schert mich Weib, was schert mich Kind,
Ich trage weit bessres Verlangen
Lass sie betteln gehen, wenn sie hungrig sind
Mein Kaiser, mein Kaiser gefangen!

Afkeurenswaardig is zijn houding tegenover vrouw en kind, maar tot zijn verontschuldiging geldt dat hij nog maar zestien was toen hij het gedicht schreef, terwijl er ook wel iets te zeggen is voor de visie dat het puur cynisme was. Met Heine weet je maar nooit. Zijn terecht nog steeds gelezen gedichtenbundel Buch der Lieder verscheen in 1827, Beethovens sterfjaar.

Wetenschappers
In de scheikunde valt het oog op de hooggeleerde Fransman Gay-Lussac, bekend van de wet die gedeeltelijk naar hem is genoemd. De Duitser Humboldt wordt wel de vader van de moderne fysische geografie genoemd. Ook als bioloog was deze heldere geest belangrijk en hij werkte samen met de in de wiskunde tegenwoordig onontkoombare Gauss, een landgenoot van hem. Diverse belangrijke ontdekkingen dateren uit deze periode, zoals die van de Duitser Ohm, die zijn naam aan de eenheid van electrische weerstand gaf. Wat minder bekend bij het grote publiek zijn de Engelsman Faraday, die het fenomeen van de electrische inductie ontdekte, en de Deen Oersted, die dat deed met het electromagnetisme. In de geneeskunde werden grote vorderingen gemaakt, waarbij de Fransman Magendie en de Engelsman Bell zich bezighielden met het zenuwstelsel en de bloedsomloop, terwijl de al genoemde Fransman Laënnec de ontdekking van Auenbrugger en latere artsen verder uitwerkte. In 1819 gebruikte hij voor het eerst een stethoscoop, zij het een nog zeer primitief exemplaar. Het is overigens merkwaardig dat de vorderingen in de keel-, neus- en oorheelkunde sterk achter bleven bij de rest van de geneeskunde en in een boek over Beethoven is die constatering des te treuriger. Men begreep nog maar heel weinig van de ziektes van deze organen en men waagde zich nauwelijks aan operaties. Een zeer belangrijke discussie kwam op gang na 1822 toen de eerste grote cholera-epidemie over Europa trok. Artsen probeerden de oorzaak te vinden en twee groepen stonden tegenover elkaar: degenen die meenden dat ziektekiemen de oorzaak waren en degenen die de oorzaak zochten in "miasmen", waarmee men ziekmakende "uitwasemingen door rotting" bedoelde. Jammer genoeg kwam de tweede groep als overwinnaar uit de strijd tevoorschijn en pas halverwege de negentiende eeuw kon dit definitief worden weerlegd. De belangrijkste vooruitgang in de technologie betrof de toepassing van de stoommachine. Onder anderen dankzij de vastberaden Stephenson, die zich niet liet ontmoedigen door de vele technische problemen en, overigens niet helemaal terecht, bekend is geworden als "de" uitvinder van de stoomlocomotief, had Engeland de primeur bij de aanleg van spoorwegen. De eerste Duitse spoorwegverbinding dateert van 1825. Ook in 1825 probeerden vader en zoon Brunel, beide begaafde ingenieurs, een tunnel onder de Theems te graven. Helaas, het mislukte. De technologie was nog niet toereikend. Dat was wel het geval bij de ontwikkeling van stoommachines. In 1816 voer de eerste stoomboot op de Rijn en twee jaar later op de Donau (de eerste reis per stoomboot over de oceaan was overigens al in 1809). In 1818 ontcijferde de Franse archeoloog Champollion met behulp van de door Napoleon op zijn Egyptische veldtocht meegenomen steen van Rosette het hiëroglyfenschrift. Tot slot de vermelding van een voor ons wel heel belangrijke man: Babbage, uitvinder van de computer. De grote gebeurtenis greep plaats in 1822. Nu ja, computer, rekenmachine is een beter woord.
Beeldende kunstenaars
De fanatieke romantici Delacroix en Géricault braken radicaal met de laatste spoortjes Classicisme, dat ze saai en onecht vonden. Delacroix schreef dat de kleur grijs de "vijand" is van alle schilderkunst. Ingres daarentegen vond dat men liever in grijs kan vervallen dan in het al te "vurige". Hier scheidden zich de geesten. Van Géricault is zijn gruwelijke doek Radeau de la Méduse erg beroemd. Het is adembenemend van zeggingskracht, één en al emotie. Delacroix maakte dat wat al te vaak afgebeelde schilderij, waarop we een stevige, jonge vrouw zien, de borsten bloot, in haar linkerhand een geweer, in haar rechterhand de Franse driekleur, een Phrygische muts op het hoofd, stappend over een stapel lijken, met achter zich een goedbewapend stelletje ongeregeld. Ze is Marianne, de Franse maagd, en ze staat symbool voor "De Vrijheid, die het volk leidt", zoals de naam van het overigens pas ter gelegenheid van de revolutie van 1830 geschilderde doek luidt. Menig schilderij in dezelfde stijl fabriceerde Delacroix. Hij was goed in het bedenken van allegorische voorstellingen, wat erg in trek was in de Romantiek. Hij verkocht zijn doeken tegen veel geld aan de staat, wat ongetwijfeld te maken had met het feit dat hij een buitenechtelijke zoon van Talleyrand was.


Terug naar boven

beethovens derde stijlperiode: 1815-1827
VII.2 Biografie

Beethoven door Decker (1824)
Hiernaast zien men een behoorlijk geïdealiseerde tekening van Beethoven door Decker uit 1824. Het gezicht is veel te symmetrisch, de neus veel te recht en te smal, het voorhoofd veel te hoog. Het haar lijkt grijs en dat is wel realistisch. Daarnaast kijkt Beethoven bijkans angstwekkend streng uit zijn ogen op deze tekening. Zou zijn neef hem vaak zo hebben zien kijken? Misschien wel.

Uiterlijkheden

Innerlijkheden
Tot ongeveer 1824 werd Beethoven langzamerhand molliger, maar in 1825 werd hij tamelijk plotseling weer veel magerder, ongetwijfeld ten gevolge van de ernstige darm- en leverontstekingen die hem toen begonnen te teisteren. Vanaf ongeveer 1820 begon hij grijs te worden en zijn haar werd ook dunner. Zijn gelaatstrekken op de meeste portretten zijn strak, de mond is gesloten alsof hij van plan is nooit meer een woord te zeggen, de ogen staan afwerend en onvriendelijk, hoewel er ook wel een paar portretten zijn waarop hij wat milder de wereld inkijkt. Maar meestal loert hij wantrouwend naar ons, van onder zijn zware wenkbrauwen. Het is duidelijk: dit is een man die het niet gemakkelijk heeft (gehad). Hij werd met de dag slordiger, onverzorgder en  excentrieker in uiterlijk en gedrag. In de laatste jaren van zijn leven leefde hij in een geheel eigen wereld en hij leek het soms totaal niet in de gaten te hebben dat hij met een verwilderde blik en hardop in zichzelf pratend en gesticulerend door de straten van Wenen rondrende, soms gehuld in vuile kleren en bespot en uitgescholden door de straatjongens. Hij heeft eens een nacht doorgebracht in een politiecel op beschuldiging van landloperij, terwijl hij slechts was verdwaald. De dienstdoende beambte weigerde te geloven dat deze dove, verwarde, onverzorgde 'zwerver' inderdaad Beethoven was. Pas toen er iemand bij werd gehaald die hem persoonlijk kende, werd het misverstand opgehelderd. Hij vertoonde steeds vreemder gedrag, soms uitgesproken onsmakelijk. In een conversatieboekje uit 1826 staat een genante opmerking, geplaatst door zijn jongste broer: Lass den Nachtstuhl heraus tragen, denn er stinkt. Zijn toch al niet bepaald gedisciplineerde huishouden was geregeld een volstrekte chaos en geen huishoudster die het lang bij de lastige, dove, opvliegende componist uithield. De enige die het dankzij een kennelijk zeer laconiek karakter lukte gedurende een aantal jaren voor hem te zorgen, was ook hardhorend, wat de communicatie niet bepaald bevorderde. Op een bepaald moment gooide ook zij de handdoek in de ring en het werd weer het oude liedje: de ene na de andere huishoudster kwam, zag en vertrok. Bekend is het overigens al uit 1809 daterende verhaal van een Franse baron, die beweerde een volle po bij Beethoven onder de piano te hebben aangetroffen, wat wel goed past bij bovengenoemde opmerking in het conversatieboekje. Blijkbaar was Beethoven al in 1809 totaal niet (meer) geïnteresseerd in huishoudelijke zaken, want Trémonts vaak geciteerde beschrijving van Beethovens woning is hilarisch en dat Beethoven ook als jongeman al geen enkel talent voor het huishouden had, wordt bevestigd door de al enkele malen genoemde Seyfried, een musicus die rond 1802/3 met hem bevriend was en aan wiens getuigenis nog wel eens wordt getwijfeld door hedendaagse onderzoekers. Toch is zijn beschrijving van de chaos in Beethovens woning minstens even verbluffend en bovendien uitstekend passend bij die van Trémont: een ongelooflijke bende, overal papieren, vuile kleren en smerig vaatwerk. Met het klimmen der jaren werd dit al erger en erger, zodat men zich met enige huiver de situatie in zijn laatste levensjaren voor de geest haalt en medelijden krijgt met de buren die heel wat te stellen hadden met de arme dove. Tekenend is de situatie van de winter van 1824, toen hem de huur werd opgezegd wegens geluidshinder. Gelukkig waren er altijd zorgzame mensen die een beetje op de excentrieke componist letten en ervoor zorgden dat hij geregeld wat schoons aantrok en iets fatsoenlijks te eten kreeg. Daarbij valt in het laatste decennium in eerste instantie het oog op goede vriendin Nanette Streicher, die, ondanks haar drukke werkzaamheden in de pianofabriek van haar en haar man, haar uiterste best deed een beetje orde te brengen in Beethovens chaos.

En toen verscheen een nieuwe duvelstoejager in Beethovens leven: Schindler, een jonge jurist in wording, die zijn eerste belangrijke biograaf zou worden. Vanaf 1822 rende en vloog hij voor zijn idool. Geen moeite was hem te veel. In zijn in 1840 uitgekomen biografie deed hij zijn vriendschap met Beethoven als veel inniger en langduriger voorkomen dan in feite het geval was. Hij beweerde al vanaf 1817 Beethovens 'onbezoldigd secretaris' te zijn geweest en vanaf 1819 verschijnt zijn handschrift in Beethovens conversatieboekjes, maar onderzoek heeft uitgewezen dat deze opmerkingen later zijn toegevoegd en dat hij pas in 1822 daadwerkelijk als zijn steun en toeverlaat begon op te treden. Beethoven keek overigens zeer op dit onbetrouwbare, onderdanige personage neer, want eigenlijk verafschuwde hij zulke mensen, maar hij maakte er niettemin dankbaar misbruik van. Na Beethovens dood kon Schindler de buit binnenhalen, toen hij, op grond van zijn relatie met de componist, in Europa allerlei belangrijke deuren open zag gaan en zijn biografie een daverend verkoopsucces werd, terwijl het saaie boek allerminst uitblinkt door stijl, taal of waarheidsliefde.

Zeer typerend (en zeer amusant) voor Beethovens gedrag is het beroemde briefje aan zijn kopiïst, Wolanek, geschreven in 1825. Wolanek klaagde schriftelijk over de onleesbaarheid van Beethovens handschrift, waar hij zeker gelijk in had. Woedend schreef Beethoven op de achterkant, nadat hij de voorkant over de gehele lengte had doorgestreept met een rood potlood: Dummer eingebildeter eselhafter Kerl!... Schreibsudler!... Korrigieren Sie Ihre durch Unwissenheit, Übermut, Eigendünkel und Dummheit gemachten Fehler, dies schickt sich besser als mich belehren zu wollen, denn das ist gerade als wenn die Sau die Minerva lernen wollte...

Hieronder ziet men een paar tekeningen, gemaakt tijdens Beethovens vele langdurige wandelingen en regelmatige koffiehuisbezoeken. Als 'model' was hij bij tekenaars uitgesproken populair in de laatste jaren van zijn leven en ook kort daarna.

omstreeks 1820 (Böhm)
Beethoven aan de wandel (1820?) door Weidner
omstreeks 1821 (Tejeck) 1820 (Weidner)

omstreeks 1823 (Klosson)

1826 (Hoechle)

Karikaturen uit 1832/33 (Lyser), waarschijnlijk op basis van door de tekenaar zelf gemaakte schetsen uit 1825/26
Bij het ouder worden begon Beethoven wat genuanceerder te denken over politiek, zoals dat met de meeste mensen gaat. Maar hij bleef in wezen een republikein met een gezonde aversie tegen het absolutisme. Desondanks was hij aan het einde van zijn leven opportunistisch genoeg om met plezier (in ieder geval uiterlijk) een gouden medaille te accepteren die de nieuwe Bourbon op de Franse troon hem zond als blijk van bewondering voor zijn muziek. Dit gedrag past wel heel slecht bij het feit dat hij in een conversatieboekje eens schreef dat men 'verplicht' was iedere koning van de troon te stoten. Niettemin gaf hij toe dat de 'oligarchische aristocratie' toch ook zijn goede kanten had. Politiek was in later jaren Beethovens lievelingsonderwerp van gesprek. De meeste bezoekers werden langdurig lastig gevallen met zijn vaak provocerende opvattingen. Hij had een hekel aan het regime van Metternich. Hij haatte het zelfs. Ook de Franse politiek na Napoleons val kon hem niet bekoren, want het ergerde hem dat er een nieuwe koning op de troon was gezet, ondanks zijn trots op de medaille, waarover ik hierboven al schreef. Mogelijk moeten we de uitingen van vreugde over dat cadeau niet serieus nemen, want bij Beethoven moet men altijd rekening houden met sarcasme. Bovendien is de onbetrouwbare Schindler onze zegsman. Ik kan me weliswaar geen valide reden voor de geest halen waarom Schindler hierover zou kunnen hebben gelogen, maar hij was niet zo slim en misschien had hij Beethovens spotlust niet in de gaten. In ieder geval bewonderde de componist wel oprecht de Engelse staatsinrichting, niet de Franse of de Oostenrijkse. Zo groot was zijn afkeer van Metternichs bewind, dat hij in 1815, toen hij 'ereburger' van Wenen werd (of wat daar toen voor door moest gaan, want hij werd slechts ontheven van het betalen van belasting), sarcastisch opmerkte dat hij nooit had geweten dat er ook Schandbürger in de stad woonden en het jaar daarop schold hij tijdens een wandeling met één van de uitgevers Simrock (vader en zoon) luidkeels en breedvoerig op de Oostenrijkse regering. Hij gebruikte termen als 'deze Oostenrijkse barbarenstaat' en 'verdorven, ellendige staat'. In 1818 zei hij een andere bezoeker, componist Potter, dat men in Engeland tenminste Köpfe auf den Schultern heeft en in 1820 uitte hij tegen een volgende gast, theaterdirecteur Müller, zijn bewondering voor de Engelsen, die niet alleen de kunst zouden weten te waarderen, maar ook de vrijheid zouden hebben om, ongehinderd door censuur, te zeggen en te schrijven wat ze willen, zelfs kritiek op de koning en de machtigste ministers. Dat was in Wenen helaas wel even anders, aldus Beethoven. In zijn laatste jaren ontwikkelde hij een akelig trekje: hij werd gierig. Hoewel hij altijd een goed oog voor geld had gehad, was hij in vroeger jaren toch nooit afgedaald tot vrekkig gedrag. Helaas was dat in zijn laatste decennium wel het geval. Zijn angst voor armoede nam pathologische vormen aan en het bracht hem tot minder fraai gedrag, soms zelfs tot regelrecht bedrog op het financiële vlak. Zo schreef hij in een brief uit 1816 dat hij uitsluitend van zijn composities moest leven. Dat was een regelrechte leugen, want tot zijn laatste ademtocht heeft hij de toelagen van Kinsky, Lobkowitz en Rudolph von Habsburg ontvangen, waarbij moet worden aangetekend dat alleen Rudolph altijd trouw op tijd betaalde. Bovendien had de inflatie fiks aan de waarde van het bedrag geknabbeld. Niettemin, Beethoven kreeg het en ook van familie Lobkowitz meestal wel op tijd of bijna op tijd. Alleen de betalingen door de Kinsky's waren wel eens erg traag. Zeer grof is een opmerking in een brief, ook uit 1816 aan vriend/collega Ries, waarin Beethoven schrijft dat hij door Rudolph 'bijna aan de bedelstaf is geraakt' en in 1823 maakte hij het nog bonter. Hij schreef, wederom aan Ries, dat de vele uren compositieles aan Rudolph tot gevolg hadden dat hij nauwelijks meer tijd had om te componeren, zodat hij niet genoeg kon verdienen. Toch betaalde Rudolph wel degelijk voor deze lessen. Maar Beethoven had een enorme hekel aan lesgeven en het is wel voorstelbaar dat het hem op de zenuwen ging werken zoveel tijd te moeten besteden aan een naar zijn smaak niet erg getalenteerde leerling. Het fikse bedrag dat hij onder andere had verdiend in de jaren 1813/15, ging na zijn dood in de vorm van aandelen vrijwel geheel over in de handen van Karl, zijn neef, pleegzoon en enige erfgenaam. Hij bleek helemaal niet echt arm te zijn geweest. Het lijkt er eigenlijk wel heel veel op dat hij een obsessieve angst had ontwikkeld om arm te worden, terwijl hij zijn aandelenkapitaal per se voor Karl wilde bewaren. Hieruit moeten zijn kwalijke opmerkingen zijn voortgekomen. Ondertussen gaf hij inderdaad handen vol geld uit aan Karls schoolopleiding, wat hem natuurlijk tot eer strekt. Hoewel zijn jaarlijkse inkomen toch altijd wel min of meer toereikend is gebleven, was de tijd van relatieve weelde die hij had ervaren tussen 1796 en 1810, toen hij financieel werd ondersteund door de toen nog rijke mecenassen Lichnowsky, Kinsky, Lobkowitz en Rudolph von Habsburg, inderdaad definitief voorbij. Het is Beethoven niet meegevallen zich een beetje aan te passen aan de wensen en verlangens van zijn vele mecenassen en dat had ook zo z'n consequenties op financieel gebied. Enerzijds had hij een intens verlangen het heft in eigen hand te nemen en zich niets aan te trekken van de wensen van zijn mecenassen, anderzijds was hij beducht voor de financiële onzekerheid van het vak van vrij kunstenaar. Het strekt zijn mecenassen tot eer dat ze kans hebben gezien zijn vaak tegenstrijdige en lastige gedrag te aanvaarden en, ondanks hun eigen financiële moeilijkheden, hem zoveel mogelijk te blijven ondersteunen. Soms kwam die steun niet in de vorm van een bedrag, maar in de gift van iets bijzonders, zoals het fraaie strijkkwartet dat Lichnowksy hem schonk en de krachtige fortepiano die hem door de Londense fabrikant Broadwood werd toegestuurd. Maar tegen het einde van zijn leven was de adel verarmd en was de typisch burgerlijke maatschappij verschenen, waarin geen puissant rijke mensen meer rondliepen met geld genoeg om een armlastige, dove componist in leven te houden. Zodoende werd Beethoven toch wat armer en, helaas, verbitterd en vol wrok tegenover de Weners. In 1820 zei hij tegen Müller dat de Weners in de kunst alleen maar op de mode zouden afgaan en de ware kunst niet zouden begrijpen, laat staan belonen, en in 1825 zei hij tegen Rellstab dat de Weners alleen maar interesse zouden hebben in paarden en danseressen. In zijn laatste decennium meenden sommige van zijn tijdgenoten dat hij simpel gezegd kierewiet was geworden. Niet onbegrijpelijk, want hij was een uitgesproken neurotische persoonlijkheid en dat wordt bij het ouder worden gewoonlijk erger. Hij werd zeer introvert, uiteraard mede als gevolg van de doofheid, en bovendien uiterst wantrouwend, wat hij van huis uit toch al was. Met het klimmen der jaren werd hij ook verstrooider. Soms vergat hij te betalen in een restaurant, andere keren vroeg hij om de rekening zonder iets te hebben besteld. Zijn agressie werd hinderlijk voor iedereen in zijn omgeving. Hij bekogelde een huishoudster met eieren, een ander kreeg een half dozijn boeken naar haar hoofd geslingerd. Fraai is ook het verhaal van zijn kennis Böhm, die eens bij hem at en er getuige van was dat de gastheer drie bedorven eieren nonchalant uit raam gooide, zonder acht te slaan op eventuele voorbijgangers. Beethovens psychische gezondheid ging hard achteruit en hij werd nog moeilijker in de omgang, nog prikkelbaarder, grilliger, driftiger en wantrouwender (sommige medici zijn van mening dat hij in de loop der jaren een echt 'dovenkarakter' ontwikkelde). Van zijn innerlijke stabiliteit was niet veel meer over. Er kwam maar geen einde aan het rouwproces om het verlies van zijn Unsterbliche Geliebte en zijn seksualiteit werd een groot probleem. Hoewel hij vanaf 1812 geen serieuze belangstelling meer had voor vrouwen, bleek het vlees maar weer eens zwak (hoewel waarschijnlijk maar zelden) en daar schaamde hij zich diep voor (wat hem tot eer strekt), ondanks zijn dubbele moraal (wat hem bepaald niet tot eer strekt). Typerend voor zijn geestesgesteldheid zijn sommige persoonlijke aantekeningen en briefpassages. Ik citeer hier enkele zinnen, geschreven tussen 1816 en 1823: Mein Herz ströhmt über beim Anblick der schönen Natur - obschon ohne Sie! Sinnlicher Genuss ohne Vereinigung der Seelen ist und bleibt viehisch: nach selbem had man keine Spuhr einer edler Empfindung, vielmehr Reue. Ertragung - Ergebung - Ergebung! So gewinnen wir doch beim höchsten Elend und machen uns würdig dass Gott unsre Fehler verzeiht. Zeige dein Gewalt, Schicksal! Wir sind nicht Herren über uns selbst: was beschlossen ist, muss sein, und so sei es denn! Wo bin ich nicht verwundet, zerschnitten? Steeds vaker wendde hij zich tot zijn grote troosteres: de natuur. Uit 1815 dateert een roerende persoonlijke aantekening: auf dem Kahlenberge Ende September im Walde - ich bin seelig, glücklich im Wald. Toch bleef hij leergierig, nieuwsgierig en geïnteresseerd naar alles wat er in de wereld gebeurde. In juni 1825 stond er in een Weense krant een advertentie voor een koffiezetmachine en een conversatieboekje toont Beethovens interesse, want hij vroeg direct naar de prijs. Het apparaat wordt beschreven als een machine 'van blik' en 'aangedreven door stoom'. Hij schijnt de trotse bezitter te zijn geweest van een glazen koffiezetmachine. Musicus Schlösser bezocht Beethoven in 1822/23 en hij liet het nageslacht vele pagina's verslag na van zijn bezoeken. Onder andere staat hierin: Den Kaffee bereitete er selbst auf einer neuerfundenen Maschine, deren Konstruktion er mir sogar umständlich auseinandersetzte. Weliswaar blinkt Schlösser niet uit door betrouwbaarheid en waarheidsliefde, aldus hedendaagse experts, maar de getuigenis uit 1816 van de gewoonlijk betrouwbaar geachte arts Bursy lijkt Schlösser te bevestigen, want Bursy schreef: ...und vor einem gläsernen Kolben in dem er sich seinen Kaffee kochte. Toch kan dit niet dezelfde machine zijn geweest, want voor zover ik kon nagaan, verschenen de eerste berichten over een apparaat waarin het water warm kon worden gemaakt, pas in 1820 in de Weense pers. Volgens Schindler gebruikte Beethoven vanaf 1818/19 een koffiezetmachine, maar helaas laat hij zich niet uit over de toegepaste technologie, zodat we in het duister blijven tasten. Interessant is ook dat Beethoven een voortreffelijk geplombeerde gouden kies bezat. Maar hij zal meer plezier hebben gehad van zijn Zündmaschine, die als een voorloper van de lucifer kan worden beschouwd. Toen in 1820 de noordpool werd ontdekt, boeide hem dat hevig, evenals de vorderingen bij het bouwen van stoommachines. Hij schreef zelfs: Danken wir Gott für die zu erwartenden Dammpfmaschinen. Was für ferne Schwimmer wird's da geben, die uns Luft und Freiheit verschaffen. Uiteraard was hij als gevolg van zijn gebrekkige schoolopleiding niet in staat met enige deskundigheid te oordelen over de vorderingen van de wetenschap, maar zijn enthousiasme was er niet minder om. Toen een vooruitstrevende fabrikant in 1823 een soort vulpen uitvond, toonde Beethoven direct interesse, aldus een aantekening in een conversatieboekje. Of hij het ding ook heeft gekocht, is onbekend. Voor zover ik weet, is het niet in zijn nalatenschap aangetroffen. Misschien bleek het te teer gebouwd voor zijn brede, sterke handen.

Levensloop
Ik kom even terug op een al in hoofdstuk V besproken pijnlijke aangelegenheid: de manier waarop Beethoven zijn vrienden, kennissen en uitgevers soms behandelde. In 1819 beloofde hij een oratorium te componeren in opdracht van het Weense Gesellschaft der Musikfreunde. Hoewel Beethoven een voorschot ontving, kwam er van de compositie niets terecht en wat er nu eigenlijk met dat geld is gebeurd, is erg duister (wel zeker is dat hij het niet terugstuurde naar het Gesellschaft), terwijl een brief uit 1825 aan de tekstdichter, Beethovens vriend Bernard, aantoont dat de affaire op dat moment nog niet was afgesloten. Wel is het zo dat ook Bernard allesbehalve vrijuit gaat in deze affaire. Om de haverklap beloofde hij dat de tekst binnenkort klaar zou zijn, maar er kwam niet veel van terecht en wat hij wel produceerde was zo vreselijk slecht dat men zich kan voorstellen dat Beethoven dit eigenlijk niet op muziek wilde zetten. Maar ja, Bernard was een goede vriend van hem en wie wil zijn vrienden nu kwetsen? Overigens waren ook de handelingen van het Gesellschaft geen toonbeeld van oprechtheid. Niettemin strekt het de heren tot eer dat ze zand over de hele affaire gooiden en Beethoven tot erelid benoemden. Een ander minder sympathiek voorbeeld van Beethovens dubieuze financiële exercities is de symfonie die hij in 1823 aan de in 1813 opgerichte London Philharmonic Society had beloofd en waarvoor hij een uitstekend honorarium had ontvangen bij wijze van voorschot. Maar drie jaar later zat het Londense gezelschap nog steeds op de gevraagde muziek te wachten, wat Beethoven, die het gevoel had erg arm te zijn, eind 1826, toen hij ziek werd, niet verhinderde uitvoerig bij de Engelsen te klagen over zijn geldgebrek, zodat ze hem 100 Engelse ponden deden toekomen. Een waarlijk genereus gebaar, waar Beethoven echter niets meer aan had, want door allerlei vervelende (politieke) omstandigheden bereikte het geld hem pas negen dagen voor zijn dood, zodat het geen wonder is dat hij er geen penny van gebruikte. Omdat het niet was bedoeld als schenking, maar als tweede voorschot op de nog altijd te ontvangen symfonie, probeerden de Engelsen het geld terug te krijgen. Tevergeefs. Beethovens erflaters deden er van alles mee en terugsturen was er niet bij! Een decennium eerder was het al eens misgegaan tussen Beethoven en de Society toen hij ze ouvertures had beloofd en opusnummers 113, 115 en 117 had opgestuurd. Vaak kan men lezen dat hij ronduit had gelogen, want dat hij geschreven zou hebben dat ze nieuw waren. Dat is niet juist. Onlangs toonde Wruss aan dat Beethovens Engelse intermediair (Smart, de vaste dirigent van de Society) zijn collega's had verteld dat het nieuwe ouvertures betrof. Beethoven echter had geschreven dat ze weliswaar niet nieuw waren en al in première waren gegaan, maar nog niet waren gedrukt. Toch lijkt het er veel op dat de heren teleurgesteld waren, want op Beethovens verzoek een concert met uitsluitend zijn muziek te organiseren, gingen ze niet in. Waren ze niet tevreden over de ouvertures? Dat zou heel goed kunnen, want geen van deze composities behoort tot zijn beste. Het akeligste voorbeeld van minder eerlijk handelen is de wijze waarop Beethoven in 1821/23 de Missa Solemnis aan de man trachtte te brengen, toen hij, in een poging er iedere stuiver uit te halen die erin zou kunnen zitten, de mis aan maar liefst zeven uitgevers, te weten Simrock, Schlesinger, Diabelli, Steiner (op dat moment samenwerkend met Haslinger), Probst, Peters en Artaria tegelijk aanbood en vervolgens via vriend en ex-leerling Ries, die toen in Londen woonde, ook probeerde de Society ervoor te interesseren, tevergeefs overigens. Enkele van al die uitgevers dachten dat ze de enige waren, want Beethoven had ze op het hart gedrukt hun mond te houden over de onderhandelingen. Uiteindelijk ging een achtste uitgever (Schott) met de eer strijken. Merkwaardig is dat Beethoven aan  al die uitgevers dezelfde prijs vroeg. Kennelijk ging het hem er in eerste instantie niet om het stuk aan de best betalende te verkopen. Op voorstel van zijn broer Johann, die een handige zakenman was, volgde hij een andere taktiek: als een uitgever positief reageerde, kreeg hij prompt andere composities aangeboden tegen prijzen die veel hoger waren dan hij, Beethoven, ooit had gevraagd. Hij wierp zogezegd een visje (nu ja, vette vis in dit geval) uit, in de hoop nog veel meer vette vissen te vangen. Zeer vervelend in de hele affaire was dat uitgever Simrock via een intermediair (Beethovens vriend Franz Brentano) al een flink voorschot had gestuurd en dat Beethoven dat al had gebruikt, zodat hij het niet kon teruggeven toen Schott uiteindelijk met de eer ging strijken (zie hieronder voor meer over deze affaire). Beschamend ook is een brief waarin hij de joodse Schlesinger beschuldigt van een 'jodenstreek' (waarvoor geen aanwijzingen zijn ) en schrijft dat hij er alles aan zal doen om te verhinderen dat de mis in deze joodse handen zal vallen (gelukkig is een dergelijke uitbarsting van antisemitisme bij Beethoven zeldzaam. Dwars door deze affaire liep een andere onprettige aangelegenheid, die te maken had met het feit dat Peters een voorschot had gegeven voor de toezending van nieuwe composities, maar alleen maar een paar oude had ontvangen, die hem helemaal niet bevielen. Hij wilde andere, desnoods tegen bijbetaling. Maar Beethoven stuurde niets op en Peters vroeg zijn geld terug. Helaas, Beethoven had ook hiervan al een gedeelte gebruikt, zodat Peters twee jaar op de terugbetaling heeft moeten wachten. Beethoven was zeer beledigd door Peters' afwijzing van zijn composities en dat is wel begrijpelijk, want het was nog nooit voorgekomen. Wat hij ook aanbood aan welke uitgever dan ook, men wilde het maar wat graag uitgeven. Het enige excuus voor het dubieuze handelen van de componist in deze periode van zijn leven: hij zat zeer krap en had grote schulden. Toch had hij geld genoeg, hoe paradoxaal dit ook moge klinken. Hij bezat aandelen die veel waard waren, zoals na zijn dood bleek. Hij wilde die echter niet gebruiken voor dagelijkse kosten, omdat hij ze wilde bewaren als erfenis voor zijn neef Karl, wiens voogd hij was geworden na de dood van diens vader. Als gevolg hiervan stak hij zich liever diep in de schulden dan die aandelen te verkopen (wel beleende hij ze van tijd tot tijd, maar hij haalde ze terug zodra hij zich dat kon permitteren). Jarenlang was uitgever Steiner Beethovens favoriete geldschieter, maar in 1821 kwam de relatie in koel vaarwater en pas in 1824 betaalde hij de uitgever alles terug wat hij hem schuldig was. Was de voogdijschap over Karl zijn excuus tegenover zichzelf toen hij eens schreef dat hij slechts 'als een man van eer' kon handelen? Het lijkt er veel op. Alles, maar dan ook echt alles offerde hij op voor het doel: Karls opvoeding en welbevinden. Tot slot van dit overzicht een lijstje met de voornaamste van zijn uitgevers en de periode waarin ze zich hebben beziggehouden met deze uitgaven.
Artaria & Compagnie: 1793-1819
Mathias Artaria: 1827
Johann Cappi: 1802
Joseph Eder: 1798
Tobias Haslinger: 1826-1838
Franz Anton Hoffmeister: 1799-1802
Hoftheater-Musik-Verlag: 1814
Kunst- und Industriecomptoir: 1802-1808
Johann Hieronymus Loeschenkohl: 1803
Ludwig Maisch: 1814
Pietro Mechetti: 1815
Tranquillo Mollo: 1798-1808
Joseph Riedl: 1816
Sauer und Leidesdorf: variabel
Sigmund Anton Steiner: 1815-1824
Johann Traeg: 1795-1803

Beethoven door Höfel (1814)Terug naar de loop van Beethovens leven. De afbeelding links (Höfel/Letronne) dateert uit 1814, toen hij op het hoogtepunt van zijn uiterlijke roem stond. Ook het jaar 1815 begon niet slecht voor hem, toen hij eindelijk gelijk kreeg van de rechter en niet alleen een deel van het achterstallige geld van de erven Kinsky, maar ook opnieuw de toelage van de onder curatele gestelde Lobkowitz in ontvangst kon nemen. In april 1815 regelde hij per brief een soort nieuw contract met zijn mecenassen, dat hem tot zijn dood voorzag van een bescheiden, maar geregeld inkomen. Maar toen sloeg het noodlot toe. Op 15 november 1815 stierf Carl van Beethoven aan tuberculose. Hij liet een weduwe achter, benevens een zoontje van negen en een wat duister testament, waarin hij weliswaar de voogdij over het kind aan zijn oudste broer gaf, maar ook de uitdrukkelijke wens uitsprak dat moeder en kind niet van elkaar zouden worden gescheiden. Een begrijpelijke wens, zou men zeggen. Broer Ludwig dacht er anders over. Nauwelijks lag Carl onder de grond of hij begaf zich naar de rechter om het testament aan te vechten. Overigens: als we eens gaat optellen hoe vaak Beethoven rechters erbij sleepte om zijn gelijk te krijgen, dan schrikken we wel even. Een weinig sympathiek trekje. In 1815 zwaaide hij uiteraard uitvoerig met het door Carl ondertekende papier van 12 april 1813 en hij beweerde dat de toevoeging aan het testament dat Karl niet van zijn moeder zou mogen worden gescheiden, 'onder druk' van weduwe Johanna erbij was gezet, toen de stervende niet meer de kracht had om te protesteren en hij, Ludwig dus, 'eventjes' weg was uit de sterfkamer. Hij heeft altijd een machtig aplomb gehad. Bovendien produceerde hij een getuige en tenslotte was hij in deze periode erg beroemd en populair. Zelfs was hij kort tevoren officieel een soort van ereburger van de stad Wenen geworden (hij hoefde de stad geen belasting meer te betalen). De rechter gaf hem direct gelijk. Onmiddellijk haalde hij Karl bij Johanna weg, deed hem op kostschool en verbood de moeder haar kind nog te bezoeken. Over zijn intense afkeer van Johanna, die hij de 'Koningin van de Nacht' placht te noemen, uiteraard naar de kwade genius uit Die Zauberflöte, is bijna net zoveel geschreven als over het raadsel van die brief van 6/7 juli 1812. Inderdaad is het een intrigerend probleem. In de negentiende eeuw stond men kritiekloos aan Beethovens kant. Johanna zou een lichtzinnige, immorele vrouw zijn geweest, een monster van een moeder en een gevaar voor haar kind, terwijl er geen spatje op Beethovens blazoen te vinden zou zijn geweest. Tegenwoordig is dit beeld heel wat genuanceerder, hoewel het een feit is dat Johanna in geldzaken uitermate onbetrouwbaar was en in seksuele zaken voorzien was van een losse moraal, in ieder geval naar de normen van haar tijd. De belangrijkste bijdrage tot herziening van het beeld dat we hebben van het conflict tussen Beethoven en zijn schoonzuster, kwam van psychoanalytische zijde.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw publiceerde een echtpaar, de Sterba's, leerlingen van Freud, een boek waarin ze de zaak volkomen omdraaien. In hun dissente visie waren ze overigens niet de eersten, maar wel degenen die eindelijk de aandacht tot zich wisten te trekken. Als we het echtpaar mogen geloven was niet Johanna de kwade genius, neen, Beethoven was dat. Hij was de slechterik van het tweetal en zijn gedrag had dieptepsychologische aspecten die erop neer komen dat hij bijna krankzinnig was en dat Johanna niets mankeerde. Musicus/biograaf De Roos heeft een hoogst originele visie, want hij veronderstelt dat Beethovens haat jegens zijn schoonzuster het gevolg was een misgelopen liefdesaffaire met haar, waaruit dat kind zou zijn geboren, dat op sluwe wijze door Johanna bij de onwetende Carl in de schoenen zou zijn geschoven. Dat Beethoven heimelijke verlangens naar Johanna zou hebben gehad, is niet zo erg origineel. Er zijn wel meer biografen die dat hebben verondersteld. Maar dat het tot een affaire zou zijn gekomen waaruit een kind werd geboren, is een hypothese die tot enkele decennia geleden nog niet in iemands gedachten was opgekomen. Maar volgens De Roos is het probleem van 'de neef' in Beethovens leven eigenlijk het probleem van 'de zoon' in zijn leven. Hij kreeg waarachtig een 'volgeling': de Amerikaanse filmmaker Bernard Rose, die enige jaren na De Roos een bijzonder slechte film wijdde aan een vergelijkbare hypothese. Ongetwijfeld is binnen een dergelijke hypothese veel van Beethovens gedrag verklaarbaar, evenals van dat van Johanna trouwens. In 'Beethovens raadsels' heb ik een poging ondernomen de hypotheses van de bijna-naamgenoten op hun merites te beoordelen en ik meen dat ze zich vergissen en dat we zullen moeten aanvaarden dat Beethoven zijn schoonzuster allesbehalve correct heeft behandeld, want om de vele bewijzen hiervoor, kan geen zinnig mens meer heen (zie de hoofdstukken VII en VIII, geheel gewijd aan Beethoven en zijn familie). Dat neemt niet weg dat ook op Johanna's handelen wel het een en ander valt af te dingen en dat wordt door de Sterba's veel te gemakkelijk onder het vloerkleed geveegd. Gedeeltelijk had Beethoven wel degelijk groot gelijk met zijn bezwaren tegen haar.

Men kan wel zeggen dat Beethovens leven inkromp tot de uitputtingsslag die hij met Johanna leverde om het 'bezit' van zijn neefje. Hij had geen enkele interesse meer in de vrouwen. Geen naam valt er meer te noemen, behalve misschien die van Marie Pachler (zie het portret hieronder), een voortreffelijke pianiste die in 1817 in Wenen wasMarie Pachler, Beethoven bezocht en een enthousiaste brief van hem ontving. Maar die brief ging vrijwel uitsluitend over muziek, Marie was pas getrouwd en er is geen enkele poging bekend van hem of van haar om elkaar op te zoeken. Weliswaar ontmoetten ze elkaar enkele jaren later nog eens, maar dat was bij toeval. Er is nog een naam te noemen: Fanny Giannatasio del Rio, de dochter van de directeur van Karls kostschool. Maar deze keer kwam de liefde nu eens van de andere kant. Fanny was tot over haar oren verliefd op Beethoven. Hij had zonder moeite met haar kunnen trouwen en hij zou er een voortreffelijke echtgenote aan hebben gehad. Maar hij wilde niet. Hij, die zo fanatiek had gevochten om een vrouw voor zichzelf, moest niets hebben van Fanny, die overigens ook niet erg aantrekkelijk was en daar hechtte Beethoven zeer aan. Lelijke vrouwen konden niet op zijn aandacht rekenen, behalve dan uit opportunistische overwegingen (financiële bijvoorbeeld). Vanaf 1816 draaide zijn leven om Karl. Hij wilde het kind uitsluitend voor zichzelf en de lichtzinnige en onbetrouwbare Johanna, op wie hij heel erg neerzag en die hij als een morele bedreiging voor zijn neefje ervoer, moest worden uitgeschakeld. Totaal. Wat ging er allemaal in zijn hoofd om? Het zou me niets verbazen als daar bij vlagen zelfs moordlust bij is geweest, hoewel zijn dagboekaantekeningen ook aangeven dat hij van tijd tot tijd werd bezocht door hevige schuldgevoelens. Het was niet eenvoudig voor hem om haar definitief uit te schakelen. Ze was een fanatieke moeder en ze was energiek en niet bang uitgevallen. In eerste instantie gingen schoonzuster en zwager nog redelijk met elkaar om en Beethoven trachtte Johanna ervan te overtuigen dat wat hij in gedachten had, het beste was voor Karl. Als Karl bij hem was, bezochten ze samen Johanna of zij kwam naar het huis van haar zwager en ontmoette haar kind daar. Maar zodra ze haar kans schoon zag, opende ze de vijandelijkheden en eiste ze haar kind terug. In 1818 meende ze genoeg bewijzen te hebben voor Beethovens falen als substituut-vader en stapte ze naar de rechter. De strijd duurde ongeveer twee jaar en Beethoven was de overwinnaar, maar vraag niet hoe! Emotioneel was er niets meer van hem over en in zijn gedrag was hij tot bijzonder lage regionen afgedaald. Met betrekking tot Johanna was hem geen roddel te smerig, geen belediging te laag en hij zag er ook geen been in regelrechte leugens te vertellen aan de diverse rechters. De vuige Johanna betaalde hem met gelijke munt en startte een smerige roddelcampagne, waarin ze beweerde dat de eigenlijke achtergrond van haar zwagers haat zijn heimelijke verliefdheid op haar was. Toch krijgt men bij het lezen van de protocollen van de rechtszittingen en andere relevante documenten het akelige gevoel dat hier sprake moet zijn geweest van klassejustitie. Johanna was een eenvoudige vrouw uit het volk, haar zwager een wereldberoemde componist. Dat was een ongelijke strijd, hoewel er ook rechters waren die zich niet lieten inpalmen door die grote naam Beethoven. Niettemin verloor Johanna uiteindelijk de juridische krachtmeting, overigens vooral op grond van haar financiële wangedrag en daarin moet men de rechter toch wel gelijk geven. Karl werd aan zijn oom toegewezen en Johanna werd volledig uitgeschakeld als voogdes. Beethoven had inmiddels het kind van kostschool genomen en hij, onhandig, wereldvreemd in huishoudelijke zaken en volkomen ongeschikt als vader, trachtte zelf voor het kind te zorgen. Dat is hem niet meegevallen.

Beethoven door Schimon (omstreeks 1816)Karl had het dan ook niet gemakkelijk. Hij hield zielsveel van zijn moeder. Tegelijkertijd was hij een meer dan normaal muzikaal kind, dat zijn beroemde oom zeer bewonderde (zie hiernaast het schilderij van Schimon van de oom in kwestie, waarschijnlijk daterend uit 1816). Constant zat hij tussen twee vuren en dat had een erg slechte invloed op zijn karakter en zijn gedrag. Het ergste was nog wel de manier waarop hij heen en weer werd gesmeten door zijn goedbedoelende, maar pedagogisch niet bepaald begaafde oom, die de grilligheid zelve was, zich bij voortduring bezorgd maakte over zijn oogappel (van wie hij ontegenzeggelijk zeer veel hield) en nooit tevreden was over een bepaalde school (noch over Karls prestaties), zodat het kind geregeld van school moest wisselen, met alle frustraties van dien. Bij zijn simpele moeder, die, vervuld van wraakzucht, niet in staat was op de juiste manier te reageren op haar zwagers vijandelijkheden, pikte de intelligente, gevoelige Karl ook niet veel goeds op, zodat hij voornamelijk leerde liegen, bedriegen en mensen tegen elkaar uitspelen. Gedurende enkele maanden woonde hij bij zijn moeder en hij liep na ruzies een paar keer weg uit het huis van zijn oom. Maar na diens juridische overwinning woonde hij definitief bij zijn officiële voogd en ruim een half decennium zouden oom en neef samenwonen. Vanaf dit jaar (1820) verdween Johanna een tikje uit het zicht van haar groot geworden zoon en haar lastige zwager. Ze was zo verstandig zich te richten op andere zaken en ze had een nieuwe geliefde gevonden, die echter niet met haar kon trouwen, want hij was al getrouwd. Maar het dochtertje dat werd geboren uit hun relatie, erkende hij wel. Een onbegrijpelijk raadsel is de naam van het kind: Ludovica. Hoe is zoiets nu toch mogelijk! Karl was niet enthousiast over zijn halfzusje. Hij begon zijn moeder ervan te beschuldigen dat het kind helemaal niet van haar vaste minnaar was, maar van een ander. We kunnen het hem nauwelijks kwalijk nemen. Hij had van zijn stiefvader nooit anders gehoord dan dat zijn moeder een immorele, slechte vrouw was. De relatie tussen moeder en zoon werd wat koeltjes.

Beethoven door Stieler (1819)Beethoven door Hochenecker (1819)Hoe was het Beethoven (zie hiernaast links het uitermate geïdealiseerde schilderij van Stieler uit 1819 en rechts de onder deskundigen ter discussie staande tekening van Hochenecker, ook uit 1819) ondertussen vergaan met betrekking tot zijn andere relaties, zoals zijn vriendschap met de Brentano's? Veel beter. Toen Antonie en Franz eind 1812 naar hun echtelijke woning in Frankfurt terugkeerden, was dat geen reden om de contacten met Beethoven te verbreken. Wat Antonie en hij nu precies met elkaar hebben gehad, zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar het vormde geen aanleiding tot een radicale breuk. Integendeel, een uitvoerige briefwisseling volgde. Echter, beduidend minder met háár dan met hém. Franz Brentano was jarenlang Beethovens zaakwaarnemer in Duitsland. Hij was een gewiekste zakenman, een intelligent mens, uitstekend in staat om Beethovens oeuvre zo goed mogelijk te verkopen. De componist maakte er dankbaar gebruik van. De brieven doen vermoeden dat er sprake was van oprechte vriendschap, van serieuze, warme gevoelens bij beiden, wat erg slecht past bij een liefdesaffaire tussen Beethoven en Antonie. Met haar lijkt Beethovens briefwisseling trouwens een stuk soberder te zijn geweest. Slechts vier brieven aan haar resteren, wat natuurlijk niet wil zeggen dat er niet meer zijn geweest. Die vier brieven doen sympathiek aan, puur vriendschappelijk, maar beslist niet meer. Op een bepaald moment waren er problemen tussen Beethoven en Antonie, zoals blijkt uit enkele aantekeningen in een conversatieboekje, maar de vrede werd weer getekend en zelfs uitdrukkelijk bevestigd toen Antonie per se een portret van Beethoven wilde hebben, wat mislukte door de minder fraaie handelwijze van de schilder, die zowel Antonie als Beethoven trachtte op te lichten. Helaas kwam er in 1823 toch een einde aan Beethovens relatie met de Brentano's. De schuld daarvoor lag geheel bij de componist. De oorzaken waren zijn angst voor armoede en de slechte raad die hij kreeg van zijn broer Johann, die in deze affaire als zijn financieel adviseur fungeerde. Toen Beethoven in 1822 de Missa Solemnis wilde uitgeven bij Simrock, schakelde hij de al ter sprake gekomen Franz Brentano hiervoor in als intermediair. Maar hopend op een zo hoog mogelijke prijs, speelde hij dubbel spel en trachtte hij het stuk ook elders te slijten. Hij bood het aan maar liefst zeven uitgevers tegelijk aan en verkocht het uiteindelijk aan een achtste (Schott), die nooit bij de onderhandelingen betrokken was geweest. Deze weinig elegante zet leverde hem conflicten op met zowel Franz als menige uitgever, waarvan sommigen zelfs met de rechter begonnen te dreigen. En Franz had  hem al een voorschot gegeven. Toen Simrock de mis niet kreeg, wilde Franz het geld terug. Maar Beethoven had het grotendeels al gebruikt en zat weer eens op zwart zaad. Hij kwam zozeer in het nauw dat hij een loopje met de waarheid begon te nemen. Zo beweerde hij bijvoorbeeld bezig te zijn met maar liefst drie missen, waarvan eentje vrijwel klaar was, aan de tweede nog vrij veel moest gebeuren, terwijl van de derde nog niet veel op papier stond. Onderzoek van de schetsen heeft aangetoond dat hij voor een tweede mis slechts enkele zeer summiere schetsen maakte, terwijl hij nooit een noot op papier heeft gezet voor een derde. Beethovens onderhandelingspartners bleken te slim voor zijn smoesjes. Uitgevers haakten af en Franz hield zijn financiële poot stijf. Dit had tot gevolg dat Beethoven één van zijn aandelen moest verkopen om zijn schuld aan Franz te kunnen betalen, waarna de Brentano's uit zijn leven verdwenen. De laatste bewaard gebleven brief van Beethoven naar Frankfurt is niet onvriendelijk, integendeel, maar na die datum (augustus 1823) ontbreekt ieder spoor van het echtpaar in zijn leven. Voor Antonie resteert menige muzikale opdracht, evenals voor de dochter Maximiliane, voor Franz daarentegen geen enkele.

Veel onduidelijker is de positie van de Brunswicks in Beethovens leven, in ieder geval van de vrouwelijke leden van de familie. Na de muzikale opdrachten van 1810 aan Franz en Therese verdween Therese uit Beethovens leven en met Josephine was dat dus al het geval sinds zomer 1809, in ieder geval voor het oog van de wereld. Toch heeft Therese nog menige gedachte aan Beethoven gewijd, zoals blijkt uit haar dagboeken. Dacht hij ook nog wel eens aan haar? Het is niet onmogelijk, gezien enkele aantekeningen zijnerzijds uit 1817, waarin een zekere 'T' figureert (Beethoven had er een handje van namen niet voluit te schrijven). Maar het is ook mogelijk dat er iemand anders achter schuil gaat, bijvoorbeeld Antonie Brentano, die door intimi 'Toni' werd genoemd. De aantekeningen in kwestie zijn dermate duister van inhoud dat ze even goed op een ex-geliefde als een goede vriendin kunnen slaan. Hierover hebben we geen enkele zekerheid. Wel zeker weten we dat Beethoven in 1816 het paleis van Josephines overleden eerste man nog eens heeft bezocht. De zusters waren na Stackelbergs vertrek in 1814 daar gaan wonen (het was in Josephines bezit), in gezelschap van Josephines kinderen uit haar eerste huwelijk. Beethoven was in 1816 in het paleis naar aanleiding van een concert dat daar werd gegeven. Maar of hij één der zusters of allebei heeft gesproken, weten we niet. Het enige wat we zeker weten, is dat Therese in ieder geval een achterdeurtje naar Beethoven openliet, want ze noteerde zijn constant veranderende adressen in haar dagboek en noteerde zelfs eens dat ze een brief van hem had ontvangen, die jammer genoeg tot nu toe niet boven water is gekomen. Broer Franz kwam in 1811 met Beethoven in aanvaring toen hij de componist in de steek liet bij diens vakantiereis naar Bohemen, hoewel hij had beloofd met hem mee te reizen teneinde als hulp en tolk te fungeren, wat Beethoven hard nodig had. Maar de vrede werd weer getekend en Franz, die maar zelden in Wenen was (meestal in Boedapest) kreeg nog menige brief van Beethoven. Het schijnt dat er zelfs nog brieven van rond 1820 of nog later zouden zijn geweest. Helaas zijn de meeste brieven aan Franz zoekgeraakt (of vernietigd natuurlijk).

Beethoven door Kloeber (1818)Anton SchindlerBeethovens  leven ging bepaald niet over rozen in zijn laatste tien levensjaren (zie hiernaast de tekening door Kloeber uit 1818). Na 1816 verscheen een nieuwe ster aan het Weense muzikale firmament: de Italiaan Rossini, die met zijn vrolijke, toegankelijke opera's de stad in rap tempo veroverde. Beethovens populariteit daalde en geërgerd merkte hij op dat geldgebrek hem noodzaakte muziek te schrijven die hij niet wilde schrijven. Tot overmaat van ramp werd zijn doofheid tamelijk plotseling erger en vanaf 1817 was het zo erg dat hij niet meer kon converseren, zodat de al enkele malen vermelde conversatieboekjes (de zogenaamde Konversationshefte) hun intrede deden, die een ware schat aan informatie zijn, ondanks het feit dat er heleboel schijnen te zijn weggegooid of gestolen, terwijl in andere allerlei wijzigingen zijn aangebracht door Schindler (zie hiernaast rechts een foto uit later jaren), die ze erfde en meende dat er dingen in stonden die het daglicht niet konden verdragen. Neef Karl was er handig in om zijn oom duidelijk te maken wat zijn gesprekspartners zeiden en hij fungeerde steeds meer als intermediair tussen Beethoven en de wereld, zodat Karls handschrift geregeld in de boekjes kan worden aangetroffen. Over die wereld had Beethoven het nodige op te merken en meestal niet veel goeds. Soms zei hij staatsgevaarlijke dingen en dat was toen niet zonder risico. Toch legde men Beethoven nooit een strobreed in de weg, maar het schijnt dat hij wel in het oog werd gehouden. Hij zou, vrees ik, dan ook weinig kans hebben gehad op de functie van hofcomponist, die hij in 1822, toen de zittende componist overleed, hoopte te bemachtigen. De functie werd echter opgeheven. Maar zou hij, ook als hij een brave, oppassende burger zou zijn geweest, een kans hebben gemaakt? Ik denk het niet. Ik kan me niet voorstellen dat een sollicitatie door een vrijwel stokdove man, hoe beroemd ook, serieus zou zijn genomen. Het is in alle opzichten intriest en beschamend voor zijn tijdgenoten dat hij, de schepper van zoveel meesterwerken, nog als 51-jarige de noodzaak voelde een vaste baan te zoeken. Gelukkig maakten ze het een beetje goed toen Beethoven in januari 1824, gedesillusioneerd door het Weense publiek, overwoog de nieuwe mis en de negende symfonie in Berlijn in première te laten gaan. Dat liet de adel niet op zich zitten en ze fabriceerden een uiterst vleiend verzoekschrift, waarin ze Beethoven luid bejubelden en hem smeekten de stukken toch vooral wel in Wenen ten doop te houden. Het verzoekschrift verscheen in enkele tijdschriften en ja hoor, het had effect. Beethoven koos voor Wenen. Ook in een ander opzicht was 1824 een goed jaar, want zijn inkomsten waren hoog als gevolg van de succesvolle verkoop van de negende symfonie, de mis en twee strijkkwartetten. Zijn verdiensten in dit jaar waren zelfs zo goed dat hij speelde met de gedachte een huis te kopen. Maar het kwam er niet van. Een grappig detail uit deze periode is een uitnodiging voor het erelidmaatschap van de Kaufmännische Verein Wien dat Beethoven in 1819 ontving.

Beethoven door Waldmüller (1823)Vanaf 1821 rezen er nieuwe problemen: de ingewandsproblemen waar Beethoven (zie hiernaast het schilderij van Waldmüller uit 1823) zijn hele leven al mee tobde, werden ernstiger. De hamvraag is of die stoornissen en de problemen die hij kreeg met zijn lever, iets te maken kunnen hebben gehad met de toename van zijn drankgebruik. Over dit onderwerp is menig woord geschreven en meestal polemisch, want de deskundigen zitten elkaar hierover geregeld in de haren. Dronk hij nu wel of niet te veel? Ach, wat is veel, daarover kan men twisten. Ik meen echter dat Beethoven wel degelijk meer heeft gedronken dan goed voor hem was. Ik vergeef het hem wel, ik kan het me zelfs heel goed voorstellen, maar dat doet niets aan het feit af. In zijn laatste decennium dronk hij in ieder geval een liter wijn per dag en vaak bier of nog meer wijn voor het slapen gaan, aldus de onderzoekingen van de meest scrupuleuze onder zijn vroege biografen, Thayer (zie de bibliografie), en de getuigenis van Beethovens oudste vriend, Stephan Breuning. Dat is medisch gezien veel te veel. Afgezien van ingewandsproblemen had hij ook vaak infecties en soms ook last van zijn longen. Zelf was hij bang voor tuberculose, wat wel voorstelbaar is gezien het feit dat hij zowel zijn moeder als zijn broer aan deze ziekte had verloren. Maar autopsie wees uit dat zijn longen in goede staat waren. Dat gold zeker niet voor zijn lever en ik kom daarop nog terug in hoofdstuk VIII.

Hoe was het in al die jaren broer Johann vergaan? Uitstekend, ondanks (of dankzij?) het feit dat het contact met Ludwig jarenlang uiterst summier was, wat geen wonder is, gezien de conflictueuze situatie van 1812. Johann was steenrijk geworden, zodat hij het grootste deel van zijn werkzaamheden als apotheker kon afstoten en in goede welstand kon leven dankzij de opbrengsten van zijn fraaie landgoed in Gneixendorf bij Krems. Hij bezorgde zichzelf ook een pied-à-terre in Wenen en Ludwig was op een bepaald moment zo dom zijn intrek in deze woning te nemen en zijn broer zijn zakelijke correspondentie te laten regelen. Maar met Johann had hij nooit een goede relatie gehad, slechter nog dan de ook al niet briljante relatie die hij met Carl had gehad. Bovendien verafschuwde hij ook deze schoonzuster, evenals haar inmiddels groot geworden dochter. Dat werd dus opnieuw ruzie en Ludwig en Karl verlieten het huis maar weer. Een onprettige bijdrage leverde Karl, die niet bepaald gesteld was op zijn inderdaad nogal belachelijke andere oom. Ergerniswekkend is de manier waarop Karl, de jonge blaaskaak, zich denigrerend en beledigend uitlaat over Johann. Maar ja, wederom kunnen we het hem nauwelijks kwalijk nemen. Hij had van zijn stiefvader nooit anders gehoord dan dat oom Johann een lachwekkend persoon was. Zoals de ouden zongen, piepen de jongen.

Karl van Beethoven (miniatuur, anoniem) Karl Holz
Karl van Beethoven Karl Holz

Ondertussen was neef Karl van school gekomen en in 1825 ging hij studeren, hoewel hij dat helemaal niet wilde. Maar Beethoven vond het per se nodig en Karl ging op kamers, weliswaar ook in Wenen. Dat was eigenlijk helemaal niet naar de zin van zijn voogd, die hem voor geen cent vertrouwde. Beethoven zorgde dan ook voor spionnen, die trouw verslag uitbrachten van Karls handel en wandel. Zijn grote probleem was dat hij absoluut niet in staat was zijn 'zoon' los te laten. Begrijpelijk, hij had alles wat hij emotioneel te bieden had, in de jongen geïnvesteerd. Karl was de spil geweest waarom zijn leven had gedraaid en nu ging de bijna volwassen jongeman zijn eigen weg. Beethoven kon het niet verdragen. Met zijn eeuwige wantrouwen vreesde hij de vreselijkste rampen en in zijn overdadige, bemoeizuchtige correspondentie met Karl, vervuld van overdreven verwijten en zelfmedelijden, tikte hij hem constant op de vingers, waarschuwde hem voor alle mogelijke gevaren, bestrafte hem met inhouding van zijn zakgeld als hij iets deed dat hem niet beviel en ging zelfs zover het niet toe te staan dat de jongen, inmiddels negentien, alleen naar een bal zou gaan. Hij wilde mee! Gelukkig was daar de al vermelde Holz (zie de afbeelding hierboven), een zeer verstandige jongeman met wie Beethoven in zijn laatste levensjaren goed bevriend raakte. Holz praatte hem dit onzalige plan uit het hoofd. Qua leeftijd stond hij veel dichter bij Karl dan bij diens oom en Holz deed zijn best een goede intermediair te zijn. Maar de relatie tussen oom en neef werd slechter en slechter. Karl liet zich niet meer manipuleren, ging zoveel mogelijk zijn eigen gang en Beethoven voelde zich machteloos en gefrustreerd. Ik citeer enkele zinnen uit de brieven van de oom aan de neef: Soll ich noch einmal den abscheulichsten Undank erleben?! Denn trauen kann ich Dir nie mehr. Leider Dein Vater, oder besser: nicht Dein Vater. Schütze dich vorn krank werden (voor degene die dit niet begrijpt: hij bedoelde natuurlijk syfilis, op te lopen bij een prostituée). En aldus schreef de neef aan een vriend over zijn oom: Ich musste in so grosser Eile schreiben aus Angst und Furcht von dem alten Narren entdeckt zu werden. Helaas had de oom niet helemaal ongelijk, want het ging inderdaad niet zo goed met de neef, echter niet vanwege al die zogenaamde gevaren, maar vanwege die aan hem opgedrongen studie, waar hij niet het geringste plezier in had. Na amper een jaar studeren vreesde hij voor zijn tentamens te zullen zakken en hij sidderde bij de gedachte aan de woede van oom Ludwig. Hij kocht pistolen. Zijn hospes die braaf alles aan Beethoven rapporteerde, vertelde het direct door en Holz probeerde met Karl in contact te komen. Tevergeefs, de jongeman vluchtte. Toen hij werd gevonden, had hij getracht zich door het hoofd te schieten. Gelukkig was dat mislukt, maar hij was behoorlijk gewond. Een boer vond hem en bracht hem naar het huis van zijn moeder, want dat wilde hij. Beethoven bezocht hem daar en liet hem naar een ziekenhuis vervoeren, waar hij enkele weken doorbracht, bewaakt door de politie en een priester, want een zelfmoordpoging was in die tijd in Oostenrijk een misdrijf en een doodzonde. De ondervragingen door de politie en de priester zijn schrijnend met betrekking tot Beethovens falen als vader. Karl wilde zijn oom nauwelijks zien en uitte zich bitter en vol afkeer over hem. Zeer verdrietig wordt men bij het lezen van Karls cynische opmerking dat hij zoveel slechter was geworden, omdat zijn oom hem beter wenste. Onmiskenbaar blijkt hieruit Beethovens onvermogen als opvoeder. Breuning en Holz probeerden de radeloze componist ervan te overtuigen dat hij moest proberen Karl los te laten en dat het beter was vrijwillig af te zien van de voogdij. De jongeman wilde helemaal niet verder studeren, hij ambieerde een carrière in het leger en men begrijpt ook waarom. Het was de enige manier voor hem om onder het tirannieke juk van zijn voogd uit te komen. Beethoven haatte het leger en verzette zich met hand en tand, maar na een hevige strijd capituleerde hij. Schindler schrijft dat de componist was gebroken en eruit begon te zien als een oude man. Weg waren de altijd rechte rug en het trots opgeheven hoofd, voortaan sjokte hij gebogen door de straten van Wenen. Biograaf Marek, schrijver van een uitstekend leesbare biografie (zie de bibliografie), heeft de juiste titel gevonden voor zijn hoofdstuk over de voogdij: Die Tragödie einer tyrannischen Liebe. Omdat Karl er wat genant bij liep met een groot verband om zijn hoofd en persona non grata in Wenen was geworden (volgens de politie), besloot Ludwig een al lange tijd bestaande uitnodiging van Johann te accepteren om hem eindelijk eens te bezoeken in Gneixendorf. In de herfst vertrokken oom en neef met de bedoeling dat het verblijf enkele weken zou duren. Maar ze bleven maar hangen, hoewel Ludwig de grootste ruzies had met zijn schoonzuster en haar dochter en bovendien opnieuw met Karl begon te bekvechten. Deze trok zich er niet veel van aan en volgens de onbetrouwbare Schindler (maar niet volgens de scrupuleuze Thayer) zou hij zich hebben laten verleiden door zijn zeer promiscu uitgevallen tante. Een roddel of niet: Johann liet zijn vrouw haar gang gaan, want wat haar huwelijkstrouw betreft had hij geen illusies meer. Hij kreeg echter schoon genoeg van zijn onhandelbare broer en verzocht hem maar weer te vertrekken. Karls hoofdwond was nu genezen en in januari 1827 zou hij zich moeten melden bij zijn regiment in Iglau. Eind november besloot Ludwig, na een hevige ruzie met Johann, Gneixendorf te verlaten, als altijd impulsief op een moment dat Johanns reiskoets niet voor hem en Karl beschikbaar was. Op een open melkwagen maakten ze de terugreis, bij gietende regen en een lage temperatuur. Doodziek kwam Beethoven in Wenen aan. Hij ging direct naar bed. Het werd zijn sterfbed.

Karl ging op weg om een dokter te halen, maar om onduidelijke redenen verscheen deze pas na enkele dagen. Schindler beweerde dat Karl zo onverantwoordelijk was eerst te gaan biljarten en vrienden  te bezoeken, maar onderzoek heeft uitgewezen dat dit niet klopt. Beethoven op zijn sterfbed (Teltscher)Er was sprake van een misverstand tussen een bepaalde geneesheer en Karl. Het is trouwens niet zo belangrijk, want Beethoven was verloren. Het ziekteproces begon waarschijnlijk met een longontsteking of tenminste een ernstige griep en vooral een longontsteking was in die jaren een levensgevaarlijke ziekte. Maar wonder boven wonder knapte Beethoven weer op. Helaas, slechts voor korte tijd. Zijn lever, waar hij al zoveel jaren last van had, gaf het nu definitief op en daartegen is geen kruid gewassen, ook tegenwoordig nog niet. Beethovens ziekbed was lang en pijnlijk. Hij heeft vreselijk geleden. Vier operaties zonder verdoving moest hij ondergaan. Meer dood dan levend lag hij vier maanden in bed, overigens liefderijk verzorgd door zijn vrienden en, zolang hij nog in Wenen was, ook door Karl, die zich van z'n beste kant liet zien. Dokters kwamen en gingen, waaronder ook de inmiddels beroemd geworden society-arts Malfatti, ooit Beethovens huisarts. Maar zelfs hij kon niets meer doen. In de late middag van 26 maart 1827 kwam de dood Beethoven eindelijk verlossen. Over zijn laatste minuten gaat een boeiend verhaal. Hij stierf tijdens een onweer, nadat al vele uren hij in coma had gelegen. Plotseling echter opende hij de ogen, hief een vuist ten hemel en viel terug in de kussens. Dood. Jarenlang dacht men dat het een romantisering in de stijl van de negentiende eeuw was. Maar neen, het schijnt met de waarheid in overeenstemming te zijn, of liever, te kunnen zijn. De medicus O'Shea, die een boeiende studie over Beethovens ziektes heeft geschreven (zie de bibliografie), wijst erop dat de dood aan leverfalen een dergelijke reactie teweeg kan brengen, overigens zonder dat de stervende bij bewustzijn komt. Het heeft te maken met overprikkeling van de hersens door gifstoffen die niet meer door de lever kunnen worden verwerkt en niet meer door de nieren kunnen worden uitgescheiden. Dus misschien is het verhaal toch wel correct. Mooi is het in ieder geval wel, Beethoven stierf zoals hij had geleefd: uitdagend en eigenzinnig. Ingang van Beethovens appartement in het SchwarzspanierhausRechts hiernaast ziet men een foto van de ingang van Beethovens appartement in zijn sterfhuis, het helaas allang niet meer bestaande Schwarzspanierhaus in de Weense wijk Alsergrund. Bij de begrafenis op het Währinger Ortsfriedhof liep heel Wenen uit, duizenden mensen stonden langs de route van de stoet en de scholen hadden vrij. De uitvaartdienst met, niet verrassend, diverse Beethovense composities (onder andere de drie equales die hij 1812 voor de Domkapellmeister van Linz schreef en een bewerking van de finale van de negende symfonie) werd gehouden in de Alserkirche (of Dreifaltigkeitskirche). Grillparzer schreef de grafrede, maar Anschütz sprak hem uit omdat de protestante Grillparzer dat niet werd toegestaan. Beethoven was katholiek en werd begraven volgens alle regelen der kunst van de katholieke kerk. Zijn graf op het kerkhof van Währing werd enige decennia later geruimd en hij werd herbegraven op het grote Zentralfriedhof. Maar de oorspronkelijke steen staat nog in Währing in wat nu het Schubertpark heet. Ik verwijs voor een overzicht en een bespreking van bezienswaardigheden betreffende Beethoven naar het deel 'Beethoven in Europa' van deze site. 


Tot slot een overzicht van Beethovens oeuvre in deze periode (1815-1827) van zijn leven. Voor een bespreking van de genoemde composities raadplege men hoofdstuk VII.3.2
 
Jaar Biografie Opus WoO Hess Ongenummerd
1815 Vanaf januari hernieuwde betalingen door de families Kinsky en Lobkowitz.
In november dood broer Carl.
102 (cellosonates)
108 (volksliederen)
115 (ouverture Zur Namensfeier)
 
97 (aria)
135 (lied)
145 (idem) 165 (canon) 166 (idem) 167 (idem)
15 (onvoltooid pianoconcert)  
1816 Begin januari start van de langdurige juridische strijd met schoonzuster Johanna om Carls testament met als inzet de voogdij over de 9-jarige Karl. 98 (liedcyclus An die ferne Geliebte)
99 (lied)
101 (pianosonate)
121a (lied)
 
24 (mars)
146 (lied)
147 (lied)
157 (volksliederen) 158 (idem)
168 (canons) 169 (canon) 170 (idem)
   
1817 Voortzetting strijd met Johanna.
Doofheid wordt erger.
Begin gebruik conversatieboekjes.
Karl op kostschool.
Vriendschap met familie Giannatasio del Rio.
106 (pianosonate Hammerklavier)
137 (strijkkwintet)
 
104 (zangstuk) 148 (lied) 40 (prelude en fuga v.strijkkwartet)  
1818 Strijd met Johanna bereikt een onaangenaam hoogtepunt als Karl in december naar zijn moeder vlucht. 105 en 107 (instrumentale volksliedbewerkingen)
 
60 (pianobagatel)
156 (volksliederen)
172 (canon)
200 (lied)
201 (muzikale grap)
   
1819 Strijdbijl nog lang niet begraven. 120 (Diabellivariaties)
123 (Missa Solemnis)

 
105 (lied)
173 (canon)
174 (idem)
176 (idem)
179 (canon)
301 (canon) enkele jaren geleden ontdekt fragment v.e.strijkkwartet
1820 In januari strijd om Karl eindelijk beslecht, Johanna uitgeschakeld, Karl woont voortaan bij zijn oom.
Huiselijke beslommeringen geven veel ergernis.
109 (pianosonate)
 
130 (lied)
150 (idem)
175 (canon)
177 (idem)
178 (idem)
180 (idem)
300 (canon)  
1821 Gezondheid gaat achteruit, leverlijden.
Dood Josephine Stackelberg-Deym-Brunswick in maart.
110 en 111 (pianosonates)
119 (pianobagatellen)
 
61 (allegretto v.piano)
182 (canon)
   
1822 Schindler in de rol van 'secretaris zonder salaris'. 121b (lied)
124 (ouverture Die Weihe des Hauses)
128 (lied)
3 (menuet)
34 (vioolduet)
98 (koorwerk)
181 (canons)
   
1823 In augustus breuk met de Brentano's ten gevolge van alle financiële 'gedoe' met de uitgave van de Missa Solemnis. 122 (lied)
125 (negende symfonie)
 
106 (cantate)
151 (lied)
183 (canon)
184 (idem)
185 (idem)
202 (muzikale grap)
   
1824 Mis en Negende in première.
Schindler krijgt z'n congé.
126 (pianobagatellen)
127 (strijkkwartet)
84 (wals v.piano)
186 (canon)
187 (idem)
   
1825 In januari ernstig ziek, slechte conditie van de lever begint levensbedreigend te worden.
Holz is Schindlers opvolger.
Karl woont nu op kamers en studeert, maar met tegenzin en weinig succesvol. 
130 (strijkkwartet)
132 (idem)
133 (Grosse Fuge v.strijkkwartet)
134 (Grosse Fuge v.piano-vierhandig)
 
35 (canon)
61a (allegretto v.piano)
85 (wals v.piano)
86 (Écossaise v.piano)
188 (canon)
189 (idem)
190 (idem)
191 (idem)
192 (idem)
193 (idem)
194 (idem)
195 (idem)
203 (muzikale grap)
204 (muzikale grap)
302 (canon)  
1826 Begin augustus zelfmoordpoging door Karl.
In de maanden september tot en met november gezamenlijk verblijf bij broer/oom Johann in Gneixendorf bij Krems.
Op thuisreis begin december kouvatten, gevolgd door longontsteking, gevolgd door fataal leverfalen.
131 en 135 (strijkkwartetten)

 
62 (strijkkwintet)
196 (canon)
197 (idem)
198 (idem)
  fragment v.d.tiende symfonie

Terug naar boven

--------------------------------------------------------------------------------

Noten

(voor de diverse auteurs: zie de bibliografie, hoofdstuk X, alwaar men zoeke op naam van de auteur.)

1.Marek en Musulin zijn het heel erg oneens: zij zegt dat er 100.000 mensen meer waren, hij beweert dat het een factor tien minder was en hij krijgt hierin gelijk van Barry Cooper in zijn compendium. Ik denk dat we dat maar zullen geloven, want Musulins aantal lijkt wel heel erg veel.

2.Opnieuw verschillen Musulin en Marek van mening. Marek noemt een ongeloofwaardig hoog bedrag: 500.000 gulden!