| VII beethovens derde stijlperiode: 1815-1827 | ||
|
VII.3 De muziek VII.3.2 Beethovens oeuvre |
||
| Toelichting Degene die zich afvraagt waarom de namen van sommige componisten wel een hyperlink hebben meegekregen en die van anderen niet, (her)leze mijn opmerking bovenaan het eerste hoofdstuk over muziek: III.3.1. Degene die meer wil weten over mijn visie op de muziek die Beethoven in zijn jeugd schreef, (her)leze hoofdstuk IV.3. Degene die meer wil weten over mijn visie op Beethovens "klassieke", respectievelijk "heroïsche" stijl, (her)leze de hoofdstukken V.3 en VI.3. Gegevens over de geraadpleegde auteurs treft men aan in de bibliografie, hoofdstuk X. |
||
| Beethovens 'late' stijl | Beethoven over zijn eigen muziek | |
| Czerny's kijk op de omslag naar Beethovens late stijl is de origineelste. Hij legt het omslagpunt bij het jaar waarin Beethoven volkomen doof zou zijn geworden. Het zwakke van deze visie is dat het zo onduidelijk is wanneer dat gebeurde. Beethovens doofheid was uiterst variabel en de diverse getuigenissen lopen dan ook zeer uiteen. Volgens sommigen hoorde hij al in 1812 bijzonder slecht, volgens anderen, waaronder Czerny, hoorde hij nog uitstekend en was hij pas vanaf 1817 vrijwel doof. Voor dat laatste standpunt is in zoverre iets te zeggen dat hij vanaf dat jaar schriftelijk moest converseren. Toch onderschrijf ik Czerny's keuze niet. Het is duidelijk dat Beethovens doofheid werd veroorzaakt door een zeer langzaam verlopend ziekteproces, dat begon rond 1797, rond 1813, respectievelijk 1817, verergerde en pas in 1824 min of meer voltooid werd, hoewel hij zelfs op zijn sterfbed nog wel iets kon horen, zij het heel weinig. Ik meen dat een zo langzaam verlopend proces geen scherpe breuk kan hebben veroorzaakt. Van een exact jaartal kan in ieder geval geen sprake zijn. Vrijwel alle deskundigen beschouwen het tijdstip van de tweede omslag in Beethovens oeuvre als veel onduidelijker dan de eerste, ook als men geen relatie ziet met de doofheid. Volgens biograaf Schindler koos de componist beslist niet voor de al ter sprake gebrachte jaren 1808/9 (de compositie van de zesde symfonie) en ook niet voor 1815/16 (het loslaten van de heroïsche stijl), maar voor oktober 1813. Zelfs een maand zou Beethoven hebben genoemd! In die maand greep de Volkerenslag bij Leipzig plaats. Koos Beethoven voor het afscheid van een bepaalde geestesgesteldheid die blijkbaar met Napoleons ondergang te maken had? Besloot hij in oktober 1813, nadat hij ten gevolge van het verlies van zijn Unsterbliche Geliebte lange tijd zeer depressief was geweest, afscheid te nemen van zowel zijn idealen met betrekking tot de liefde als zijn idealen wat betreft de politiek en wenste hij dat ook in zijn muziek uit te drukken? Toch zijn de composities die hij in de periode 1813/15 schreef, niet wezenlijk anders dan veel van de muziek uit de jaren daarvoor. Het verschil zit 'm in het niveau. Opus 91, opus 112, opus 118, opus 136, het zijn stukken die zijn naam slechts zeer ten dele waardig zijn en ze worden tegenwoordig dan ook nauwelijks meer gespeeld. Pas bij opus 102, gecomponeerd in 1815, en in mindere mate bij opus 90 uit 1814, komt het oude niveau langzaam weer terug, echter in een volkomen andere, weinig heldhaftige vorm. Ongeacht het muziekhistorische etiketje dat we eraan willen hangen, is er veel te zeggen voor Schindlers persoonlijke opvatting dat de omslag naar de derde stijlperiode rond 1815/16 viel, ondanks Beethovens eigen mening (als we diezelfde Schindler mogen geloven, wat natuurlijk maar de vraag is). Hoewel ik Beethovens mogelijke keuze wel kan begrijpen, voel ik toch het meeste voor de Schindleriaanse kijk op deze materie, want ik meen dat in deze zaak het muzikale aspect belangrijker is dan het persoonlijke. Daarmee begint bij mij Beethovens derde stijlperiode rond 1815/16. Maar het is voor iedere deskundige en ook voor de minder deskundige duidelijk dat de omslag naar zijn derde stijlperiode een trage ontwikkeling is geweest, eerder een evolutie dan een revolutie en eigenlijk kunnen we pas na 1818 spreken van een vrijwel volledige terugkeer van zijn productiviteit. Er valt dan ook wel iets voor te zeggen de keuze 1817/18 als de feitelijke omslag naar de late periode. In de winter van 1814/15 werd in Wenen het congres gehouden en dit is de plaats om aan de vele reeds besproken verhalen over dat congres een muzikaal verhaal toe te voegen. Er werd een concert gehouden, een bijkans griezelig muzikaal gebeuren: maar liefst twintig piano's, elk quatre-mains bespeeld, waren tegelijk 'in de lucht'. Hierbij vergeleken is Beethovens rumoerige, bij de congresgangers zeer populaire en luid bejubelde Wellingtons Sieg oder Die Schlacht bei Vittoria een slaapliedje. Aan dit muziekstuk kan iedereen horen dat Beethovens heroïsche stijl na 1812 uitgeput was geraakt en blijkbaar vond hij dat zelf ook. Na de crisis van 1812/13 was hij geen held meer, net als Napoleon na Leipzig. Vanaf 1816 kwam zijn late stijl tot volle bloei. Deze stijl is moeilijk voor beginnende muziekliefhebbers. Ook zijn tijdgenoten konden er niet vaak waardering voor opbrengen. Weliswaar was de negende symfonie bij de grote massa direct populair, maar die is dan ook een buitenbeentje in deze periode. Kenners konden de gecompliceerde late kwartetten (opusnummers 127, 130, 131, 132 en 135) wel waarderen, maar het grote publiek moest er niet veel van hebben. Dit gebrek aan waardering had grote consequenties, want Beethovens inkomsten liepen behoorlijk terug. Dat was vervelend, maar blijkbaar voor hem geen reden om terug te keren naar een vroegere, beter betalende stijl. Waarschijnlijk was hij hier emotioneel niet toe in staat. Hoe moeilijk de late Beethoven ook mag klinken in het begin, na een tijdje studie wordt de waardering voor hem groot, heel erg groot zelfs. Ik meen dat de late kwartetten niet alleen behoren tot het beste wat hij schreef, maar ook tot het beste wat de Westerse muziek heeft voortgebracht. Naast Beethoven waren vanaf ongeveer 1815 de jonge Schubert en Weber, die zijn zonen hadden kunnen zijn, belangrijk. Natuurlijk waren er nog veel meer componisten, maar geen van deze personen kon in hun schaduw staan. Daarom geef ik van beide heren hieronder een korte schets van hun (te) korte leven en werk, benevens een overzichtje van de belangrijkste componisten van het tweede echelon. Ondertussen is het is erg jammer en nogal beschamend, maar ik weet echt niet hoe we de late Beethoven in z'n totaliteit kunsthistorisch moeten benoemen. De term "Romantiek" is veel te bekrompen voor de muziek die hij vanaf 1815 schreef, hoe ruim en overkoepelend ik dat begrip ook tracht op te vatten. Ongetwijfeld is ook in zijn late oeuvre veel Romantiek te vinden, maar hier en daar stapt hij regelrecht de twintigste eeuw binnen. Vooral in zijn kamermuziek is Beethoven verbluffend progressief. De negentiende eeuw wist er dan ook niet goed raad mee. Pas rond 1900 werd de door Beethoven uitgezette lijn weer opgepakt. Tegenover de voor veel van zijn tijdgenoten zo onbegrijpelijke late kwartetten staat de onvervalst romantische inslag van de negende symfonie. In zijn laatste decennium zwenkt Beethoven van de ene hoek naar de andere. Geregeld maakt hij uitstapjes naar andere stijlen, zelfs naar stijlen die nog helemaal niet waren ontwikkeld, en daardoor is de derde periode nog moeilijker te vangen dan de tweede. Hardnekkig trachten de musicologen er toch een etiketje aan te hangen. Zoals ik al schreef, bezigen sommigen de term 'klassiek-romantisch' voor de muziek uit de periode 1815/28, gerelateerd aan Beethovens derde stijlperiode en Schuberts sterfjaar. Zoals ik ook al schreef, acht ik dit bij Beethoven niet helemaal juist. Zowel tegen het woord 'klassiek' als tegen het woord 'romantisch' heb ik mijn bedenkingen, zodra mijn oor weer eens wordt getroffen door dat verbluffende stuk kamermuziek van zijn hand: de Grosse Fuge. In dit stuk is Beethoven volstrekt uniek. Men is dan geneigd Rosens visie (de stijl van de Romantiek is helemaal niet van Beethoven afkomstig) te onderschrijven. De term 'klassiek-romantisch' voor Beethovens oeuvre na 1815 is weliswaar niet per se onjuist, maar erg onvoldoende. Dat realiseert men zich heel goed en zo komt men ertoe de fuga te voorzien van het etiket 'abstract-ascetisch', ondergebracht in het 'klassiek-romantische' tijdperk. Ik ben niet zo gek op zulke duurwoorderij. Er is nog iets aan de hand. Beethoven heeft in zijn laatste decennium weinig grote stukken voor orkest geschreven. Eigenlijk alleen de Missa Solemnis en negende symfonie. Hij schreef daarentegen erg veel kamermuziek. Was dat uitsluitend uit een behoefte afscheid te nemen van dat grote gebaar van opera, concert, oratorium, mis en symfonie, waarbij de heroïek van zijn tweede periode zo voortreffelijk paste? Of zat er nog wat anders achter? Inderdaad, geldgebrek. Het was in die jaren, toen zijn populariteit en zijn inkomen daalden en de economie er slecht aan toe was, terwijl hij voor zijn neef moest zorgen, veel eenvoudiger om kleinschaliger muziek te slijten dan een groot stuk als een symfonie. Voor een deel is die ommezwaai broodschrijverij geweest. Toch is de sfeer heel anders en dat heeft niets met geld te maken, maar alles met Beethovens geestesgesteldheid. De muziek werd echter zeker niet minder individualistisch en emotioneel, integendeel, maar de emotionaliteit is van een heel andere soort. Wanneer we ervoor kiezen woorden als 'individualistisch, emotioneel en Romantiek' per se aan elkaar te koppelen en vooral heel erg ruim te zien, valt Beethovens derde stijlperiode inderdaad onder de Romantiek en hebben de deskundigen die de overgang naar de Romantiek in de muziek rond 1815 leggen in ieder geval niet per se ongelijk. Maar ik vind het onjuist de late Beethoven tot dat begrip in te willen krimpen. Bezien we de lijn van de muziek na Beethoven, Schubert en Weber, dan ontmoeten we menige romantische componist, zoals Schumann, Liszt en Mendelssohn. Bij deze muziek past Beethovens muziek van na 1815/16 niet erg, met uitzondering van enkele werken, zoals de negende symfonie, die gloedvolle hymne op de medemenselijkheid. Ik las ergens het volgende compromis: Beethovens late oeuvre valt gedeeltelijk onder de Romantiek en is gedeeltelijk 'abstract', dit keer zonder het voorvoegsel 'ascetisch'. Abstract? Weer dat woord! Sinds wanneer is dat een stroming in de muziek? Vooropgesteld dat we een eventuele tekst niet in aanmerking nemen, is dan niet alle muziek abstract? Natuurlijk, er bestaat wel abstracte kunst. Maar daarmee bedoelt men dan een speciale stroming in de meestal zeer concrete beeldende kunst. In de muziek is het begrip 'abstract' inhoudsloos. Een beginneling heeft niet veel aan een dergelijke onderverdeling van Beethovens oeuvre. Een deskundige weet het desnoods wel te plaatsen en ook ik kan er wel mee uit de voeten, maar ik raadpleeg geen encyclopedie om iets over Beethoven aan de weet te komen. Dat doet een beginneling dus wel en wat heeft zo'n term dan voor inhoud? Ik vrees dat het onmogelijk is de late Beethoven in een kunsthistorisch keurslijf te persen. Het enige wat ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meen te weten, is de periode, namelijk beginnend rond 1815/16 en eindigend in 1826. Hij leefde in 1827 nog bijna drie maanden, maar hij schreef in die tijd niets meer van waarde, hoewel hij het wel probeerde. Tevergeefs, hij was veel te ziek. Zijn laatste uitgegeven noten dateren van december 1826, maar hij had al wel de eerste schetsen gemaakt voor zijn tiende symfonie, waarvan het eerste deel een aantal jaren geleden werd 'voltooid' door B.Cooper. Er is over deze schetsen veel te doen geweest. Holz beweerde de hele symfonie op de piano te hebben gehoord, voorgespeeld door de stokdove componist zelve, en dat leidde tot vruchteloos zoeken naar een partituur, of tenminste uitgeschreven partijen, maar al dit naarstig onderzoek, onder anderen verricht in de jaren zeventig door Winter, heeft slechts aangetoond dat we Holz' opmerking met een flinke schep zout moeten nemen, want verder dan slechts enkele schetsen lijkt deze symfonie toch echt niet te zijn gekomen. |
Volgens
Czerny zou Beethoven tegen hem hebben gezegd: Ich habe
niemals daran gedacht, für den Ruf und die Ehre zu schreiben. Was ich
auf dem Herzen habe, muss heraus, und darum schreibe ich. Als dat
zo is, dan vraag men zich toch af waarom hij zoveel muziek aan
(belang)rijke personen heeft opgedragen, vooral aan het begin van zijn
carrière. Begrijpelijk was dit natuurlijk wel. Hij moest de show nog
maken (en brood op de plank hebben). Maar als zo vaak deed hij zich weer
eens beter voor, of liever, had hij weer eens een gebrekkig zelfinzicht.
Natuurlijk had hij toch wel een beetje gelijk. Hij schreef inderdaad wel
vom Herzen, ondanks zijn interesse in een leuk bedrag en veel roem.
Hij zou ook tegen Czerny hebben gezegd dat hij een slechte muzikale
opvoeding had gehad. Doch, ich hatte Talent zur Musik, aldus
sprak hij vervolgens. Een verrassend bescheiden opmerking
zijnerzijds! Maar dat verwijt is niet aardig tegenover Neefe, zijn belangrijkste
leraar in zijn jeugd, en bovendien onwaar, hoewel zijn vader het
inderdaad niet zo goed zal hebben gedaan als muziekleraar. Neefe echter
wel. Beethoven neigde tot ondankbaarheid, hij trok graag alle eer tot
zich en was ten onrechte apentrots op zijn zogenaamde autonomie. Hij
meende 'altijd' te zijn tegengewerkt in Wenen en vond dat hij zijn
positie uitsluitend aan zijn eigen vechtlust had te danken. Volgens
Czerny is de waarheid heel anders en is Beethoven direct vanaf zijn
aankomst in Wenen in de watten gelegd door een exquis, dweperig,
muzikaal zeer gevoelig publiek, dat nog treurde om het verlies van
Mozart en enthousiast op zoek ging naar een nieuwe muzikale held. Ik
denk dat we Czerny eerder moeten geloven dan zijn hautaine leermeester.
Boeiend is Beethovens visie op zijn eigen muziek uit zijn laatste
decennium. Toen men hem vertelde dat één zijner late strijkkwartetten
geen succes was geweest bij de uitvoering, haalde hij zijn schouders op
en zei dat deze muziek niet voor de toehoorders bestemd was, maar voor
'latere generaties'. Hij kreeg gelijk. Volgens de Engelse
pianist/componist Potter
be(ver)oordeelde Beethoven in 1818 zijn in 1798 gecomponeerde, populaire
septet als volgt: Ich wusste in jenen Tagen nicht zu komponieren.
Jetzt, denke ich, weiss ich es. Deze opmerking strekt hem tot eer.
Niet omdat het septet niet geslaagd zou zijn, integendeel, maar omdat
hieruit een wezenlijk kenmerk van een echte grote kunstenaar blijkt: de
drang tot zelfkritiek en vernieuwing. Hij schreef eens: Weitergehen
ist in der ganzen Schöpfung wie in der Kunstwelt Zweck. Dat hij
zich heel goed bewust was van zijn nauwelijks te overschatten belang als
componist, blijkt uit menige opmerking, waaronder de volgende ervaring
van zijn leerling en biograaf Ries: Auf einem Spaziergang sprach ich ihm einmal von zwei reinen Quinten, die auffallend und schoen in einem seiner ersten Violin-Quartette in C moll klingen. Beethoven wusste sie nicht und behauptete, es sei unrichtig, dass es Quinten waeren. Da er die Gewohnheit hatte, immer Notenpapier bei sich zu tragen, so verlangte ich es und schrieb ihm die Stelle mit allen vier Stimmen aus. Als er nun sah, dass ich Recht hatte, sagte er: 'Nun! und wer hat sie denn Verboten?' Da ich nichte wusste, wie ich die Frage nehmen sollte, wiederholte er sie einigemal, bis ich endlich voll Erstaunen antwortete: 'es sind ja doch die ersten Grundregeln.' Die Frage wurde noch einmal wiederholt und darauf sagte ich: 'Marpurg, Kirnberger, Fuchs, etc. etc., alle Theoretiker!' 'Und so erlaube ich sie!' war seine Antwort. Wat waren Beethovens eigen voorkeuren onder zijn composities? Dat is wat moeilijk te zeggen, omdat hij nog wel eens van mening veranderde. Zo noemde hij eerst de Pastorale, later de Eroica zijn voorkeur onder zijn symfonieën, terwijl hij over de achtste gezegd zou hebben dat de symfonie veel beter was dan zijn voorganger. Of voorgangers? Men is het niet eens over de vraag of hij enkelvoud of meervoud gebruikte en dat maakt toch heel veel uit. Ook zei hij dat hij de Missa Solemnis zijn belangrijkste werk vond, maar hij zei niet dat hij het ook zijn mooiste vond. Het zou een stuk eenvoudiger zijn geweest als hij op zijn sterfbed een eindconclusie over zijn hele oeuvre had gegeven, maar dat deed hij niet en eigenlijk had hij daarin groot gelijk
|
|
|
Beethoven en zijn piano's - laatste deel |
||
Het is merkwaardig:
ondanks al die prachtige sonates die hij schreef, klaagde Beethoven nog in 1826 dat de
fortepiano nog altijd een 'ontoereikend' instrument was en dat
ongetwijfeld zou blijven, om welke reden hij zich had voorgenomen geen
pianomuziek meer te schrijven, aldus een getuigenis van zijn vriend
Holz. Zie hiernaast een
foto van zijn beroemde Broadwood. Ten tijde van zijn opmerking aan Holz
had hij dit krachtige instrument, hem in 1817 geschonken
door de Londense fabrikant en enkele vrienden al jaren in zijn bezit. Zijn waardering
hiervoor
verhinderde hem niet de fortepiano een clavicembalo
miserabile te noemen. Deze opmerking, ook overgeleverd door de
gewoonlijk wel betrouwbare Holz, had mogelijk te maken met het feit dat
Beethoven ten gevolge van zijn doofheid de Broadwood bijna letterlijk
aan stukken had geslagen. De waardering voor deze piano die hij
desondanks uitte, heeft misschien te maken met het feit dat het een
cadeautje was, geschonken door mensen met wie hij vriendschappelijk
omging. Tenslotte kijkt men een gegeven paard niet in de bek! Czerny deelt ons mede
dat Beethoven, als hij zelf speelde, dat toch wel degelijk bij voorkeur
deed op piano's van Weense makelij, zoals Stein, Streicher en Walter. De
Weense fortepiano verschilde technisch gesproken nogal van de Engelse en
misschien moeten we die waardering voor de Broadwood dan ook met een
korreltje zout nemen, wat eigenlijk pas sinds de jaren zeventig tot de
musicologen begint door te dringen. In menige vroegere publicatie leest
men dat Beethoven idolaat zou zijn geweest van de Broadwood en dat hij
het instrument boven de Weense zou hebben geprefereerd. Dat is veel te
kort door de bocht. Zie ook Beethovens woorden aan de Engelsman Stumpff:
Ich besitze selbst ein Londoner instrument, welches aber nicht das
leistet was man von dorther erwarten sollte. (Ik verwijs geïnteresseerden naar de bibliografie voor de
publicaties hierover van Skowroneck, W.S.Newman en Kopitz.) Overigens was de
Broadwood bij aankomst in Wenen in een zodanige staat dat
uitgebreide restauratie noodzakelijk bleek, zodat Beethoven er pas vanaf
1818 gebruik van kon maken. Menige toehoorder was toch zeer onder de indruk van de
klasse van de Broadwood en in 1823 gaf Moscheles een concert waarbij
hij de piano bespeelde. Dat Beethoven zich kennelijk te veel had voorgesteld van
deze piano, had waarschijnlijk te maken met zijn hoop dat het instrument hard genoeg zou zijn voor zijn dove oren.
Gezien het feit dat hij hem binnen luttele jaren in een ruïne
deed verkeren, was dat blijkbaar niet het geval. In een vergeefse poging
toch nog zoveel mogelijk te horen, placht hij er veel te hard op te
spelen, met alle gevolgen van dien. Vanaf 1824 was het instrument vrijwel volledig onbruikbaar.
Ook in een ander opzicht moet de piano Beethoven hebben teleurgesteld: het
instrument omvat slechts zes octaven en pianobouwer Streicher had in
Wenen enkele jaren eerder al een fortepiano met zeven octaven gemaakt.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat enkele van Beethovens late
sonates (op.106 en 101) niet op de Broadwood gespeeld kunnen worden.
Trouwens, overschrijdingen vinden we ook al vroeger jaren. De
pianoconcerten #4 en 5 kunnen niet gespeeld worden op de piano die
Beethoven toen bezat (de Érard dus). Slechts op één van de piano's die
hij moet hebben gebruikt, is het qua bereik mogelijk al
zijn pianomuziek te spelen: het instrument dat hij in 1825/6 van pianobouwer
Graf te leen kreeg, toen de
Broadwood gerepareerd moest worden. De Graf was bovendien vierkorig, wat
wil zeggen dat iedere toon ten gehore wordt gebracht door vier snaren
tegelijk, die geacht worden allemaal exact hetzelfde te zijn gestemd.
Dit was een poging de piano harder te doen klinken, maar het effect viel
erg tegen. Fysisch gezien maakt het inderdaad maar heel weinig uit en
het mag wel verbazingwekkend worden genoemd dat Graf hier kennelijk niet
van op de hoogte was. Bovendien is het technisch gesproken ontzettend
moeilijk om een dergelijk instrument zuiver te stemmen. De pianobouwers
experimenteerden er al jaren mee. Zo ook Streicher, die het echter al
snel op had gegeven. Concurrent Graf daarentegen bleef hardnekkig zijn
best doen. Heeft Beethoven de Graf eigenlijk ooit
serieus bespeeld? De deskundigen zijn het er niet over eens. Na zijn
dood ging de piano terug naar de eigenaar, maar uiteindelijk (in 1889) kwam het
terecht in Bonn in Beethovens geboortehuis, nu een museum annex
kleine concertzaal. Op een Graf
van gelijke fabricage worden daar regelmatig concerten gegeven en er bestaan cds met opnames ervan. Erg fraai klinkt
het instrument niet, vind
ik. Onlangs werd ook Beethovens eigen Graf eindelijk weer eens bespeeld
en de opname ervan werd op cd vastgelegd. Ik moet tot mijn droefenis
bekennen dat ik nog steeds geen liefhebber ben van de klank van deze
fortepiano's. Maar interessant zijn de opnames uiteraard wel. Overigens is er een zin in een brief
van Beethoven die doet vermoeden dat
hij behalve de Graf ook een Stein tot zijn beschikking had in zijn
laatste levensjaren, nadat de Broadwood onspeelbaar was geworden.
Mogelijk was ook dit instrument geleend, want het stond, voor zover ik
weet, niet in zijn appartement na zijn dood, dus waarschijnlijk had de
eigenaar het in een eerder stadium teruggehaald. Sinds enkele jaren zijn
er vermoedens, geuit door onder anderen Eva Badura-Skoda, dat een tweede vierkorige Graf een rol zou hebben gespeeld
in Beethovens laatste levensjaren. Deze fortepiano zou hij met name in Baden hebben
gebruikt toen hij daar in 1823 in de zomer verbleef. Het instrument werd
vele jaren na zijn dood in de kelder van de woning waar hij in 1823
logeerde, aangetroffen. De beroemde
Broadwood staat tegenwoordig in een museum in Boedapest en wordt sinds
1992 na veel restauraties weer regelmatig bespeeld. Terecht, want in
tegenstelling tot de Grafs klinkt de Broadwood goed, vind ik, in
ieder geval op de cd waarop deze fortepiano te
beluisteren is. Als we onze kennis over Beethoven en de piano's die hij
bezat en gebruikte bij het componeren van zijn sonates, in heel klein
bestek resumeren, komen we tot het volgende schema:
van opus 2 tot en met opus 49: Walter |
||
|
Schubert en Weber |
||
|
Franz Schubert, geboren en getogen Wener, heen en weer zwalkend
tussen de klassieke stijl, de Biedermeier en de Romantiek, lag aan
Beethovens voeten, hoewel hij bedenkingen had tegen Beethovens
laatste kwartetten, zoals zovelen in die tijd. Een heikel probleem
is de vraag of Schindler het nageslacht wel goed heeft voorgelicht
toen hij schreef dat Beethoven en Schubert elkaar voor het eerst
ontmoetten toen Beethoven bijna dood was. Dat is waarschijnlijk
niet waar. In ieder geval kenden de heren elkaar tenminste van
gezicht en mogelijk beter. In een conversatieboekje uit 1826
spreekt Holz op een manier over Schubert die doet vermoeden dat
Beethoven tenminste heel goed op de hoogte was van het bestaan op
aarde van zijn geniale collega. Beethoven-experts en
Schubert-experts lijken van mening te verschillen over de relatie
tussen de componisten. Beethoven-experts weifelen,
Schubert-experts houden meestal vast aan het woord van Schuberts
broer, die gezegd zou hebben dat de componisten elkaar maar heel
zelden hadden ontmoet en eigenlijk nooit gesproken. Mij lijkt in
ieder geval wel zeker dat ze niet bevriend waren. Dat had niet
alleen te maken met het leeftijdsverschil, maar ook met
beider vriendenkringen, die elkaar nauwelijks overlapten.
Beethoven was bevriend met adel en bourgeoisie. Schubert was,
ondanks zijn wat kleinburgerlijke afkomst, een oprechte bohémien,
omringd door studenten en kunstenaars, die leefden voor de
wetenschap, de kunst en de liefde en van de dag een nacht maakten
en andersom. Schubert was te introvert en te weinig zakenman om
voor zichzelf op te komen, terwijl hij zich toch wel degelijk goed
bewust was van zijn bijzondere genie. Men denkt wel eens dat hij
onopvallend als een grijze muis wereldvreemd in een hoekje zat te
componeren, maar dat is niet waar. Hij was trots, zelfbewust en
soms ronduit lastig, zoals het een echte kunstenaar betaamt. Het lijkt er
veel op dat hij wat naïef was in financiële zaken en zichzelf niet goed
kon verkopen.
Pas vrij kort voor zijn wel zeer vroege dood kreeg hij enige
erkenning, hoewel -ongelooflijk triest- het enige openbare concert tijdens
zijn leven dat geheel was gewijd aan zijn muziek (26 maart 1828)
in de pers vrijwel werd verzwegen, ten gunste van... een optreden
van Paganini, die sluwe, berekenende zakenman. Schubert werd
ongeveer vijf jaar voor zijn dood besmet met syfilis door een
prostituée of prostitué (volgens sommigen zou hij biseksueel zijn
geweest en volgens anderen zelfs homoseksueel, wat ik niet geloof) en kreeg er enkele weken voor zijn dood een acute
infectie van onbekende aard bij, die hem fataal werd. Zijn
laatste levensdagen was hij volkomen in de war, hij ijlde
en riep: 'Neen, neen, hier ligt Beethoven niet!'
Zijn preoccupatie met zijn idool was kennelijk zo groot
dat hij er zelfs in zijn laatste minuten mee bezig was.
Dramatisch detail: toen hij na Beethovens begrafenis met
een paar vrienden wat ging drinken, bracht hij een toost
uit op de volgende. Hij werd het zelf. Zijn leven mag wel
het prototype van een tragisch kunstenaarsbestaan worden
genoemd. Toen men Schubert eens vroeg waarom hij toch
altijd van die droevige muziek schreef, zei hij dat hij
geen vrolijke muziek kende. Veel geluk en comfort heeft hij niet
gekend, maar plezier heeft hij wel gehad, samen met zijn
trouwe vrienden. Gelukkig maakt het nageslacht een hoop
goed, want Schuberts populariteit is stijgende, hoewel
zijn genie zelfs heden ten dage nog niet ten volle wordt
onderkend. Musicoloog Cooper bijvoorbeeld schrijft in zijn
Beethoven-compendium dat er maar weinig goede muziek werd geschreven in
de eerste twee decennia van de negentiende eeuw, behalve die van
Beethoven dan. Een Schubert-adept mag hier terecht heel erg boos over
worden! Schubert hoort mijns inziens absoluut bij de eerste tien van de
Westerse serieuze componisten. Jarenlang heeft men hem voornamelijk als
liedcomponist gezien. Dat is een vergissing. Niets dan lof voor veel van
zijn liederen, maar ik vind hem als componist van kamermuziek toch nog
beter. Heel merkwaardig: ondanks zijn indrukwekkende prestaties op het
gebied van de zang, heeft hij geen opera's gecomponeerd die de tand des
tijds hebben doorstaan, hoewel de laatste tijd er opnieuw belangstelling
lijkt te ontstaan voor die zo langdurig vergeten opera's. Zoals ik al
beloofde, kom ik hier terug op Schuberts plaats in de kunsthistorie.
Musicoloog Rosen meent
dat deze componist, net als Beethoven, eigenlijk
nauwelijks is in te delen. Terecht schrijft hij dat dit
een probleem is. Een groot probleem zelfs, want Schubert
is soms extreem 'modern', soms uitgesproken
conservatief. Hier en daar lijkt hij zelfs sprekend op
Haydn of Mozart. Hoewel hij, ondanks zijn adoratie voor
Beethoven, zich in eerste instantie uitdrukkelijk van
zijn voorganger wilde onderscheiden, uitgesproken
romantisch werk componeerde en zelfs bij tijd en wijle
helaas een vertegenwoordiger van de wat truttige
Biedermeier moet worden genoemd, keerde hij later terug
naar een stijl die zeer veel lijkt op die van Beethoven
in zijn tweede en derde stijlperiode. Schubert
componeerde in deze stijl zijn beste werken (pianosonates,
strijkkwartet Der Tod und das Mädchen,
strijkkwintet, symfonieën nrs.8 en 9). De dood maakte in
1828 een voortijdig einde aan deze interessante
ontwikkelingsgang. Soms typeert men Schubert als 'post-klassiek'.
Hoezo vaag? De discussie duurt voort. Meer nog dan Mozart
mag Schubert wel een muzikaal wonder genoemd worden: veel
meer dan 1000 composities in slechts 31 jaar. Zeker, daar
waren veel korte liederen bij, maar ook liederencycli,
opera's, symfonieën en omvangrijke stukken kamermuziek.
Volgens Schindler zou Beethoven zich tenminste éénmaal
zeer positief over Schuberts muziek hebben uitgelaten,
maar sommige (vele?) deskundigen twijfelen aan deze
getuigenis. Volgens Schuberts vriend Hüttenbrenner zou
Beethoven over Schubert gezegd dat hij hem nog wel eens
voorbij zou streven, maar deze getuigenis lijkt me weinig geloofwaardig.
Ik kan me deze opmerking uit Beethovens mond niet goed voorstellen. Vrijwel zeker
daarentegen is dat Beethoven
pianovariaties die Schubert aan hem had opgedragen, met
veel plezier gespeeld heeft gespeeld. Carl Maria von Weber, fanatiek aanhanger van de Romantiek, schepper van de Duitse serieuze opera en Wagners voorbeeld, was zonder twijfel na Beethoven en Schubert de beste componist rond 1820. Hij had enerzijds kritiek op Beethoven, anderzijds bewonderde hij hem, welke gevoelens trouwens volkomen wederzijds waren. Weber bezocht Beethoven een keer en vond hem een afstotelijke man, maar hij was stomverbaasd en diep geroerd door zijn verrassend vriendelijke ontvangst. Dit verhinderde hem niet zich later toch beledigend en denigrerend over hem uit te laten en ook dat was volkomen wederzijds. Van der Zanden, schrijver van enkele uiterst lezenswaardig boeken over Beethoven, noemt de heren niet ten onrechte 'twee Duitse huichelaars'. Beethoven ergerde zich soms aan de manier waarop Weber hem wel eens imiteerde, maar de moderne luisteraar vergeeft hem dat van harte, want zijn muziek is erg geslaagd. Maar op sommige momenten is hij inderdaad nauwelijks van Beethoven te onderscheiden. Dan klinkt hij als Beethoven in een overdreven romantische bui. Dan herken ik Weber niet. Dan vraag ik me af waarom ik 'dit' stuk van Beethoven niet ken. Beethoven had zeker gelijk met zijn lof voor Webers fraaie opera Der Freischütz, voorzien van een zeer Beethoveniaanse, indrukwekkende ouverture, waar de typering 'edel pathos' uitstekend bij past. Weber stierf weliswaar niet zo vroeg als Schubert, maar ook hij had geen lang leven, slechts bijna veertig jaar. Hij stierf aan die andere populaire ziekte uit de negentiende eeuw: tuberculose. Ondanks die ziekte kwam zijn dood in 1826 behoorlijk onverwacht. |
||
|
Mindere goden en 'amusementsmuziek' |
||
|
Veel componisten hebben heel erg in de schaduw gestaan
van de Weense Klassieken. Ten onrechte. Het wordt de
hoogste tijd dat ze weer eens voor het voetlicht worden
gebracht. Ik beperk me hier tot een groep die niet alleen
van belang is voor de muziekgeschiedenis, maar die ook
een zekere rol in Beethovens leven heeft gespeeld. Ik
noem de Hongaar Johann Nepomuk Hummel,
de Duitser Ludwig Spohr,
de Duitser Giacomo Meyerbeer,
de Tsjech Antonin Reicha
en de Italianen Muzio Clementi
en Luigi Cherubini.
Uiteraard is deze lijst gemakkelijk uit te breiden,
bijvoorbeeld met Mozarts tegenwoordig wel weer eens te
horen rivaal Antonio Salieri,
Beethovens leerling en plagiaris Ferdinand Ries en de
verdienstelijke en populairder wordende Ier John Field, die
vooruit liep op Chopin toen hij menige nocturne schreef.
Hummel, geboren in 1778, schreef reuze aardige muziek,
met zowel classicistische als romantische trekjes. Hij
was enige tijd in dienst bij Esterházy en bevriend
met Beethoven, maar ze kregen ruzie toen Hummel hoorbaar lachte om
Esterházy's kritiek op een compositie van Beethoven, wiens tenen
weer eens bijzonder lang bleken. Later werd de ruzie bijgelegd.
Reicha, geboren in 1770, was een jeugdvriend van Beethoven. Hij
verhuisde naar Parijs, maar woonde gedurende zes jaar in Wenen.
Hij was een begenadigd leraar en wist alles van contrapunt en
fuga. Net als Beethoven is hij een typische overgangsfiguur. Ook
zijn muziek is nog wel eens te horen. Dat geldt nog meer voor
Spohr, veertien jaar jonger dan Beethoven, die toch een fanatieke
aanhanger van het Classicisme was, terwijl hij desondanks menige
vooruitstrevende noot schreef. Hij werd door Beethoven
bekritiseerd vanwege zijn 'gewaagde dissonanten'! Hij was een heel
goede dirigent, die een voorbeeld was voor latere dirigenten.
Meyerbeer, elf jaar jonger dan Beethoven, was een groot
pianovirtuoos. Hij bewonderde Beethoven en bezocht hem tijdens een
verblijf in Wenen, maar Beethoven uitte zich wat ambivalent. Soms
was hij te spreken over Meyerbeer, soms helemaal niet. Meyerbeer
schreef modieuze opera's, min of meer op Frans-Italiaanse leest
geschoeid, en hij hoort onmiskenbaar bij de Romantiek. Clementi,
geboren in 1752, behalve componist en pianist ook pianobouwer,
komt de eer toe als eerste zijn pianocomposities zorgvuldig te
hebben aangepast aan de fortepiano. Hij zette een punt achter de
stijl die voor het klavecimbel geschikt was. In een wedstrijd
tegen Mozart kwam hij waarachtig als overwinnaar tevoorschijn,
aldus de mening van het publiek. Mozart toonde zich een slecht
verliezer, want in zijn brieven heeft hij geen goed woord over
voor de winnaar. Op tournee ontmoette Clementi ook Beethoven, die
zijn capaciteiten wél bewonderde. Later werden ze bevriend en
sloten ze een succesvol zakelijk contract af, waarbij Clementi
zorgde voor de uitgave van diverse werken van Beethoven.
Cherubini, geboren in 1760, maakte een uitgebreide muzikale
ontwikkeling door, schreef veel vrolijke opera's, maar ook
doodernstige kerkmuziek en boeiende kamermuziek. Hij was goed in
muziektheorie en zijn geschriften hierover zijn nog steeds
belangrijk. Gewoonlijk wordt hij gezien als een componist van het
Classicisme, maar met name in zijn late oeuvre wijkt hij
daar heel erg van af en lijkt hij waarachtig wel wat op
Beethoven in zijn derde periode. Tijdens een bezoek aan
Wenen ontmoette hij Beethoven, aan wiens onbehouwen
gedrag hij zich ergerde (Beethoven weigerde iemand te
ontvangen die door Cherubini
naar hem toe was gestuurd) en voor wiens pianospel hij weinig waardering
kon opbrengen, aldus zijn woorden aan Schindler, die zijn leerzame
gesprekken met Cherubini zorgvuldig noteerde. Ik ontkom er niet aan een enkel woord te wijden aan de componisten die zich bezighielden met wat men zou kunnen noemen 'de lichte muze', omdat Beethoven er in zijn laatste decennium geregeld door werd 'lastig gevallen', namelijk in die zin dat zijn populariteit, die toch al dalende was vanwege de moeilijke muziek die hij toen schreef, een danige knauw kreeg door figuren als Rossini, Paganini en de familie Strauss. In het algemeen kan men wel stellen dat er gedurende de negentiende eeuw een daling van het muzikale peil in Wenen plaatsgreep, ten gunste van steden als Parijs en Londen en, iets later, Praag. Oppervlakkigheid was troef in Wenen. Enfin, Beethovens geklaag in zijn laatste decennium over de Weners en hun al te oppervlakkige smaak bevestigt dit wel. Het is een cynisch grapje van het noodlot dat zijn respectabele populariteit tijdens zijn leven niet ernstig werd bedreigd door een goede componist als Weber en zelfs niet door een genie als Schubert, maar dat de enige die hem naar de kroon stak, iemand was wiens oeuvre slechts gedeeltelijk tot de serieuze muziek mag worden gerekend: de Italiaan Gioacchino Rossini, componist van vrolijke, luchtige opera's, die overigens de moeite van het aanhoren zeker waard zijn, want componeren kon Rossini wel. Die daling van Beethovens populariteit zat in de omstandigheden. Oorlogsmoeheid en verlangen naar rust en plezier, zoals die na 1815 van Europa bezit namen, hadden ook hun uitwerking op de muziek. Men wilde een vrolijk deuntje, men wilde dansen, men wilde een gezellige opera buffa of een operette: allemaal zaken waarvoor men bij die twee Italianen en die geboren en getogen Weners veel beter terecht kon dan bij die serieuze Duitser. Toen de aimabele Rossini eens in Wenen was, besloot hij Beethoven te bezoeken. Voor zover ik weet, is er nog altijd geen zekerheid over de vraag of het hem wel is gelukt. Als we Rossini zelf mogen geloven, was dat het wel het geval, maar verliep de communicatie slecht, zowel door Beethovens doofheid als door de taalproblemen. Beethoven klaagde steen en been over de oppervlakkige smaak van de gemiddelde Wener, maar complimenteerde Rossini niettemin met zijn Barbiere. Hij zou hem hebben aanbevolen zich vooral tot dit soort muziek te beperken, wat doet vermoeden dat hij zich wel degelijk bedreigd voelde door Rossini's populariteit. Hij hoopte dat de Italiaan een ander gat in de markt zou willen vullen. Over Paganini en Strauss heeft Beethoven nooit een woord gezegd, voor zover we weten. Toch waren deze heren al zeer populair toen Beethoven stierf, zij het meer als uitvoerende musici dan als componisten. De concurrentiestrijd tussen Strauss en zijn collega, vriend en rivaal Lanner was in volle gang en heel Wenen had er een mening over. Maar de heren hadden nog niet veel gecomponeerd en korte tijd later stierf Beethoven, in zalige onwetendheid over de route die deze muziek zou nemen. Want ik denk niet dat hij het zou hebben gewaardeerd. Persoonlijk heb ik het vermoeden dat Beethoven met enige minachting op dit soort muziek neerkeek. Rossini ging nog wel, maar Strauss? Het past helemaal niet bij hem, die zo door en door serieuze en idealistische Duitser. Hoewel? Brahms, toch ook niet bepaald een luchtig type, was erg gesteld op Strauss' walsen. Hoe is het mogelijk! Zeer populair tijdens Beethovens derde stijlperiode was ook Rossini's landgenoot Niccolò Paganini, één van de kleurrijkste figuren uit de muziekgeschiedenis. Hij had het genoegen maar liefst twee zusters van Napoleon te kunnen versieren, waaronder de mooie, promiscue Pauline, wier uiterlijk te bewonderen is in dat beroemde 'Griekse' beeld dat de beeldhouwer Canova van haar fabriceerde, en van wie wordt gezegd dat ze een schandaal veroorzaakte toen ze zich tijdens een galadiner achter een kamerscherm door een officier liet verleiden. Helaas, het scherm viel om... Napoleons zusters waren bepaald de laatsten niet in Paganini's spannende liefdesleven en hij stierf dan ook aan syfilis en vergiftiging met het toen tegen de ziekte gebruikte kwikzilver, welk medicijn vaak erger was dan de kwaal. Vanwege zijn 'liederlijke' levenswandel verbood de kerk een christelijke begrafenis. Hij werd voornamelijk beroemd door zijn fabelachtige vioolspel, waarvan men zei dat hij het te danken had aan het verbond dat hij met de duivel had gesloten. Half Europa liep uit om hem te horen spelen en hij werd schandalig rijk. Toch mogen zijn vioolconcerten en solostukken voor viool er best zijn. Ze zijn zeer oppervlakkig, maar heel aardig en nog steeds een uitdaging voor een violist. |
||
| beethovens derde stijlperiode: 1815-1827 |
| VII.3.2 Beethovens oeuvre |
| Toelichting Een * wordt gewoonlijk gevolgd door de datum van uitgave en de naam en plaats van de eerste uitgever, tenzij het een postume uitgave betreft. |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
|
Bespreking(en) Cellosonates (opus 102) Volksliederen (opus 108, *1818, Thomson, Edinburgh) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Een komisch en typerend incident greep plaats in dit jaar. Beethoven kreeg een Engelse meneer op visite die hem aanmoedigde nog wat te schrijven in de stijl van de eerste twee symfonieën, want daar zou hij beslist goed mee kunnen verdienen. Beethoven werd zo boos dat de man de trap af smeet en daar later over ging lopen pochen. Het betekende een breuk met zijn huisarts (Bertolini), want die had de Engelsman (Kyd) bij hem geintroduceerd en dat nam Beethoven hem kennelijk erg kwalijk. Het incident bewijst hoezeer Beethoven afstand had genomen, emotioneel gesproken, van zijn vroege stijl. Over Dorothea wordt verteld dat ze Beethovens muziek beter speelde dan wie ook. Maar ja, de onbetrouwbare Schindler is onze zegsman. Lobkowitz stierf in dit jaar, notabene op (of de dag voor) Beethovens verjaardag. Ik weet niet of de arme man, een neuroticus van het zuiverste water, die opdracht nog bewust heeft ervaren, want hij schijnt vlak voor zijn dood in een inrichting te zijn opgenomen. |
| Bespreking(en)
An
die ferne Geliebte
(opus 98) Pianosonate
(opus 101) Kakaduvariaties (opus 121a) Volksliederen (WoO.157 en 158, *1816, Thomson, Edinburgh en
*1941) Overige composities
|
|
Opdracht(en) en
opmerking(en) Een zeer belangrijk werk waar Beethoven in dit jaar aan begon, is opus 106 (*1819, Artaria, Wenen), de Hammerklaviersonate, opgedragen aan Rudolph von Habsburg. Verbluffend: in dit jaar schreef een Engelse muziekrecensent vol ergernis over de 'lichte' muziek die 'tegenwoordig' in de mode was. Welke componisten bedoelde hij? Jomelli, Mozart en Beethoven. Laten we maar hopen dat Beethoven dit nooit onder ogen is gekomen... Beethoven zelf deed in dit jaar iets wat zeer vérstrekkende gevolgen zou hebben: hij voorzag zijn belangrijkste werken van die zo hevig omstreden metronoomgetallen. Volgens Stadlen (zoals gewoonlijk te vinden in de bibliografie) betrof het de eerste acht symfonieën. Later volgden het septet en opp.106, 112, 121b, en 137, benevens WoO.148 en 149, terwijl van WoO.104 en 105 nog onduidelijk is wie er verantwoordelijk voor is en ook de eerste elf strijkkwartetten onder supervisie van Beethoven door Steiner werden gemetronomiseerd. Beethovens correspondentie geeft aan dat hij er dit jaar zeer druk mee was. Aanleiding was de losgebarsten discussie over het nut van de metronoom. Eindelijk, zou men zeggen. Tenslotte had Mälzel het instrument al jaren geleden vervolmaakt, nadat hij de vondst had gestolen van de uitvinder, de Nederlander Winkel die daar geen genoegen mee nam en hem een proces aan deed, maar helaas voor Winkel ging het instrument toch als Mälzels metronoom de geschiedenis in. Vanaf 1811 hadden de componisten ermee geëxperimenteerd. In 1815 vroeg Mälzel patent aan, maar pas in 1817 begon men over het nut ervan te discussiëren en Beethoven besloot opnieuw (hij had er al in 1813 iets over gepubliceerd in een krant) de wereld te laten weten dat hij een voorstander van de metronoom was en dat hij meende dat de gebruikelijke Italiaanse termen (erfenis uit de barbarij van de muziekgeschiedenis, schreef Beethoven letterlijk in een brief uit 1817) dienden te worden afgeschaft, wat, zoals bekend, niet is gebeurd. Hij ventileerde zijn mening zeer openlijk in een verklaring in een krant, ondertekend door hemzelf en enige andere componisten, gedateerd 14 februari 1818 en beginnend met: Erklärung. Mälzels Metronom ist da!... Een andere belangrijke gebeurtenis in dit jaar betrof de zeer serieuze poging van de London Philharmonic Society om Beethoven naar Londen te krijgen. Men bood hem een contract aan en daarin stond niets wat doet vermoeden dat men op de hoogte was van Beethovens doofheid. Er kwam niets van de plannen terecht en in 1824 probeerde men het opnieuw. Wederom tevergeefs en wederom lijken de Engelse heren zich niet bewust te zijn geweest van Beethovens gehoorproblemen. Gelukkig maar dat het allemaal niet door ging, want het zou een stevig schandaal hebben veroorzaakt. In beide ontwerpcontracten stond dat Beethoven zowel zou pianospelen als dirigeren. En wat deed Beethoven? Hij zweeg... Toch is het merkwaardig dat men in Londen van niets wist, want Beethovens oude vriend Ries, die toen in Londen woonde, was de intermediair. En Ries wist heus wel hoe de vlag erbij stond wat betreft Beethovens slechte gehoor. Kennelijk had hij geen inzage gehad in het ontwerpcontract. Zeer te denken geeft het feit dat Beethoven in 1820 en 1821 met helemaal niemand in Engeland contact had. Men is geneigd te veronderstellen dat er zo het een en ander was voorgevallen in voorgaande jaren en dan bepaald niet iets prettigs. Ondertussen waren de mislukte onderhandelingen uit 1817 ook niet bepaald niet bevorderlijk voor de relatie tussen Beethoven en Ries en we kunnen wel aannemen dat het zal hebben gespeeld bij alle verwarring over de opdracht van opus 120, waarvoor Beethoven eerst Ries' fraaie echtgenote in gedachten had. Meer hierover leest men hieronder (zie 1819) bij de bespreking van dit opus. |
|
Bespreking(en)
Hammerklaviersonate (opus 106) Overige composities
|
| Bespreking(en) Volksliederen (opp.105 en 107, *1819, Thomson, Edinburgh; WoO.156, *1822/24/25/39/41, Thomson, Edinburgh)
Overige composities
|
| 1819 | Opus 120, 123, WoO.105, 173, 174, 176, 179, Hess 301 en een recentelijk ontdekt, v.z.i.w. nog ongenummerd fragment van een strijkkwartet. |
Opdracht(en) en
opmerking(en)
Dit jaar mag wel een heel bijzonder jaar worden genoemd, gegeven het feit dat Beethoven, ondanks alle huiselijke beslommeringen, welgemoed aan zijn grote mis in D begon. Niet voor een kleintje vervaard, onze componist! |
Bespreking(en) Diabellivariaties
(opus 120)
Overige composities
|
| Opdracht(en) en opmerking(en) Een allesbehalve onbelangrijk werk uit dit jaar is opus 109, een pianosonate, opgedragen aan Maximiliane Brentano (*1821, Schlesinger, Berlijn). Beethoven schreef in dit jaar aan een uitgever dat het zijn wens was al zijn werken opnieuw te redigeren en uit te geven. Dit plan ging terug op een voornemen uit 1803, toen een andere uitgever alle pianowerken opnieuw uit wilde geven, waar echter niets van terecht was gekomen. Jammer, de nieuwe plannen volgden dezelfde route en dat mag wel bijzonder betreurenswaardig worden genoemd. Een nieuwe editie uit 1820 zou de musicologen heel wat problemen bij de research hebben bespaard! |
|
Bespreking(en) Pianosonate (opus 109)
|
|
Opdracht(en) en opmerking(en) Opus 111, de laatste pianosonate, werd in de Duitse uitgave (*1823, Schlesinger, Berlijn) opgedragen aan Rudolph von Habsburg, in de Engelse aan Antonie Brentano. Merkwaardig, rond 1821 was het modieus om te veronderstellen dat Beethoven "uitgeschreven" was. Enkele passages uit brieven: ...da er, wie ich in der musikalischen Zeitung lese, schon fast abgestumpft ist; für grössere Arbeiten scheint er gänzlich abgestumpt zu seyn; Unser Beethoven scheint wieder für Musik empfänglicher zu werden. Ach, hoe ondankbaar toch is het publiek! |
|
Bespreking(en) Pianosonates (opus 110, *1822, Schlesinger, Berlijn;
opus 111, *1823, idem) Overige composities
|
Opdracht(en) en opmerking(en)
Wat deed Beethoven in dit jaar en het volgende? Niet veel. Het zou best eens kunnen dat hij het in 1822/23 te druk had met het eindelijk tot een goed einde brengen van zijn mis en zijn laatste symfonie. Voeg daarbij enige preoccupatie met zijn groter en lastiger wordende neef en zijn dagen waren wel gevuld. De strijd met schoonzus Johanna om de voogdij over neef Karl was inmiddels gestreden, want al vanaf begin 1820 had hij die zo fanatiek bevochte en vurig gewenste voogdij, dus daaraan kan het niet hebben gelegen. Mogelijk had ook zijn verslechterende gezondheid te maken met het gebrek aan (goede) composities in deze jaren. |
|
Bespreking(en)
|
|
Opdracht(en) en opmerking(en) De negende symfonie, opus 125 (*1826, Schott, Mainz, première 7-5-1824), werd opgedragen aan de Pruisische koning, Friedrich Wilhelm III von Hohenzollern. |
||||||||||
Bespreking(en) Negende symfonie (opus 125)
Zorgvuldige bestudering van deze geschriften heeft geleid tot de veronderstelling dat niet 116, maar 160 het goede getal moet zijn geweest (gevolg dus van het misverstaan, letterlijk). Echter, dat blijkt uit praktische overwegingen niet haalbaar en dat het absurd zou klinken wordt overduidelijk als het wordt gespeeld met behulp van moderne electronica, waarmee het wel haalbaar is, in tegenstelling tot conventionele instrumenten. Dus laten de meeste dirigenten iets spelen wat tussen 116 en 160 in ligt. Bij Metzger trof ik een andere verklaring aan, ontworpen door Stadlen, die een hoofdstuk in Metzgers boek schreef, maar ook elders over deze materie publiceerde: de eerste annotatie van 116 (het scherzo, molto vivace) staat in een conversatieboekje op een ander blad dan de tweede (het trio, presto) en Karl moest het blad omslaan om de tweede op te schrijven. Hij heeft per ongeluk het getal herhaald en werd niet meer met de aanblik van zijn eigen vergissing geconfronteerd. Heel ingenieus, maar diezelfde getallen zijn toch heus in die brief aan Moscheles in Engeland terecht gekomen, ondertekend door Beethoven zelf, en daarin was geen sprake van het omslaan van een blad. Echter, de brief werd ruim een week voor zijn dood door Schindler geschreven, dus het is niet onmogelijk dat Beethoven niet meer in staat was alles zorgvuldig door te lezen en de vergissing over het hoofd zag. Ik vrees dat we nooit zullen weten wat er nu precies is misgegaan met deze annotatie en dus zullen de dirigenten zich moeten laten leiden door hun gevoel voor de muziek. Raar is ook de vergissing met een ander metronoomgetal, het getal 96, zoals dat te vinden is in oudere gedrukte partituren, terwijl in moderne uitgaven het getal 66 is te lezen. Was 96 slechts een drukfoutje, zoals men vaak (meestal?) kan lezen in beschouwingen over de negende? Dat is goed mogelijk, want ook in bovengenoemde brief staat 96 en Schindler had de getallen overgenomen uit de al gedrukte partituur, waarin inderdaad dit getal stond. Echter, in een eerdere brief van Beethovens hand stond wel degelijk 66. Dan ontkomen we er dus inderdaad niet aan te veronderstellen dat Beethoven op 18 maart al zo ziek was dat hij onmachtig was de brief aan Moscheles te lezen en te controleren. Een derde probleem is het getal 60 bij het adagio, dat -wederom volgens de deskundigen- helemaal niet past bij de tempoaanduiding 'adagio molto e cantabile' en daarom nog altijd wordt genegeerd door alle dirigenten. En om het nog wat gecompliceerder te maken: Beethoven zelf wist kennelijk ook niet altijd wat de beste keus zou zijn. Zo staan in potlood in zijn handschrift aan het begin van de symfonie met een vraagteken zowel de getallen 108 als 120, genoemd, terwijl hij uiteindelijk koos voor 88, wat wel een verbluffend groot verschil met zijn oorspronkelijke gedachten mag worden genoemd. Tenslotte bedenke men bij het beoordelen van de metronomiseringen voor deze symfonie dat het haastwerk was. Op 26 september verliet Karl het ziekenhuis, waar hij een kleine zes weken had doorgebracht na zijn zelfmoordpoging, en al op 28 september vertrokken oom en neef naar Gneixendorf bij Krems voor een bezoekje aan hun oom/broer. De metronomiseringen moeten op 27 september zijn gedaan en dat was misschien wat kort voor het nemen van weloverwogen besluiten. Het duo had zo'n haast om naar Gneixendorf te vertrekken dat er iemand van de uitgeverij naar Wenen was gereisd om de gegevens op te halen. Ook broer Johann, van wiens koets ze gebruik maakten, stond te trappelen om broer en neef mee te nemen. Karl klaagde dat meer tijd nodig was, maar helaas, het was weggaan geblazen. Ondertussen vraag ik me af waar de brief is gebleven die Karl direct na de metronomisering aan de koning van Pruisen deed toekomen als bijlage bij een kopie van de partituur. Want daarin stonden alle getallen, heet van de naald genoteerd. Tot overmaat van ramp werd in de jaren die volgden op Beethovens dood nog menige vergissing gemaakt bij het herdrukken van de symfonie en ontwikkelden bekende en minder bekende dirigenten zo hun eigen visie op de getallen, zodat de verwarring nauwelijks meer is te overzien. Degene die er meer van wil weten, verwijs ik naar het boeiende overzicht dat Eichhorn geeft. Hij wijst op iets wat door wat al te fanatieke voorvechters van Beethovens getallen nog wel eens over het hoofd wordt gezien: de verslagen van de repetities van de symfonie doen vermoeden dat de componist bij nader inzien helemaal niet zo zeker was van sommige van zijn getallen en eigenlijk al in 1825 een piepklein stapje achteruit had gedaan wat betreft zijn enthousiasme voor de metronoom, zoals een brief uit dat jaar bewijst, waarin hij schreef so wankend noch diese Zeitbestimmung ist. Toch stuurde hij desgevraagd metronomiseringen op. Kennelijk vond hij ze nuttig en bruikbaar, maar ook niet iets waar men al te dogmatisch mee om moet springen. Mij lijkt dat dirigenten er goed aan zouden doen dit wat vaker in gedachten te houden, benevens het feit dat volgens getuigen de première van de negende iets meer dan een uur duurde, terwijl er ook een getuigenis is van een opvoering in Londen die een uur en een kwartier zou hebben geduurd. Echter, Smart, de Engelse dirigent die Beethoven in 1825 bezocht, schreef in zijn memoires dat Beethoven op zijn vraag hoe lang de première in Wenen had geduurd, antwoordde met 'driekwart van een uur.' Hoe dit te verklaren? Vergiste Smart zich? Had Beethoven de vraag niet begrepen? Smart schrijft dat Beethovens mededeling werd bevestigd door Karl en door iemand anders die de première had bijgewoond. Dat klopt dus helemaal niet met andere getuigenissen. Raadselachtig is dit alles, nog afgezien van het feit dat het technisch gesproken onmogelijk is de symfonie in drie kwartier te spelen, zoals Smart terecht opmerkt in zijn memoires. Ik vrees dat we hier voor een onoplosbaar probleem staan en ik krijg de indruk dat onder de deskundigen de discussie over de juiste tempi bij deze symfonie nog steeds gaande is en voorlopig nog gaande zal blijven. Enkele uitsmijtertjes tot slot. De eerste: in 1810 werd in Keulen Schillers gedicht op de melodie van de Marseillaise gezongen, waarbij Freude in Freiheit was veranderd. Toen Bernstein dat in 1989 ter gelegenheid van de val van de Muur herhaalde bij de uitvoering van Beethovens symfonie, baseerde hij zich, al of niet onbewust, kennelijk op het verleden. Boeiend ook in dit verband is de uitgave in 1838 van een boek, gewijd aan de herdenking van Beethovens sterfdag, waarin de inmiddels geheel en al vergeten schrijver meent dat de verborgen boodschap in Schillers ode een verwijzing naar het verlangen naar vrijheid is. Tweede uitsmijtertje: toen de negende in Berlijn in première ging, werden de sopraan- en altpartij door jongetjes gezongen. Het is niet bekend wat Beethoven daarvan vond, maar ik speculeer dat hij er niet enthousiast over was. Derde uitsmijtertje: bij de première in Wenen speelde een piano mee. Waar en hoe? De Australische musicoloog Lancaster meent dat in Beethovens tijd bij orkeststukken als symfonieën altijd een fortepiano meespeelde, die Beethoven in ieder geval bij zijn eerste symfonieën zelf zou hebben bespeeld. Er is zelfs al enige tijd een Australische cd-cassette op de markt met een toegevoegde fortepiano aan alle Beethoven-symfonieën. Maar voor zover ik weet, sta Lancaster met dit initiatief (nog) alleen. Vierde uitsmijtertje: in totaal stonden er bij de première van de negende meer dan 100 mensen op het podium, wat voorvechters van een klein orkest voor iedere Beethoven-compositie te denken zou moeten geven. In dit verband is het trouwens verstandig in gedachten te houden dat vergroting van orkesten toen in de mode was. Germaine de Staël beschrijft in haar in 1810 uitgegeven boek De l'Allemagne een verbijsterende gebeurtenis waarbij ze aanwezig was: de uitvoering van Haydns Schöpfung door vierhonderd musici. Huiveringwekkend. Het lijkt erop dat Schindler bij wijze van uitzondering gelijk had met zijn opmerking dat Beethoven een orkest van zo'n 50 tot 60 man ideaal vond, in ieder geval later in zijn leven. Biba schrijft in zijn boeiende studie over de symfonie: Das angeblich kleine typische 'Beethoven-orchester' ist überhaupt ins Reich der Fabel zu verweisen. Ook dat klopt wel. Vijfde uitsmijtertje: het manuscript van de negende ging de halve wereld door, opgesplitst in maar liefst zeven delen. Uiteindelijk (in 1997!) werden vijf delen verenigd in Berlijn, bleef één deel in Bonn en het laatste deel in Parijs. Dat heeft het niet onamusante gevolg dat de zogenaamde complete facsimile-uitgaven van het originele manuscript die men wel eens tegenkomt, geen van allen correct zijn. Altijd ontbreekt er wel iets. Zesde uitsmijtertje: de symfonie is zo langzamerhand een fetisj van de Westerse cultuur geworden en dat blijkt wel het beste uit het feit dat een slap aftreksel van de Ode (amper twee minuten) in 1989 door de Europese Gemeenschap werd uitgeroepen tot 'Europese hymne' en onlangs werd er een nieuwe berijming in het Latijn gepubliceerd, terwijl die taal in de EG zo langzamerhand toch wel heel erg ter ziele is. De meest intrigerende uitsmijter is misschien wel een merkwaardig feit dat, voor zover ik weet, nog maar pas tot de deskundigen begint door te dringen: het begin van de Ode lijkt sprekend op het begin van Mozart offertorium Misericordias Domini (K.222). Weliswaar is de gelijkenis al langer bekend, maar het werd altijd geweten aan toeval, want men kon zich niet voorstellen dat Beethoven dit stuk zou hebben gekend. Wat blijkt? In 1807 werd het in de AMZ uitvoerig besproken en geanalyseerd en in 1820 werd het in Wenen uitgevoerd. Goede kans dus dat Beethoven het wel degelijk kende en mis/gebruikte (doorhalen wat niet verlangd wordt).
Overige composities
|
| Opdracht(en) en opmerking(en) Opus 127 (*1826, Schott, Mainz, première 6-3-1825), een strijkkwartet, werd opgedragen aan Galitzin. De rijke Russische edelman benaderde Beethoven met het verzoek enkele strijkkwartetten te schrijven. De componist toog aan het werk en het resultaat was een reeks van vijf sublieme kwartetten, waarvan er drie (opp.127, 130 en 132) inderdaad voor de opdrachtgever waren bestemd. Helaas betaalde Galitzin slechts een gedeelte. Na Beethovens dood bleek er nog steeds een bedrag open te staan en nog in 1852 (!) kwamen er betalingen binnen. |
| Bespreking(en)
Bagatellen (opus 126) Galitzinkwartet (opus 127) Overige composities
De negende in première |
| 1825 | Opus 130, 132, 133, 134, WoO.35, 61a, 85, 86, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 203, 204, Hess 302. |
Opdracht(en) en opmerking(en)
|
|
Bespreking(en) Strijkkwartet (opus 130) Strijkkwartet (opus 132) Grosse Fuge (opus 133) Overige composities
|
Opdracht(en) en
opmerking(en)
|
Bespreking(en) Strijkkwartet (opus 131) Strijkkwartet (opus 135) Overige composities
Een onvoltooide? De
laatste noten? |
----------------------------------------------------------------
Noot (voor de diverse auteurs: zie de bibliografie, hoofdstuk X, alwaar men zoeke op naam van de auteur.)
1. Met dank aan mijn vriend Frank Verbeek, die mij er tevens op wees dat Beethoven voor het componeren van opus 133 te rade ging bij zijn ex-leraar Albrechtsberger.