VIII BEETHOVENS ERFENIs

III.1 Europa rond 1830
VIII.1.1 Politiek, economie en dagelijks leven

VIII.1.2 Filosofie, wetenschap en kunst

VIII.2 Biografie

Toelichting

De periode direct na Beethovens dood was er eentje van vele pogingen tot herstel van de oude orde. Tevergeefs en daar zou Beethoven geen moeite mee hebben gehad. Maar of hij de ontwikkeling van Europa in de negentiende eeuw gewaardeerd zou hebben, ik waag het te betwijfelen.
Politiek en economie Het dagelijks leven
In 1830 maakte een nieuwe revolutie een einde aan het bewind van de in 1825 aangetreden uiterst reactionaire Franse koning die er alles aan deed het absolutisme in ere te herstellen, zodat het geen wonder is dat er weer een revolutie kwam. In 1838 stierf Talleyrand, de man die achter de schermen als geen ander zijn stempel op de Franse politiek van ruim een halve eeuw had gedrukt, maar zich zorgvuldig afzijdig had gehouden bij de revolutie van 1830. Voor de zekerheid haalde hij zelfs zijn naambordje van zijn voordeur, waarachter hij zich bezighield met het schrijven van zijn memoires. In Engeland kwam in 1837 koningin Victoria aan het bewind. Zo langzamerhand kwam een einde aan de restauratie die duurde van 1815 tot 1848 en die in Oostenrijk politiek gezien Vormärz wordt genoemd en cultureel gezien Biedermeier. In Engeland zou Victoria het tot maar liefst 1901 uithouden en haar naam daar aan een heel tijdperk verbinden. In Oostenrijk stierf in 1835 keizer Franz. Zijn opvolger was debiel, zodat in feite Metternich regeerde, die er trouwens alles aan had gedaan om nu juist deze zwakbegaafde opvolger op de troon te krijgen, opdat hij zijn handen volkomen vrij zou hebben. Maar aan dit spelletje kwam in 1848 een einde. Metternich moest eindelijk het veld ruimen en dat ging met zoveel woede gepaard vanuit de bevolking, die schoon genoeg had van de repressieve sfeer in het land, dat hij voor de zekerheid maar naar Engeland vluchtte, alwaar hij menige vrouw versierde en natuurlijk zijn memoires schreef. Na zijn terugkeer naar Wenen, bleek zijn politieke rol definitief uitgespeeld en de laatste jaren van zijn zeer lange leven was hij dement. Ongetwijfeld zou Beethoven Metternichs verdwijnen in 1848 luid hebben toegejuicht en ik denk dat hij ook geen moeite zou hebben gehad met die revolutie in 1830 in Frankrijk, wars als hij eigenlijk altijd was geweest van het koningsschap. De mode rond 1830De mode was erg braafjes: Biedermeierboeketjes, ruches, kantjes, zware, wijde, voetlange rokken, stapels onderrokken (halverwege de eeuw vervangen door de crinoline, feitelijk een herziene versie van de hoepelrok) en een stevig korset, waardoor de zedig bedekte boezem werd opgeduwd en de taille op bijzonder ongezonde wijze werd ingesnoerd. Menige vrouw werd het slachtoffer van verkrommingen van de  ruggengraat, vervormde ribben en in de knel geraakte inwendige organen. De hoeden werden steeds groter, zodat het gezicht van de draagster vrijwel verborgen was. Op het seksuele vlak werd men al preutser en preutser en dat weerspiegelde zich in de mode. Heren liepen gewoonlijk rond in een donker, meestal effen, driedelig kostuum en een sober, wit overhemd met een griezelig hoge boord. Buitenshuis had een heer altijd een behoorlijk hoge hoed op het hoofd en vaak had hij handschoenen aan en een witte das om. Jan met de Pet was en bleef uiteraard nog altijd letterlijk Jan met de Pet, van hoge hoeden en witte dassen was geen sprake bij het volk. Baarden en snorren begonnen in de mode te komen en daaraan zou pas ver in de twintigste eeuw weer een einde komen. Vooral in Engeland figureerde gedurende vele decennia de al vermelde dandy en dit verwijfde, decadente, maar ongetwijfeld kleurrijke type man deed al die decennia lang z'n uiterste best de mode spannend te maken, in een dappere, maar vergeefse poging de braafheid en saaiheid een beetje te doorbreken. Er is eigenlijk maar heel weinig veranderd sinds 1830, als ik me zo de gemiddelde hedendaagse directievergadering voor de geest haal. Bij de mode voor de echte heer zit 'm het verschil uitsluitend in details als boorden, dassen, hoeden, handschoenen, baarden, snorren en lang of kort haar. Maar aan het donkere, twee- of driedelige kostuum is eigenlijk maar weinig veranderd sinds de Biedermeiertijd. De industriële revolutie kwam nu overal in Europa in een stroomversnelling en de maatschappij begon er min of meer modern uit te zien met treinen, stoomboten, gaslicht, waterleiding en riolering. De ene uitvinding was nog niet geïntroduceerd of de volgende verscheen al weer. Men begon de vruchten te plukken van alle ontdekkingen uit de voorgaande eeuwen. Helaas bleek er een keerzijde aan de medaille te zijn, want bijzonder kwalijk waren sommige gevolgen van de geïndustrialiseerde maatschappij, zoals de smerige fabrieken, de uitbuiting van de daarin werkende kinderen en vrouwen en de niet meer in toom te houden urbanisatie. Enfin, (her)lees Dickens.


Terug naar boven

beethovens erfenis
VIII.1.2 Filosofie, wetenschap en beeldende kunst
Filosofie en literatuur
Een nieuwe filosofie deed z'n intrede met de geschriften van Marx. We weten waar dat toe leidde: het revolutiejaar 1848, waarin heel Europa opnieuw op z'n kop werd gezet, en het ontstaan van socialistische en communistische staten, die sinds kort vrijwel allemaal weer ter ziele zijn. Ik schreef het al: retrospectief gezien moet geconstateerd worden dat de revolutionairen van 1789 hun tijd vooruit waren, in ieder geval idealisten als Babeuf en Saint-Simon of fanatiekelingen als Marat, hoewel hun veel te optimistische idealen niet haalbaar bleken. Een belangrijke filosoof uit deze periode was de nuchtere, maar eveneens veel te optimistische Fransman Comte, die pas laat in zijn leven van zich deed spreken toen hij vanaf 1830 begon te publiceren en een nieuwe wetenschap het licht deed zien: de sociologie. Enkele uitzonderingen daargelaten raakte uitgesproken puur-romantische literatuur na 1830 min of meer passé, maar de burgerlijke variant, de Biedermeier, was nog volop in de mode. Typerend hiervoor is een verder volstrekt onbelangrijke en oninteressante Nederlandse dichter, J.J.L.ten Kate, van wie ik hieronder een hilarische strofe citeer, die goed aangeeft dat het nu toch echt niet meer in de mode was om groots en meeslepend te willen leven. Ik schreef al dat in onze contreien de Romantiek tot geen enkel belangrijk kunstwerk heeft geleid. Ik schreef ook al dat ik veronderstel dat de gemiddelde Nederlander daar de juiste instelling niet voor heeft. Voor hoogdravendheid moet men bij de Duitser wezen, voor temperament bij de Fransman en voor duistere driften bij de Engelsman. Niets van dit alles bij Ten Kate, die in 1840 de volgende "wijze" woorden aan de Nederlandse jeugd deed toekomen:

Verlaat toch niet voor lange jaren
Uw bakermat...
...Betoom den lust der zinnen,
En blijft in 't land der Vaderen! Blijft binnen
Uw vaderstad! ja, zoo gij 't mooglijk ziet,
Verlaat ook zelfs uw Vaderwoning niet!

Men zou de dichter toch van enig sarcasme verdenken, maar neen, hij meende het serieus. Om te voorkomen dat de lezer nu denkt dat ik geen enkele waarde hecht aan de kunst uit deze periode: in het buitenland werd wel degelijk goede kunst gemaakt, heel goede zelfs. Maar op de Nederlandse prestaties hoeven we niet trots te zijn. In Frankrijk daarentegen waren goede schrijvers aan het werk en enkelen deden zeer van zich spreken: Balzac, geboren in 1799, Hugo, geboren in 1802, en Flaubert, geboren in 1821 en de hekkesluiter van de Romantiek in Frankrijk. Hugo en Balzac, hoe belangrijk ook als schrijver, vind ik wat saai en te wijdlopig om boeiend te kunnen zijn en bij Hugo meen ik ook een overdaad aan pathetiek te constateren die mij niet erg bevalt, maar Flaubert vind ik een uitzonderlijk groot schrijver, uiteraard vanwege zijn meesterwerk Madame Bovary. Het boek is weliswaar behoorlijk langdradig voor moderne lezers, maar het blinkt uit door een fascinerende mengelmoes van romantische en realistische beschouwingen, benevens een indrukwekkend inzicht in de psyche van de vrouw. Ongetwijfeld zette Flaubert zich af tegen de idealistische wereld van de Romantiek, terwijl hij er tegelijkertijd een zwak voor had. Deze geestesgesteldheid lijkt wel wat op die van de al besproken Duitser Heine. Beide kunstenaars zwalkten heen en weer tussen hun verlangen naar de idealistische wereld van de Romantiek en hun angstige vermoeden dat het leven in feite zinloos en banaal is. Direct na Flaubert volgden de pessimistische Franse schrijvers die, volkomen in tegenstelling tot de overwegend optimistische schrijvers van de Romantiek, er geen been in zagen om ook de allerslechtste handelingen van de mens te beschrijven. Deze stroming heet dan ook 'naturalisme'. In Engeland valt het oog op de al genoemde Dickens, die door de deskundigen gezien wordt als de grondlegger van de sociale roman, waarin maatschappelijke misstanden aan de kaak worden gesteld. Ik vind hem ontzettend saai en veel te moraliserend, maar menigeen denkt daar heel anders over en ik geef onmiddellijk toe dat hij enkele onsterfelijke karakters heeft gecreëerd. Dickens had een ernstige concurrent in Thackery en op hem ben ik ook al niet erg gek. Maar laat ik de zusjes Brönte niet vergeten met hun nog altijd gelezen Jane Eyre en Wuthering Heights. Hun oeuvre is zowel romantisch als realistisch en dat doet het blijkbaar nog steeds goed, ondanks hun wijdlopige stijl. In het Duitse taalgebied werkten Droste-Hülshoff, Stifter en Storm. De eerste twee vind ik niet zo interessant, maar van de laatste is de sfeervolle, pas zeer ver na 1850 geschreven, maar toch nog wel degelijk bij de pure Romantiek in te delen novelle Der Schimmelreiter bijzonder spannend. Het is wel duidelijk dat Frankrijk voorop liep bij het zoeken naar nieuwe stijlen en dat in Duitsland de geestesgesteldheid van de Romantiek en de Biedermeier nog zeer lang de vigerende is geweest, ondanks het realisme van Heine, ongetwijfeld de belangrijkste Duitstalige literator uit deze periode en in mijn ogen een groot dichter.

Wetenschap

Het voert te ver voor dit boek om een overzichtje te geven van alle ontdekkingen op wetenschappelijk gebied die in de eerste helft van de negentiende eeuw werden gedaan. Men kan wel stellen dat toen de basis werd gelegd voor de technocratie waarin wij leven. Ongetwijfeld zou Beethoven dit alles ademloos hebben bekeken. Helaas kennen wij maar al te goed de enorme problemen die de door technologie geregeerde samenleving met zich mee bracht en brengt. Toch slaat de weegschaal natuurlijk wel door naar de positieve kant, zoals bij de indrukwekkende vooruitgang in de geneeskunde, met als meest opvallende verworvenheden de narcose (voor het eerst in Wenen in 1842) en iets later de antisepsis (voor het eerst in Wenen in 1847). Vast en zeker zou Beethoven die uitvindingen zeer hebben gewaardeerd, gezien de pijnlijke operaties die hij op zijn sterfbed moest ondergaan. Overigens was het Duitstalige deel van Europa gedurende de hele negentiende eeuw prominent aanwezig in de ontwikkeling van de geneeskunde en in Wenen en Berlijn werden zeer veel belangrijke ontdekkingen gedaan. Desondanks waren de meer op de praktijk gerichte Franse en Engelse artsen succesvoller, zodat de Weners spottend over hun beroemde geneesheren zeiden dat ze weliswaar een uitstekende diagnose konden stellen, maar de patiënt genezen? Nou neen, dát was te veel gevraagd!

Beeldende kunst
Het is merkwaardig, maar in eerste instantie gebeurde er niet zoveel op dit vlak. Natuurlijk, er waren genoeg kunstenaars aan het werk, maar geen vernieuwers, behalve dan de kunstenaars die zich bezighielden met een nieuw genre: de karikatuur. Fraaie en humoristische tekeningen zagen het daglicht in Engeland en Frankrijk. Maar met betrekking tot grootschaliger werk ging het er rustig aan toe. Het lijkt wel of men een adempauze nodig had. In de beeldende kunst ging de Romantiek eigenlijk direct over in het Impressionisme. Zoals ik al aanstipte, trekken sommige historici de Romantiek in alle kunstsoorten door tot het einde van de negentiende eeuw en zelfs zijn er deskundigen die de Romantiek pas willen laten eindigen in 1914. Mijns inziens is dat veel te ongenuanceerd wat betreft de filosofie, de literatuur en de muziek. Over de beeldende kunst wil ik als ondeskundige geen oordeel geven.


Terug naar boven

beethovens erfenis
VIII.2 Biografie

Beethovens bureau, tegenwoordig in het Beethovenhaus in Bonn

De cassette waarin Beethovens aandelen lagen, tegenwoordig in de Stadtbibliothek in Frankfurt

Hierboven ziet men Beethovens bureau en hiernaast de houten cassette die hierin lag en waarin zijn aandelen na zijn dood werden aangetroffen. Met potlood staat de volgende tekst op de cassette geschreven, onmiskenbaar in Beethovens handschrift:
7 BankAktien / u 89 # in gold / 20#
Het bureau staat tentoongesteld in het Beethovenhaus in Bonn, de cassette bevindt zich tegenwoordig in Frankfurt in de Stadt- und Universitätsbibliothek aldaar. De hier afgebeelde en tot voor kort onbekende foto van de cassette komt uit het Begleitbuch door Kämpken en Ladenburger, geschreven naar aanleiding van de tentoonstelling "Alle Noten bringen mich nicht aus den Nöthen!!" Beethoven und das Geld. De tentoonstelling was in juni 2005 te bezichtigen in Bonn.

Beethovens erfenis Beethovens ziektes en dood
Neef Karl was Beethovens enige erfgenaam en hij erfde 10.232 fl C.M. in totaal, waarvan hij echter uitsluitend de beschikking kreeg over de respectabele rente. Ter gelegenheid van de introductie van de euro werd in 2002 in Wenen een tentoonstelling georganiseerd, genaamd Vom Wiener Pfennig zum Euro. Uit de hiervoor verzamelde gegevens blijkt dat omgerekend naar de euro, Beethovens vermogen bijna anderhalve ton bedroeg. Daarmee had hij behoord tot de vermogende 5% van de Weense bevolking. Het grootste deel van dit vermogen bestond uit de in 1819 gekochte aandelen, waarvan hij zeven stuks van de oorspronkelijke acht had bewaard voor Karl. De kosten voor de begrafenis, dokters, huur e.d. bedroegen ruim 1200 fl C.M. Famulus Schindler werd de executeur-testamentair, welke taak hij haastig tot zich moet hebben getrokken, want er bestaat geen schriftelijke verklaring van deze strekking door de overledene. De vrienden wisten wel dat Beethoven die aandelen had bezeten en Schindler, Holz, Breuning en broer Johann gingen op zoek. En ze vonden wat ze zochten. Behalve de aandelen troffen ze ook een aantal souvenirs aan. De belangrijkste zijn het Heiligenstädter Testament, de brief aan de Unsterbliche Geliebte, een miniatuur van een onbekende vrouw, een miniatuur dat vaak aan Giulietta Guicciardi wordt toegeschreven, en een vel papier, daterend uit 1807, waarop iets staat geschreven over een zekere M, wat mogelijk in verband staat met Beethovens erotische verlangens in dat jaar jegens de mooie pianiste Marie Bigot, van wie wordt gezegd dat ze het presteerde om de Appassionata a prima vista feilloos van blad te spelen. De tekst van Beethovens aantekening luidt: Nur liebe - ja nur Sie vermag dich ein glücklicheres Leben zu geben - o Gott - lass mich sie - jene endlich finden die mich in Tügend bestarkt - die mir erlaubt mein ist - Baaden am 27 Juli. Als die M. vorbeifuhr und es schien als blickte sie auf mich. Hoewel een jaartal dus ontbreekt, weten we inmiddels wel zeker dat het 1807 moet zijn geweest, in welk jaar Beethovens flirt met Marie tot ergernis bij haar echtgenoot leidde, zodat Beethoven uitvoerig excuses aan moest bieden. Sinds kort is twijfel gerezen over de identiteit van de vrouw op het miniatuur dat aan Giulietta wordt toegeschreven. Mogelijk is het iemand anders. Wie dan wel? De onsterfelijke geliefde? We weten het niet. Nog een vrouwenportret was in Beethovens bezit en dat hing aan de muur: een schilderij door Therese Brunswick, die amateur-schilderes was en misschien haar eigen gezicht erop afbeeldde. Voor de biografen waren (en zijn) dit allemaal belangrijke zaken, maar minstens zo belangrijk zijn de conversatieboekjes. We zullen wel nooit weten hoeveel het er precies zijn geweest. Biograaf Thayer had het over een aantal van 400, maar latere onderzoekers betwijfelden dat en dachten aan ruim 100. Tegenwoordig is men weer geneigd Thayer te geloven. Holz beweerde dat Schindler, aan wie hij een grote hekel had, de boekjes had gestolen en te gelde gemaakt. Schindler, die een zo mogelijk nog grotere hekel aan Holz had, verdedigde zich en zei dat hij ze had gekregen van Breunings zoon en dat hij 'een aantal' had weggegooid, omdat er toch niemand was die er belangstelling voor had, wat erg ongeloofwaardig overkomt, terwijl hij in andere boekjes veranderingen had aangebracht om nog levende personen te beschermen, aldus een brief van zijn hand aan het museum dat uiteindelijk de boekjes van hem cadeau kreeg. Het is inmiddels overtuigend bewezen dat wat hij ermee gedaan had, allesbehalve gewetensvol kan worden genoemd en het nageslacht heeft hem dit niet bepaald in dank afgenomen. Over Schindler leest men tegenwoordig zelden wat goeds. Geregeld wordt met hem de vloer aangeveegd en dat is volkomen terecht, zoals ik al opmerkte bij de bespreking van de achtste symfonie (zie hiervoor hoofdstuk VI.3.2). Heel belangrijke documenten ook zijn de persoonlijke aantekeningen, die Beethoven gedurende zijn hele leven heeft gemaakt, maar vooral in de periode 1812/18. Deze aantekeningen staan bekend als het Tagebuch. Ze zijn verzameld, twee keer overgeschreven en bekend onder de namen Gräffer-Kopie en Fischhof-Manuskript. De tweede kopie is een afschrift van de eerste en daarom waarschijnlijk onbetrouwbaarder. Helaas zijn Beethovens oorspronkelijke aantekeningen op enkele pagina's na verloren gegaan en dat heeft verregaande consequenties gehad voor de bestudering van zijn leven. Zo zien we aan het begin van het dagboek een A staan, in een aantekening die zeer waarschijnlijk in verband staat met zijn verdriet om het verlies van zijn geheimzinnige onsterfelijke geliefde, terwijl we er niet helemaal zeker van zijn dat hij inderdaad die letter heeft geschreven. Integendeel. Beethovens handschrift blinkt uit door onleesbaarheid en er is tenminste nog één andere initiaal, ook te vinden in het dagboek, waar nog altijd geen zekerheid over bestaat, welke aantekening overigens waarschijnlijk niets te maken heeft met liefdesperikelen. De vraag rijst nu: stond er wel een A in die eerste aantekening? Of stond er misschien oorspronkelijk een andere letter? De aantekening luidt als volgt: Du darfst nicht Mensch sein, für dich nicht, nur für andere, für dich gibst kein Glück mehr als in dir selbst, in deiner Kunst. O Gott! gib mir Kraft mich zu besiegen! Mich darf ja nichts an das Leben fesseln. Auf diese Art mit ... geht alles zu Grunde. Uiteraard bestond Beethovens erfenis niet slechts uit geheimzinnige documenten en portretten, maar ik meen dat een opsomming van zijn allesbehalve luxueuze meubilair en dito kleding voor de lezer niet zo interessant is. Merkwaardig feit: de lijst met kleren is verrassend lang. Er staan bijvoorbeeld maar liefst 20 overhemden op en zes paar laarzen. Toch is het geschatte bedrag minstens even verrassend, want heel erg laag. Betrof het grotendeels oude en versleten kledingstukken? Waarschijnlijk wel. Enkele wat interessantere voorwerpen zijn -uiteraard- zijn hoortoestellen, zijn visitekaartjes, zijn brillen, zijn piano's, zijn metronoom, het strijkkwartet dat Lichnowsky hem ooit had gegeven en, last but not least, zijn vele partituren. De openbare verkoop van zijn roerende goederen greep pas in november plaats, nadat er pas in augustus een executielijst was opgemaakt, waarbij bleek dat de verzegelde woning was opengebroken, zodat we wel kunnen aannemen dat het een en ander zal zijn gestolen, misschien wel heel veel. De waardevolste voorwerpen op die lijst zijn de Broadwood-piano, het strijkkwartet en een kostbare ring, waarvan niemand weet hoe Beethoven eraan was gekomen. Onlangs dook in New York een viool op, die volgens onderzoeker Köpp aan Beethoven zou hebben toebehoord. Hij schrijft dat de componist nog een viool kocht, terwijl hij het door Lichnowsky gegeven strijkkwartet compleet hield (het kwartet is tegenwoordig te vinden in het Beethoven-Haus in Bonn). En toen dook enkele jaren in New York dus ineens die derde viool op. Dit verklaart zeker iets wat me nog wel eens verwonderde: in publicaties over de executielijst treft men verschillende namen van de veronderstelde vioolbouwers aan. De 'nieuwe' viool is gerestaureerd en er is een cd verschenen waarop hij wordt bespeeld. Het is bijzonder jammer dat ook Beethovens beroemde koffiezetapparaat ontbreekt aan de executielijst. Had iemand zich dit toegeëigend? Vast wel. Ook de hierboven vermelde documenten en portretten ontbreken. Ze volgden een ingewikkelde route, met jammer genoeg het verlies van Beethovens oorspronkelijke dagboeken als resultaat.

Hoewel niet behorend tot zijn erfenis, hebben we als bewijsstukken voor zijn handel en wandel natuurlijk nog zijn brieven. Dat zijn er behoorlijk veel en ze zijn zeer leerzaam. Nog een merkwaardig feit: uit zijn nalatenschap zijn nauwelijks persoonlijke brieven tevoorschijn gekomen. Heeft hij alles weggegooid? In ieder geval is in 1824 een flink gedeelte van zijn correspondentie zoekgeraakt, misschien zelfs gestolen. Nimmer meer kwam dit pakket brieven boven water. Gelukkig gingen veel van zijn correspondentiepartners zorgvuldiger met zíjn brieven om. De spannendste exemplaren zijn gevonden bij de erven Brunswick, namelijk de (liefdes)brieven die hij aan Josephine stuurde in de jaren 1804/9. Deze brieven zijn pas in de jaren vijftig van onze eeuw boven water gekomen en ze vormden direct een sensatie. Tot dat moment hadden we slechts één liefdesbrief van Beethoven: die van 6/7 juli 1812 aan de onbekende onsterfelijke geliefde. Nog meer interessants hadden de Brunswicks te bieden: Thereses memoires en dagboeken, de schamele restjes van Josephines persoonlijke aantekeningen en de correspondentie van de Brunswicks onderling. Hedendaagse onderzoekers komen er niet meer omheen en het leerde ons hoe belangrijk Josephine voor Beethoven is geweest. Enkele passages uit Thereses dagboeken: 4 februari 1846: Warum nahm ihm meine Schwester J. nicht zu ihrem Gemahl als Wittwe Deym? Sie wäre glücklicher gewesen als mit St. Mutterliebe bestimmte sie auf eigenes Glück zu verzichten. 15 januari 1847: Sie [die Briefe] werden wohl an Josephine sein, die er leidenschaftlich geliebt hat.1 Maart 1848: Josephines Haus- und Herzensfreund! Sie waren für einander geboren und lebten beide noch, hätten sie sich vereint. Intrigerend feit: toen Schindler na Beethovens dood een bezoek aan Franz Brunswick bracht en hem de brief van 6/7 juli liet zien, beweerde Franz prompt dat zijn nicht Giulietta Guicciardi de vrouw in kwestie moest zijn geweest en hij hield dat tot zijn laatste ademtocht vol. Inmiddels is duidelijk geworden dat dit absoluut onjuist is. Trachtte Franz uit gêne Josephines rol in Beethovens leven geheim te houden en schoof hij daarom een ander naar voren? Degene die meer wil weten over de levens van de diverse kandidates voor Beethovens liefdesbrief, verwijs ik naar 'Beethovens raadsels', eerste deel, 'Het raadsel van Beethovens liefdesbrief', de hoofdstukken III t/m VI.

WawruchWeissenbach

Hierboven ziet men links een portret van Beethovens laatste arts, Wawruch, en rechts een portret van Weissenbach, een arts die Beethoven in 1814/15 bezocht en uitgebreid met hem sprak over met name de mogelijke oorzaak van zijn doofheid. Het hiernaast al vermelde deel 'Beethovens raadsels' van deze site is ook gewijd aan 's mans vele ziektes (derde deel, 'De patient Beethoven', hoofdstukken IX t/m XI). Want intrigerend is uiteraard de vraag naar de oorzaak van zijn doofheid. Helaas, we weten die oorzaak niet en we zullen die ook nooit weten, ondanks Weissenbachs dappere pogingen er licht op te doen werpen. Dat komt mede omdat er autopsie op Beethoven is gepleegd, waardoor we van alles over zijn ziektes weten, maar toch nauwelijks iets over die doofheid. De gehoorbeentjes werden verwijderd, op sterk water gezet en zorgvuldig bewaard. Maar niet zorgvuldig genoeg, want ze zijn spoorloos verdwenen. De meest voor de hand liggende diagnose voor de doofheid is otosclerose (een heel gewone ziekte, waaraan 8% van de mensheid schijnt te lijden) en die kwaal is alleen maar uit te sluiten of aan te tonen door middel van onderzoek aan die botjes. Een tegenargument is het feit dat het in de helft van de gevallen erfelijk is bepaald (en daar hebben we geen enkele aanwijzing voor), terwijl het ook meer vrouwen dan mannen treft. Menige andere diagnose is gesteld, de een al ingenieuzer dan de ander, en in principe is dat allemaal misschien best wel mogelijk, maar niet te bewijzen zonder die ontbrekende gehoorbeentjes. In geval van otosclerose had Beethoven in onze tijd waarschijnlijk wel een kans gehad om genezen te worden. Sommige vormen van deze kwaal kunnen tegenwoordig worden geopereerd. De aan elkaar gegroeide, onbeweeglijk geworden botjes worden dan vervangen door kunststof.

Ik kom even terug op de vele littekens in Beethovens gezicht, die volgens sommige moderne artsen in de loop der jaren ernstiger zouden zijn geworden, zodat de oorspronkelijke diagnose 'pokdaligheid' niet toereikend zou zijn. Er is verondersteld dat er een ernstige stofwisselingsziekte aan ten grondslag heeft gelegen, bij welke ziekte (SLE) het bindweefsel vernietigd wordt en de weerstand dermate laag wordt dat de ene infectie na de andere volgt. Deze ziekte zou dan tevens een verklaring kunnen geven voor Beethovens zwakke ingewanden, zijn levercirrose (de doodsoorzaak), zijn longklachten en zijn vele infecties. Helaas is de ziekte niet alleen zeldzaam, maar ook meestal erfelijk bepaald (en daar hebben we wederom geen enkele aanwijzing voor) en ook al vaker voorkomend bij vrouwen. De problemen die Beethoven met zijn longen had en het feit dat zowel zijn moeder als zijn broer eraan waren gestorven, deden hem vrezen tuberculose te hebben, maar zijn longen bleken in uitstekende staat. Mogelijk zouden zijn longproblemen verklaard kunnen worden door een lichte vorm van astma of door een gevoeligheid voor bronchitis. Ook wat dit betreft, kunnen we zekerheid wel vergeten, maar het is wel duidelijk dat hij niet in de voetsporen van zijn moeder en broer heeft gelopen.

Wat is er verder nog aan mogelijke kwalen gesuggereerd, soms met recht, maar vaak ten onrechte? Ik noem: de ziekte van Paget, welke ziekte meestal pas op middelbare leeftijd begint en dikker worden van de schedel veroorzaakt, waardoor de gehoorzenuwen in de knel komen; syfilis, welke ziekte in de negentiende eeuw heel gewoon was en levercirrose en soms ook otosclerose veroorzaakt; buiktyfus, een zeer algemene kwaal in de negentiende eeuw die in sommige gevallen chronische klachten, waaronder doofheid, kan veroorzaken; tuberculose, welke indertijd niet minder algemene kwaal dus door Beethoven zelf werd verondersteld; hepatitis B, welke ziekte zeldzaam was in de negentiende eeuw en soms levercirrose veroorzaakt; benevens nog enkele andere, zeer exotische diagnoses, waarvoor ik verwijs naar onder anderen O'Shea, Neumayr, Kubba/Young, Bankl/Jesserer, Davies en Mai die allen een boeiend overzicht van Beethoven als patiënt geven en allemaal te vinden zijn in de bibliografie. De meest spraakmakende is wel de nog niet zo lang geleden opgeworpen veronderstelling dat hij door (onopzettelijke) vergiftiging om het leven zou zijn gekomen. Het vergif zou lood zijn geweest, dat in een uitzonderlijk hoog gehalte in zijn haar is aangetroffen, conform onderzoek in de USA van enkele jaren geleden. Gezien het ontbreken van de bijbehorende symptomen echter, lijkt mij dit niet erg waarschijnlijk.

Er is maar één ding heel zeker en dat is Beethovens doodsoorzaak: levercirrose. Menige deskundige meent dat de cirrose werd veroorzaakt door drankmisbruik en als dat juist is, moeten we tot onze droefenis constateren dat Beethoven 'keurig' in de voetsporen van zijn grootmoeder en zijn vader heeft gelopen. Dan heeft hij zichzelf heel gewoon het graf in gezopen, om het maar eens heel ordinair te zeggen. Maar er is wel wat af te dingen op deze diagnose. Het lijkt er veel op dat Beethoven ook heeft geleden aan de een of andere chronische ingewandsziekte en uitgesloten kan niet worden dat omgevingsfactoren, zoals blootstelling aan een vervuilde omgeving en/of dieetfouten, ook een steentje bij hebben gedragen. Dat neemt niet weg dat zijn zwakte tegenover de alcohol wel degelijk goed gedocumenteerd is. Heeft dat in verband gestaan met het feit dat hij een neurotische persoonlijkheid was ('zwaargestoorde stakker' las ik eens en zelfs de woorden 'zware psychopaat' ben ik tegengekomen) en het feit dat hij door het noodlot wel heel erg zwaar werd bezocht? Misschien is zijn neurotische inslag ook wel de basis van zijn creativiteit geweest. Worden volstrekt normale, evenwichtige, keurig aangepaste mensen ooit kunstenaar? Ik krijg de indruk van niet.

Het psychoanalytisch geschoolde echtpaar Sterba meent dat Beethoven niet alleen zeer neurotisch was, maar ook homoseksueel, zij het volledig onderdrukt. Ze voeren menig argument aan. Hoewel ik moet toegeven dat ook ik wel eens een wenkbrauw optrek bij het bestuderen van Beethovens liefdesleven, lijkt homoseksualiteit me toch veel te ver gaan, al was het maar omdat hij zich zeer tot vrouwen voelde aangetrokken en waarschijnlijk met enkelen seksueel contact heeft gehad. De Sterba's echter denken dat hij onbewust 'verliefd' was op zijn broer Carl, welke onderdrukte gevoelens hij overzette op de zoon, terwijl hij niet aan zijn seksuele trekken kon komen bij broer en neef (en dat ook niet wilde). Uiteraard meent het echtpaar dat een al te grote moederbinding hierachter steekt, zoals dat wel vaker het geval schijnt te zijn bij homoseksualiteit, aldus de theorie van Freud. Ik meen dat deze hypothese bij Beethoven veel te ver gaat, hoewel ik moet toegeven dat ook ik een tikje het gevoel heb dat hij zich nooit echt los heeft kunnen maken van de vrouw die voor hem in zijn jeugd ondanks al haar falen toch zijn steun en toeverlaat moet zijn geweest. In ieder geval heeft hij zich tegenover met name zijn broer Carl inderdaad altijd erg bezitterig gedragen en hij herhaalde dat gedrag tegenover zijn neef. Hij was soms als een onvervalste en helaas soms ook agressieve tiran jegens het kind, van wie hij toch zielsveel hield. Dat geeft te denken over de soort emotionele binding die hij met hem had. Volkomen normaal was het in ieder geval niet.

Wat betreft Beethovens prikkelbaarheid en hevige gemoedsaandoeningen: er zijn deskundigen die veronderstellen dat hij geleden zou hebben aan de manisch-depressieve psychose, welke kwaal gepaard gaat met perioden van hevige, onwerkelijke euforie en activiteit, afgewisseld met perioden van beangstigende depressiviteit, die zelfs tot zelfmoord kan leiden. Ongetwijfeld waren Beethovens emoties heviger dan die van de meeste mensen, maar ik geloof niet dat hij manisch-depressief was, in ieder geval niet ernstig. Veel medici die zich met Beethoven bezig hebben gehouden, zijn helaas wat al te verlangend een bijzondere afwijking of ziekte bij de componist te ontdekken. Enkele jaren geleden kwam iemand op de proppen met de hypothese dat Beethoven aan het borderline-syndroom zou hebben geleden. Mij lijkt dat gewoon onzin. Ik verwacht nog wel wat nieuwe hypotheses. Ongetwijfeld zullen in de nabije toekomst hele en halve deskundigen komen aangezet met modieuze afwijkingen als het syndroom van Asperger en ADHD/ADD, desnoods allebei tegelijk.

De biografen De familie Beethoven na zijn dood
Ik ontkom niet aan enkele woorden over Beethovens vele biografen. Tenslotte begeef ik me in hun voetspoor. De eerste die besproken dient te worden, is iemand die helemaal geen biografie heeft geschreven: Holz. Na Beethovens dood kwam hij in aanvaring met zijn aartsrivaal Schindler. Holz beweerde dat hij de aangewezen persoon was om Beethovens biografie te schrijven en in 1843 toonde hij een papier, waaruit bleek dat Beethoven hem op 30 augustus 1826 officieel tot zijn biograaf had gebombardeerd. Helaas is dat papier in Holz' handschrift en slechts voorzien van Beethovens handtekening. Dat deed nog niet zo lang geleden enkele onderzoekers suggereren dat het bedrog zou kunnen zijn geweest: Holz had kans gezien een vel papier met Beethovens handtekening in bezit te krijgen en daarboven had hij de door hem gewenste tekst geschreven. Voor deze ernstige beschuldiging is geen enkel bewijs, maar het is inderdaad wel heel vreemd dat Holz, ondanks zijn conflicten met Schindler, nimmer de pen op papier zette om een betere biografie het licht te doen zien. Schindler heeft een heel ander verhaal: Beethoven zou in een vlaag van verstandsverbijstering Holz die schriftelijke toestemming tot het schrijven van een biografie hebben gegeven en daar was hij bij nader inzien helemaal niet gelukkig mee. Hij wilde het papier terug, maar helaas, Holz behield het. Hoe dan ook: Holz trok zich terug uit het gekrakeel na Beethovens dood over wie nu de beste biograaf zou zijn en dat is jammer, want ik denk dat hij het beter gedaan zou hebben dan zijn aartsrivaal. Want zoals ik al aanstipte, valt er heel wat af te dingen op Schindlers handelwijze met betrekking tot zowel zijn biografie als de manier waarop hij met Beethovens erfenis is omgesprongen. Erg betrouwbaar was hij niet. En ook niet erg sympathiek. Maar de manier waarop Beethoven hem soms behandelde, was allesbehalve vriendelijk. Wat er ook misliep, Schindler kreeg de schuld, vaak ten onrechte, soms terecht. Ronduit afstotelijk echter vind ik een brief van Beethoven, toen hij weer eens ruzie met zijn factotum had gehad. Hij schrijft dat de 'zuiverheid' van zijn karakter hem niet toestaat de 'kleine diensten' die Schindler hem bewijst als vriendschap op te vatten. Toch was en bleef Schindlers adoratie voor Beethoven groot en jarenlang lachte ik om het hilarische verhaal dat hij in later jaren in Parijs rondliep met een visitekaartje, waarop gedrukt stond Anton Schindler, l'ami de Beethoven. Maar volgens de Massins, goede biografen, is dit een venijnige roddel, verzonnen door de dichter Heine, die bij kennismaking met Schindler spontaan zo'n hekel aan hem kreeg dat hij dit verhaal de wereld in stuurde. Thayer zou het ontzenuwd hebben, aldus de Massins. Toch kom ik het verhaal geregeld tegen in modernere biografieën. Sterker nog, Lühning bevestigde het, overigens in een bijzonder aardig artikel over de relatie tussen Schindler en Beethoven. Men zou zo zeggen dat er ergens toch nog een visitekaartje van Schindler in een museum te vinden zou moeten zijn. Of zijn ze allemaal zoekgeraakt of vernietigd? Het is waar dat Schindler even belachelijk en onbetrouwbaar als beklagenswaardig was. Beethoven behandelde hem als zijn voetveeg. Ooit schreef hij in een brief dat hij de meeste mensen om zich heen slechts als instrumenten beschouwde, waarop hij naar behoefte kon spelen. Kennelijk hoorde Schindler hier ook bij. Het is blijkbaar nooit tot hem doorgedrongen dat men tegenover Beethoven vooral op z'n strepen moest gaan staan om zijn respect te verdienen. Schindler bleef braaf en onderdanig over de vloer komen, zodra zijn idool hem weer nodig had. Na zijn dood kon hij de buit binnen halen en gezegd moet worden dat hem dat goed is gelukt. Veel te goed eigenlijk! Schindler trouwde, werd beroemd en leidde een geslaagd leven. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat het torenhoge voetstuk waarop Beethoven zoveel jaren heeft gestaan en in sommige delen van de wereld nog staat, niet helemaal op het conto van Schindler kan worden geschreven. Al tijdens Beethovens leven deed menigeen een dappere poging hem bijna letterlijk de hemel in te prijzen. Ik heb al gewezen op de rol van Hoffmann hierin, maar hij was bepaald de enige niet. Maruyama constateert in een essay gewijd aan Die Geschöpfe des Prometheus dat Beethoven al snel vergeleken werd met Jean Paul Richter, die toen razend populair was, populairder zelfs dan Goethe en Schiller. Bijvoorbeeld in het Morgenblatt fur gebildete Stände (!) van juli 1807 werd Haydn geregeld vergeleken met de toen ook zeer populaire Wieland, Mozart met Schiller en Beethoven dus met Jean Paul. Een belangrijke steen ook aan Beethovens voetstuk werd aangedragen door biograaf/publicist Marx, uitgever van de Berlijnse tak van de Allgemeine musikalische Zeitung (er was ook een tak in Leipzig, geleid door Rochlitz), die tenminste éénmaal door Beethoven luidkeels lof kreeg toegezwaaid vanwege het begrip dat hij had laten zien bij de bespreking van een compositie. Jammer genoeg bleek Marx als biograaf desondanks een mislukking. Hij volgde Schindlers spoor en dat had hij beter niet kunnen doen. Beter waren Wegeler en Ries, die echter geen biografie schreven, maar wel gezamenlijk een boeiend boekje met persoonlijke herinneringen het licht deden zien. Dit is nog altijd een belangrijke bron van informatie.Alexander Wheelock Thayer

Veel intelligenter en gewetensvoller dan Schindler was de Amerikaan Alexander Wheelock Thayer (zie hiernaast een foto), die tot op de dag van vandaag als Beethovens belangrijkste biograaf geldt. Men bewondere zijn profiel, hiernaast te zien. Om hem komt geen enkele deskundige heen. Zijn biografie is in alle opzichten nog steeds onontkoombaar en dat heeft te maken met de indrukwekkende hoeveelheid research die hij verrichtte. De biografie omvat dan ook maar liefst vijf delen. Hij werd ernstig ziek tijdens het schrijven en uiteindelijk legde hij de pen neer. Anderen voltooiden zijn werk, waarbij hij trouwens wel adviseerde. Overigens mag ook Gerhard Breuning, zoon van Beethovens oude vriend Stephan, hier niet onvermeld blijven. Hoewel geen biografie is zijn bijdrage aan onze kennis over Beethoven nog altijd van groot belang. Na Thayer begon er een ware hausse in boeken over Beethoven en het lijkt erop dat het einde hiervan nog lang niet in zicht is. Uiteraard is men over veel zaken zo langzamerhand wel uitgeschreven, maar het aardige aan Beethoven is dat hij ons enkele intrigerende raadsels heeft nagelaten, zijn geheimzinnige liefdesbrief van 6/7 juli wel voorop. Er valt nog steeds zeer veel te verklaren. De grootste strijd onder de biografen gaat uiteraard nog altijd over die onbekende vrouw, maar ze wordt op de voet gevolgd door Karl en Johanna en de speurtocht naar de oorzaken van Beethovens doofheid en chronische darmklachten, uitmondend in fatale levercirrose. Belangrijke boeken en publicaties over de onsterfelijke geliefde waren en zijn die van Kaznelson, Solomon, Goldschmidt, Tellenbach en Steblin. Baanbrekend over de voogdij was het controversiële boek van de Sterba's en zeer leerzaam over Beethovens ziektes waren en zijn de publicaties van de al genoemde O'Shea, Neumayr, Kubba/Young, Bankl/Jesserer, Davies en Mai. Dit alles dateert uit de tweede helft van de twintigste eeuw of later (men kan alle auteurs, zoals gewoonlijk, vinden in de bibliografie). Toch is consensus nog lang niet in zicht. Gezien alle onduidelijkheid inzake bovengenoemde problemen, is dit wel verklaarbaar, maar men zou toch verwachten dat er zo langzamerhand wél consensus bestaat over zijn muziek. Niets is minder waar, gezien de nog steeds bestaande zeer uiteenlopende opvattingen over de 'betekenis' van de derde en de negende symfonie en het gekissebis over de metronoomgetallen. Maar misschien zou Beethoven dit wel leuk hebben gevonden. Hij had daar wel het karakter voor. Want een rebel was hij, in alle opzichten en in hart en nieren, en hij stak dat niet bepaald onder stoelen of banken. Menige biograaf constateerde terecht dat we in zijn oeuvre niet alleen veel lijnen naar de (muziek)historie aantreffen, maar ook naar zijn privéleven. Hoe langer men erop studeert, hoe meer verbindingen men meent te ontwaren. Wat betreft zijn privéleven ben en blijf ik van mening dat men zeer voorzichtig moet zijn met het trekken van verregaande biografische conclusies uit de muziek, maar ongetwijfeld is op menige plaats de achtergrond onmiskenbaar. Beethoven heeft ten onrechte bij veel leken de naam een soort kluizenaar te zijn geweest, met een rudimentair gevoel voor en interesse in de medemens, de dagen uitsluitend doorbrengend met componeren en tobben met zijn doofheid. Zijn tragiek is dat hij dat gevoel voor anderen wel degelijk in hoge mate bezat, maar om uiteenlopende redenen niet goed in staat was er op de juiste wijze uiting aan te geven. Zijn frustraties hierover schreef hij van zich af, maar ook zijn positieve ervaringen vormden voor hem een belangrijke inspiratiebron. Uiteraard nog groter is de tragiek van zijn doofheid. Biograaf Marek waarschuwt uitdrukkelijk tegen het leggen van verbindingen tussen leven en werk en meent dat Beethoven zich ook onder heel andere omstandigheden zou hebben ontwikkeld tot de componist die hij werd. Hoezeer ik Mareks aardige biografie ook waardeer, hier geloof ik geen zier van. Ik meen dat in ieder geval de invloed van de doofheid op Beethovens oeuvre moeilijk kan worden overschat.

Het was bepaald geen indrukwekkend huwelijk, dat van broer Johann en schoonzuster Therese. Het heeft er nog het meeste van weg dat ze vooral op praktische gronden met elkaar waren getrouwd en dat Therese weinig om haar man gaf. Ze was hem geregeld ontrouw en hij lijkt het zich nauwelijks te hebben aangetrokken, tot grote ergernis van Ludwig, die dit absoluut niet begreep. Na Thereses dood, een jaar na die van haar beroemde zwager, hertrouwde Johann niet. Hij leefde nog zeer lang als vrijgezel en wierp zich op als een fanatiek pleitbezorger van zijn broers muziek. Daarin gedroeg hij zich nogal belachelijk. Menig hilarisch verhaal over zijn aanstellerige gedrag en dito uiterlijk bestaat. Hij zag eruit als een soort clown. Hoewel hij lelijk als de nacht was, beduidend lelijker dan Ludwig, kleedde hij zich als een beeldschone dandy. Op het enige portret dat we van hem is hebben (er staat een afbeelding in 'Beethovens raadsels': direct aan het begin van hoofdstuk VII), vertrekt hij zijn veel te grote mond tot een bête lach van oor tot oor, zijn neus is groot en puntig en hij kijkt onwaarschijnlijk scheel uit fletse, kleine varkensoogjes. Het bekijken van dit portret doet mij altijd weer in de lach schieten. In niets, helemaal niets leek hij op zijn broer, zelfs niet in zijn muzikaliteit, want hij schijnt altijd op de verkeerde momenten in overdreven applaus te zijn uitgebarsten, waarbij hij wild overeind sprong, ver voorover leunde (hij was lang, mager en hoekig) en met zijn grote handen, gehuld in veel te ruime, spierwitte handschoenen, maar bleef doorklappen en doorklappen, tot grote gêne van de rest van het publiek. Johann was, hoewel rijk en geslaagd, toch de risée van de familie. Karl van Beethoven op middelbare leeftijd

Hoe moeilijk de relatie tussen oom en neef ook was geweest, Karl (zie hiernaast een foto op middelbare leeftijd) betreurde het later hevig dat hij in Iglau was toen zijn beroemde oom stierf, zodat hij niet in staat was geweest naar de begrafenis te gaan. Naarmate de jaren verstreken, begon hij zich steeds positiever over zijn oom uit te laten. De tijd had de akelige herinneringen doen verdwijnen en Karl was mild geworden. Vijf jaar diende hij in het leger en hij werd een door zijn manschappen zeer gewaardeerde officier. Toen besloot hij te kiezen voor carrière als ambtenaar, maar helaas lukte het hem niet om een passende functie te vinden. Vervolgens probeerde hij het als landeigenaar, maar ook daar kwam weinig van terecht. Gelukkig zat hij er toch warmpjes bij, want in 1848 stierf ook zijn andere oom, die weduwnaar was en geen kinderen had. Karl was zijn enige erfgenaam en we weten dat Johann uitgesproken rijk was. Aldus beschikte Karl de laatste tien jaar van zijn leven over een kapitaal dat hem voldoende rente opleverde om als ambteloos burger toch een prettig leven te kunnen leiden. Hij schijnt overigens een zeer goede pianist te zijn geweest. Vast en zeker bezat hij, net als zijn vader, een meer dan normale muzikaliteit, maar bij een reus als oom/broer Ludwig viel hun bescheiden talent natuurlijk in het niet. Karl trouwde met Caroline Naske, die hem vier dochters en een zoon schonk. Het huwelijk schijnt uitstekend te zijn geweest en de kinderen hebben altijd gezegd dat Karl ook een heel goede vader was. Deze feiten moeten eigenlijk iedereen de mond snoeren die in Karl een slecht mens willen zien en dat waren er in de negentiende eeuw heel veel, veel te veel. Ongetwijfeld valt er wel wat af te dingen op de manier waarop hij zich in zijn puberteit gedroeg, maar ik ben bang dat de schuld daarvoor toch grotendeels bij zijn oom heeft gelegen, die nu eenmaal volslagen ongeschikt was voor het opvoeden van een jongen in zijn tienerjaren. Karl ageerde, protesteerde en trachtte zich uit de benauwende omhelzing van zijn ooms apenliefde te bevrijden. Dat ging met minder prettig gedrag gepaard. Maar toen hij eenmaal op eigen benen stond, ontwikkelde hij zich al snel tot een aimabele man, die in de dagelijkse omgang een veel prettiger persoonlijkheid was dan zijn beroemde oom en bovendien een aantrekkelijk uiterlijk -waarschijnlijk zijn moeders genen- had meegekregen. Maar aan wie had Karl zijn acceptabele karakter te danken? Toch aan zijn moeder, de verafschuwde Johanna? Want als vader was Carl niet zo'n beste. Helemaal niet zelfs. Eigenlijk waren alle gebroeders Beethoven moeilijke, gefrustreerde mensen met een lastig, soms uitgesproken onplezierig karakter. De oorzaak daarvan moeten we tenminste gedeeltelijk zoeken in hun minder prettige jeugd. Blijkbaar heeft Johanna haar zoon toch een plezierig tehuis kunnen geven, ondanks haar slechte huwelijk en haar financiële zorgen, die zij, in het bezit van een indrukwekkend gat in haar hand, zich constant op de hals haalde. In 1829 bijvoorbeeld had ze een schuld van maar liefst 5770 fl C.M., bijna de helft dus van de waarde van Beethovens aandelenkapitaal. Toch moet worden geconstateerd dat Karl blijkbaar lang genoeg bij zijn moeder heeft gewoond om de ethisch en intellectueel weliswaar betere, maar in andere opzichten zo desastreuze opvoeding van zijn oom letterlijk en figuurlijk te overleven, zij het ternauwernood. Karl stierf in 1858 aan leverkanker en enige tijd na zijn dood was er een dwaas persoon die het nodig vond een toneelstuk over de relatie tussen oom en neef te schrijven, in welk stuk met Karl en Johanna de vloer wordt aangeveegd. Karls dochters protesteerden krachtig en inderdaad verdween het stuk gelukkig al snel in een la, waar het nooit meer uit is gekomen.

Karls enige zoon, Ludwig Johann genaamd en geboren in 1839, was niet zo'n beste. Hij emigreerde haastig naar Amerika toen hij door de politie werd gezocht en daar ging hij vrolijk verder met het leiden van een avontuurlijk en tamelijk misdadig bestaan. Hij veranderde zijn naam eerst in Baron von Beethoven en vervolgens in Van Hoven. De datum van zijn dood is onbekend. Zijn zoon, Karl Julius Maria genaamd, werd journalist, keerde in gezelschap van zijn moeder terug naar Europa en trouwde niet. Hij schijnt een intelligente, ontwikkelde, maar zeer kwetsbare en labiele figuur te zijn geweest. In 1917 stierf hij in grote armoede in een Weens oorlogslazaret, nadat zijn moeder hem enkele maanden eerder hierin was voorgegaan. Soms kan men lezen dat hij zou zijn gestorven aan een verwaarloosde ontsteking aan een voet, maar in het protocol van zijn ziekbed staat de diagnose 'ileus' en dat is toch echt heel iets anders (een darmkwaal). Moeder en zoon werden bij gebrek aan baten van gemeentewege op het Zentralfriedhof in Wenen begraven. Met de dood van Karl Julius stierf ook de mannelijke lijn van het geslacht Beethoven uit. Ondertussen moet eerlijkheidshalve gezegd worden dat Beethoven wel gelijk had toen hij beweerde dat Johanna 'lichtzinnig' was. Ik onderschrijf de mening van de Sterba's, die menen dat ze een zorgzame en liefhebbende moeder was, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze ook verder onkreukbaar was. Integendeel, in de strijd met haar zwager valt menig moment te ontwaren waarop zij zich geen haar beter gedroeg dan haar opponent, die haar terecht ervan beschuldigde een dievegge te zijn en haar man ontrouw te zijn geweest. Ook geloofde hij maar al te graag de roddel dat ze zichzelf op de Redoutenbals te koop aanbood. De Sterba's vinden die roddel een grof schandaal. Maar het is zeker niet onmogelijk dat het wel degelijk waar was. Want op Johanna's levenswandel in later jaren valt veel aan te merken en niet alleen wat betreft haar wangedrag in financiële zaken. Ze is nooit openlijk een prostituée geweest, maar dat hoeft niet. Minder openlijk op deze manier de kost verdienen, lukt ook wel. We weten dat Karls echtgenote niet bepaald op haar schoonmoeder was gesteld en dat Karl haar geen of slechts weinig financiële ondersteuning gaf. Waarom niet? Had ook hij toch zo z'n bedenkingen tegen zijn moeder? Johanna werd zeer oud en overleefde haar zoon met maar liefst tien jaar. Haar buitenechtelijke dochter Ludovica schijnt in de voetsporen van haar moeder te zijn getreden. Tijdgenoten spraken van een 'liederlijk bestaan', wat we natuurlijk wel met een korreltje zout mogen nemen, gezien de preutsheid toen.

Hoewel de mannelijke lijn van de de familie Beethoven dus niet meer bestaat, zijn Karls genen wel doorgegeven door zijn kwartet dochters. Afstammelingen van hem zijn, voor zover ik weet, op dit moment nog leven. De geïnteresseerde lezer bestudere vooral deze site over de genealogie van de familie.

Terug naar boven

----------------------------------------------------------------------------------

Noot

(voor de diverse auteurs: zie de bibliografie, hoofdstuk X, alwaar men zoeke op naam van de auteur.)

1.Schindler meende dat de driedelige brief van 6/7 juli bestond uit drie verschillende brieven en had dat zo vermeld in zijn biografie, naar aanleiding waarvan Therese deze aantekening maakte.